wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorbereiden Thema 3

Total questions: 16

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het verschil tussen het fenotype en genotype?

a)

Genotype zijn je genen en kun je veranderen.

b)

Fenotype zijn je genen en kun je veranderen.

c)

Genotype zijn je genen en kun je niet veranderen.

d)

Fenotype zijn je genen en kun je niet veranderen.

2.

Hoe noem je 2 dominante allelen

a)

Homozygoot dominant

b)

Homozygoot recessief

c)

Heterozygoot

dominant

d)

Heterozygoot

dominant

3.

Wat is een mutatie?

a)

Een mutatie is een verandering in het DNA van een cel.

b)

Een mutatie is een verandering in membraan van een cel.

c)

Een mutatie is een verandering in de celkern van een cel.

d)

Een mutatie is een verandering in het fenotype van een cel.

4.

Teken het kruisingschema van de volgende kruising Aa x Aa

5.

Door een (a)   te maken kun je voorspellen wel fenotype de nakomelingen van een kruising hebben.

6.

Wat is een evolutie theorie?

a)

Erfelijke eigenschappen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van het ontstaan van genetische variatie, voortplanting en natuurlijke selectie.

b)

Verschillen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van het ontstaan van genetische variatie, voortplanting en natuurlijke selectie.

c)

De hoeveelheid in een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van het ontstaan van genetische variatie, voortplanting en natuurlijke selectie.

d)

erfelijke eigenschappen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van de generaties als gevolg van het ontstaan van overstromingen en natuurbranden.

7.

Welk cijfer geef jij jezelf voor je kennis over dit hoofdstuk op dit moment?

a)

Tussen de 8 en 10

b)

Tussen de 6 en 8

c)

Tussen de 4 en 6

d)

Onder de 4

8.

Wat betekend intermediair fenotype?

a)

Het gevolg is dat geen genen tot uiting komen in het fenotype van het organisme.

b)

Het gevolg is dat beide genen tot uiting komen in het fenotype van het organisme.

c)

Het gevolg is dat een gen tot uiting komen in het fenotype van het organisme.

9.

Waaruit is een chromosoom gemaakt?

a)

DNA

b)

RNA

c)

Celkern

10.

Hoeveel procent van het kruisingsschema is homozygoot recessief?

a)

100%

b)

75%

c)

50%

d)

25%

11.

Wat betekend de P in een kruisingsschema?

a)

Protist

b)

Past

c)

Parents

d)

Proof

12.

Hoe wordt de tweede generatie genoteerd?

(a)  

13.

Maak de kruising AA x aa in het kruisingsschema.

14.

Voorbeelden van ongeslachtelijke voortplanting

Er zijn verschillende voorbeelden van ongeslachtelijke voortplanting. Een voorbeeld hiervan is het nemen van stekken van planten. Bij deze vorm van voortplanting wordt een deel van de plant afgesneden en in de grond geplaatst, waar het uitgroeit tot een nieuwe plant.

Een ander voorbeeld is het vormen van knoppen bij planten. Hierbij groeit er een nieuwe plant uit een knop op de ouderplant, waardoor er op die manier voortplanting plaatsvindt.

Tenslotte is deling van organismen ook een vorm van ongeslachtelijke voortplanting. Bij deze vorm splitst een organisme zich in twee of meer delen, die elk uitgroeien tot een nieuw organisme.

14.

Wat is een vorm van ongeslachtelijke voortplanting waarbij een deel van de plant wordt afgesneden en in de grond geplaatst om uit te groeien tot een nieuwe plant?

a)

Bollen

b)

Knollen

c)

Stekken

d)

Wortelstokken

15.

Evolutie: de ontwikkeling van het leven op aarde, waarbij soorten

ontstaan, veranderen en/of verdwijnen.

Bij geslachtelijke voortplanting en mutaties kunnen organismen met een

ander genotype ontstaan. Er ontstaat variatie in genotypen. Het fenotype

komt tot stand door het genotype en invloeden uit de milieu. Dus er

ontstaat ook variatie in fenotypen.

Niet alle dieren hebben een even grote overlevingskans. Kikkers met een

andere kleur bijvoorbeeld vallen sneller op voor roofdieren. Dit verschijnsel

heet natuurlijke selectie. Een dier dat goed aangepast is aan zijn milieu

heeft een grotere overlevingskans. Het gunstige genotype wordt zo

doorgegeven aan nakomelingen.

Slechts heel af en toe komt er een mutatie voor die leidt tot een grotere

overlevingskans of een grotere kans op voortplanting voor de mutant.

15.

Wat kan mutaties veroorzaken?

a)

Grotere overlevingskans

b)

Meer voortplantingskans

c)

Snellere groei

d)

Minder genetische diversiteit

16.

Met welk teken wordt een man aangegeven in een stamboom?

a)

b)