wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

M4 Ruilen over de tijd - Quiz 2

Total questions: 13

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Een voorraadgrootheid is een momentopname.
Een stroomgrootheid wordt gemeten over een periode.
Het overheidssaldo van 2023 is een...

a)

stroomgrootheid

b)

voorraadgrootheid

2.

Een voorraadgrootheid is een momentopname.
Een stroomgrootheid wordt gemeten over een periode.
De staatschuld op 1/2/2024 is een..

a)

stroomgrootheid

b)

voorraadgrootheid

3.

Inkomstenbelasting is een inkomst van de overheid. Dit valt onder de categorie...

a)

Directe belastingen

b)

Indirecte belastingen

c)

Niet-belastingopbrengsten

d)

Sociale premies

4.

De opbrengsten uit de aardgasboringen in Groningen is een inkomst van de overheid. Dit valt onder de categorie...

a)

Directe belastingen

b)

Indirecte belastingen

c)

Niet-belastingopbrengsten

d)

Sociale premies

5.

De opbrengsten uit BTW is een inkomst van de overheid. Dit valt onder de categorie...

a)

Directe belastingen

b)

Indirecte belastingen

c)

Niet-belastingopbrengsten

d)

Sociale premies

6.

De inkomsten uit de premies voor de AOW is een voorbeeld van...

a)

Directe belastingen

b)

Indirecte belastingen

c)

Niet-belastingopbrengsten

d)

Sociale premies

7.

Wat is een voorbeeld van uitgestelde belastingheffing?

a)

Een begrotingstekort

b)

Een begrotingsoverschot

8.

Welke stelling is waar:
I De AOW is gebaseerd op het kapitaaldekkingsstelsel
II Bij de AOW is er sprake van ruilen tussen generaties

a)

Beide waar

b)

Beide niet waar, want:
I AOW is gabseerd op het omslagstelsel
II AOW is ruilen over de tijd i.p.v. ruilen tussen generaties

c)

I = waar

II = niet waar, want bij de AOW is er sprake van ruilen over de tijd

d)

I = niet waar, want de AOW is gebaseerd op het omslagstelsel
II = waar

9.

Zijn de volgende stellingen waar of niet waar:
I Het bedrijfspensioen is gebaseerd op het kapitaaldekkingsstelsel
II Eigen middelen is gebaseerd op het omslagstelsel

a)

Beide waar

b)

Beide niet waar
I bedrijfspensioen is gebaseerd op het omslagstelsel
II Eigen middelen is gebaseerd op het kapitaaldekkingsstelsel

c)

I = waar
II = niet waar. Eigen middelen is gebaseerd op het kapitaaldekkingsstelsel

d)

I = niet waar. Bedrijfspensioen is gebaseerd op het omslagstelsel
II = waar

10.

Als de uitkering meestijgt met de lonen noemen we dat...

a)

Waardevast

b)

Welvaartsvast

11.

Als de uitkering meestijgt met de inflatie noemen we dat...

a)

Waardevast

b)

Welvaartsvast

12.

Het dilemma bij het kapitaaldekkingsstelsel is...

a)

Dat de beleggingen minder waard kunnen worden

b)

Dat de beleggingen meer waard kunnen worden

c)

Vergroening

d)

Vergrijzing

13.

Het dilemma bij het omslagstelsel is...

a)

Dat de beleggingen minder waard kunnen worden

b)

Dat de beleggingen meer waard kunnen worden

c)

Vergroening

d)

Vergrijzing