wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

de onvoltooid verleden tijd

Total questions: 40

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

Schrijf het werkwoord in de onvoltooid verleden tijd. Kijk goed naar het onderwerp.

Hij (steken) de pen terug in zijn pennenzak.

(a)  

2.

Ik (verzinnen) het verhaal ter plekke.

(a)  

3.

Wie (bedenken) dat gekke idee?

(a)  

4.

Wij (zijn) helemaal alleen in die winkel.

(a)  

5.

Tijdens de goocheltruc (verdwijnen) 2 konijnen.

(a)  

6.

Vorige week (sterven) mijn goudvis.

(a)  

7.

Wie (regeren) vroeger in België?

(a)  

8.

De lerares (verplichten) de leerling naar voren te komen.

(a)  

9.

Mijn zussen en ik (zorgen) goed voor oma.

(a)  

10.

Ik (wonen) het liefst op het platteland.

(a)  

11.

Ik (beslissen) om meer te studeren voor Nederlands.

(a)  

12.

De politieagent (noteren) mijn klacht.

(a)  

13.

Na de grondige voorbereiding, (hoeven) wij niks meer te doen.

(a)  

14.

Hij (gebruiken) een potlood om te schrijven.

(a)  

15.

De leraar (aanduiden) de leerstof ... .

(a)  

16.

Wie (verraden) de schuldige?

(a)  

17.

Niemand (antwoorden) op de vraag.

(a)  

18.

Hij (lusten) die soep duidelijk niet.

(a)  

19.

De mensen (passeren) langs de winkels.

(a)  

20.

Wat een slechte film! Ik (vinden) er niks aan.

(a)  

21.

Die auto's (botsen) deze morgen tegen elkaar.

(a)  

22.

Jullie (besteden) veel tijd aan het groepswerk.

(a)  

23.

Milan (liegen) tegen zijn vader.

(a)  

24.

Viktor (sporten) veel tijdens de vakantie.

(a)  

25.

De leerlingen (nemen) nog een stuk fruit.

(a)  

26.

Elise (kamperen) vorige week in de tuin.

(a)  

27.

De flessen (glippen) uit mijn handen.

(a)  

28.

Mijn vader (brouwen) een lekker aperitief.

(a)  

29.

Wij (haten) vroeger spelling!

(a)  

30.

De man (antwoorden) heel onbeleefd tegen die agent!

(a)  

31.

Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.

Ik meld de diefstal bij de politie.

(a)  

32.

Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.

Een kaartje voor de dierentuin kost 12 euro.

(a)  

33.

Zet de persoonsvorm van deze zin in de onvoltooid verleden tijd.

De meester luidt de bel na de pauze.

(a)  

34.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

De twee vrouwen (organiseren) een barbecue in de tuin.

(a)  

35.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Hij (genezen) snel.

(a)  

36.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Ik (treffen) hem zo aan.

(a)  

37.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Wij (bedriegen) haar.

(a)  

38.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Mike (raden) gisteren het aantal dropjes in de pot.

(a)  

39.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Ik (vullen) gisteren de vaas met bloemen.

(a)  

40.

Zet het werkwoord tussen haakjes in de onvoltooid verleden tijd.

Jij (beloven) gisteren dat je een tekening voor opa zou maken.

(a)