wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 5 periode 2

Total questions: 203

Worksheet time: 2hrs 20mins

Name
Class
Date
1.

Uit welke 3 onderdelen bestaat hazardmanagement (rampenbestrijding)? (3 antw goed)

a)

waarschuwen

b)

stevig bouwen

c)

rampenplannen maken

d)

rampen voorkomen

2.

Als de zon loodrecht staat op de steenbokskeerkring, schuift de ITCZ met de zon mee naar het noorden, want waar de zon loodrecht op staat is de sterkste opstijging van lucht

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

In welke zone is de meeste kans op erosie door de wind?

a)

Boreale zone

b)

Subtropische zone

c)

Aride zone

d)

Gematigde zone

4.

Om zo weinig mogelijk verzilting te veroorzaken, kunnen boeren het best gebruik maken van

a)

Druppelirrigatie

b)

Beregening

5.

De achteruitgang van de kwaliteit van de bodem en het landschap

a)

Verzilting

b)

Verwoestijning

c)

Landdegradatie

d)

Ontbossing

6.

Overbeweiding is een oorzaak van

a)

Verwoestijning

b)

Verzilting

c)

Versnelde bodemerosie

7.

Verkeerd of teveel irrigeren is een oorzaak van

a)

Verwoestijning

b)

Verzilting

c)

Versnelde bodemerosie

8.

Ontbossing is een oorzaak van

a)

Verwoestijning

b)

Verzilting

c)

Versnelde bodemerosie

9.

In de zomer op het noordelijk halfrond schuift de ITCZ (lage drukgebied rond de evenaar) naar het noorden. Daardoor:

a)

Schuift Azoren hoog (hoge drukgebied) ook naar het noorden en komt het boven het Middellandse Zeegebied te liggen

b)

Schuift Azoren hoog (hoge drukgebied) naar het zuiden en komt het boven het Middellandse Zeegebied te liggen

10.

In de zomer in het Middellandse Zeegebied is er een

a)

Negatieve waterbalans

b)

Positieve waterbalans

11.

Als je van de evenaar naar de polen loopt, komt je eerst door de gematigde zone en dan pas door de boreale zone.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

In een tropische zone komen veel latosolbodems voor, die niet heel vruchtbaar zijn.

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Ontbossing op een helling veroorzaakt eerder een natuurramp dan een milieuramp.

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Verzilting wordt met name door de mens veroorzaakt.

a)

Juist

b)

Onjuist

15.
Bij een lagedrukgebied is er sprake van:
a)
een dalende luchtbeweging
b)
een stijgende luchtbeweging
16.
Een lagedrukgebied ontstaat door:
a)
opwarming
b)
afkoeling
17.
Wind waait aan het aardoppervlak van:
a)
hoge druk naar lage druk
b)
lage druk naar hoge druk
18.
De wet van Buys Ballot geeft een verklaring voor:
a)
afwijkende neerslagpatronen
b)
afwijkende windrichtingen
c)
afwijkende drukgebieden
d)
afwijkende antwoorden
19.
Wanneer je op het noordelijk halfrond met de wind in je rug staat, dan heeft de wind een afwijking naar:
a)
rechts
b)
links
20.
Waarvoor staat ITCZ?
a)
Intertropische concentratiezone
b)
Intertropische convergentiezone
c)
Intertropische conclusiezone
d)
Geen flauw idee!
21.
De ITCZ bestaat uit een zone van:
a)
lage druk
b)
hoge druk
22.
De zon staat nooit loodrecht op een keerkring
a)
Waar
b)
Niet waar
23.

Wat is de juiste volgorde van luchtdrukgebieden? H=hoog, L=laag

a)

H

L

H

L (evenaar)

H

L

H

b)

L

H

L

H (evenaar)

L

H

L

24.

Welke uitspraak is juist:

I: Passaten veranderen elk half jaar van richting door het verschuiven van de ITCZ

II: Bij het passeren van de evenaar verandert de wind van richting.

a)

Beiden uitspraken zijn juist.

b)

Beiden uitspraken zijn onjuist.

c)

Uitspraak I is juist. Uitspraak II is onjuist

d)

Uitspraak I is onjuist. Uitspraak II is juist.

25.
Dalende lucht is.......?
a)
koude lucht
b)
droge lucht
c)
warme lucht
d)
vochtige lucht
26.

de winden tussen de 30 graden noorder/zuiderbreedte en de evenaar heten de:

a)

moessons

b)

westenwinden

c)

polaire winden

d)

passaten

27.

Bekijk de zuidwesten wind bij Singapore in juli, dit is een

a)

passaat

b)

moesson

28.
Stijgingsneerslag is:
a)
Neerslag die ontstaat bij opwarming van het aardoppervlak waarbij lucht gaat stijgen en er neerslag ontstaat. 
b)
Neerslag die ontstaat als een warmte en een kou front elkaar tegenkomen. 
c)
Neerslag die ontstaat als lucht omhoog wordt geduwd aan een kant van de berg. 
29.

Wat staat hier afgebeeld?

a)

Broeikaseffect

b)

Klimaat kringloop

c)

Waterkringloop

d)

Waterwegen

30.

Welk gas zit het meeste in lucht?

a)

Zuurstof

b)

Koolstofdioxide

c)

Stikstof

31.

Tussen de 40 graden noorder- en 40 graden zuiderbreedte is er een:

a)

overschot op de stralingsbalans

b)

tekort op de stralingsbalans

32.

de evenaar ontvangt veel zonne-energie door (2 antwoorden aanvinken):

a)

de lange daglengte

b)

de loodrechte zonnestand

c)

de korte afstand van een zonnestraal door de atmosfeer

d)

de korte afstand tot de zon

e)

de grote omtrek van de aarde bij de evenaar

33.

dit oppervlak heeft het grootste albedo:

a)

zee-water

b)

asfalt

c)

ijs

d)

woestijn

34.

Bij de 'schoorstenen' of 'chimneys' bij IJsland zakt het zeewater de diepzee in doordat:

a)

het relatief zoet, warm en zwaar is

b)

het relatief zoet, warm en licht is

c)

het relatief zout, koud en licht is

d)

het relatief zout, koud en zwaar is

35.

Je ziet hier een grafiek van het ...-klimaat

a)

Cw

b)

Cs

c)

Cf

d)

BW

36.

De juiste volgorde van de atmosfeer (vanaf de grond) is:

a)

stratosfeer - mesosfeer - troposfeer

b)

mesosfeer - stratosfeer - troposfeer

c)

troposfeer - stratosfeer - mesosfeer

d)

troposfeer - mesosfeer - stratosfeer

37.

Welke twee eigenschappen van oceaanwater hebben effect op de dichtheid van het water?

a)

Locatie en neerslag

b)

Zoutgehalte en stroomsnelheid

c)

Stroomsnelheid en temperatuur

d)

Temperatuur en zoutgehalte

38.

Zoek in de atlas de Krakatau vulkaan. In welk land ligt deze?

(a)  

39.

Wat voor plaatbeweging vindt er plaats rond de Krakatau?

a)

transform

b)

convergent

c)

divergent

40.

Welke plaat duikt bij de Krakatau onder de andere plaat?

(a)  

41.

Wat voor vulkaan moet de Krakatau zijn?

a)

Schild

b)

Strato

c)

Hot Spot

42.

Zoek op dezelfde kaart de Pinatubo in de Filipijnen.

Wat voor soort platen botsen hier?

a)

oceanisch en continentale

b)

oceanisch en oceanisch

c)

continentaal en continentaal

d)

Hier is geen sprake van convergentie maar van subductie

43.

Zoek in de atlas de Eyjafjallajökull. Welke begrippen zijn van toepassing?

a)

divergentie

b)

convergentie

c)

schildvulkaan

d)

stratovulkaan

e)

rug

44.

Wat voor een vulkaan is de Aso?

(a)  

45.

Wat voor vulkaan is de El Hierro?

(a)  

46.

Zoek Hawaii op in de atlas. Wat kan je zeggen over vulkaan Jimmu?

a)

Deze ligt nu op een hot spot

b)

Dit is zeer waarschijnlijk een caldera

c)

Deze vulkaan is ouder dan de Kilauea

d)

De plaat beweegt in noordwestelijke richting

47.

Wat hebben de Popcatépetl en Socorro gemeen?

a)

Ontstaan allebei door subductie

b)

Liggen allebei op de Noord-Amerikaanse plaat

c)

Zijn in hetzelfde jaar uitgebarsten

d)

Liggen allebei in Mexico

e)

Zijn allebei schildvulkanen

48.

De Calbuco-vulkaan is er een die regelmatig uitbarst. Op welke plaat ligt deze?

(a)  

49.

Bij La Paz liggen verschillende vulkanen. Wat voor vulkanen zullen de meeste vulkanen zijn?

(a)  

50.

Bekijk op de wereldkaart de vulkaan Tristan da Cunha (234 M19)

Wat kan je zeker zeggen over deze vulkaan?

a)

Deze komt steeds dichter bij Zuid-Amerika te liggen

b)

Dit is een onderdeel van een mid-oceanische rug

c)

Deze ligt op de Indisch-Australische plaat

d)

Het vulkanisme is effusief

51.

Wat hebben Yellowstone, Galapagos, Ascension en Comoren gemeen

a)

Het zijn allemaal stratovulkanen

b)

Het zijn allemaal Hot Spots

c)

Ze kennen allemaal explosief vulkanisme

d)

Ze liggen allemaal op een mid-oceanische rug

52.

Zoek de Thira op Santorini op. Dit eiland is vulkanisch. Wat voor vulkaan?

a)

schild

b)

strato

c)

caldera

d)

hot spot

53.

Heeft China een vulkaan? Zo ja wat voor vulkaan dan?

a)

Ja, een hotspot

b)

Nee

c)

Ja een caldera

d)

Ja een stratovulkaan

54.
Wat is stijgingsregen ?
a)
regen die stijgt
b)
 regen die door opstijgende warme lucht ontstaat
c)
wolken die langs een berg komen en moeten stijgen
55.
Wat is een tropisch klimaat  ?
a)
warm maar 's nachts heel koud.
b)
koude gebieden met veel regen.
c)
warme gebieden, met heel veel zon.
d)
gebieden met warme lucht, die rond de evenaar liggen. en waar veel regen valt
56.
Wat is een zeeklimaat ?
a)
warme winter, warme zomer
b)
warme winter, koele zomer, weinig regen
c)
koude winter, warme zomer, weinig regen
d)
zachte winter, koele zomer, veel regen
57.
Meridianen lopen van pool tot pool. Deze zin is....
a)
Juist
b)
Onjuist
58.

Wat tonen de blauwe staafjes aan?

a)

Neerslag

b)

Temperatuur

c)

Groeimaanden

59.

Het klimaat wordt bekeken over een periode van ...?

a)

30 jaar

b)

1 jaar

c)

10 jaar

d)

5 Jaar

60.
De breedtecirkel van 0 graden die de aarde verdeelt in een noordelijk en een zuidelijk halfrond
a)
De middellijn
b)
De 0˚ lijn over Greenwich
c)
De 0˚ deellijn
d)
Evenaar
61.
De hoek waaronder de zonnestralen het aardoppervlak raken.
a)
A. De zomerstand van de aarde
b)
B. De winterstand van de aarde
c)
C. De zonnewende
d)
D. Invalshoek van de zon
62.
Regen die ontstaat als het heel warm is en er veel water verdampt en opstijgt.
a)
Stuwingsregen
b)
Stijgingsregen
c)
Frontale regen
d)
Warmtefront
63.
Een klimaat waarin de tempratuur altijd hoger is dan 18 graden en het hele jaar door veel regen valt.
a)
Woestijnklimaat
b)
Tropisch regenwoudklimaat
c)
Steppeklimaat
d)
Middellands zeeklimaat
64.
Welk klimaat lees je af in deze klimaatgrafiek
a)
Tropisch klimaat
b)
Savanneklimaat
c)
Gematigd zeeklimaat 
d)
Steppeklimaat 
65.
De plek waar de zon recht instraalt en een klein oppervlak verwarmt is de......
a)
Hoge breedte
b)
Lage breedte
66.
Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het weer?
a)
Neerslag en temperatuur
b)
Neerslag en wind
c)
Wind en temperatuur
d)
Neerslag en luchtdruk
67.
'In de Sahara is het droog' is een uitspraak die hoort bij het:
a)
Weer
b)
Klimaat
68.
'In de Sahara is het droog' is een uitspraak die hoort bij het:
a)
Weer
b)
Klimaat
69.

Waar liggen de tropische regenwouden?

a)

Op lage breedte

b)

Op hoge breedte

70.

Welk landschapstype zie je hieronder?

a)

Steppe

b)

Woestijn

c)

Taiga

d)

Savanne

71.

Welk klimaat zie je in de klimaatdiagram?

a)

Poolklimaat

b)

Gematigd klimaat

c)

Taiga klimaat

d)

Tropisch klimaat

72.

Je ziet hier een ... (§2)

a)

tropisch regenwoud

b)

steppe

c)

woestijn

73.

Welke kenmerken horen bij tropische regenwouden? (§1)

a)

Het is er warm. Altijd warmer dan 18 graden Celsius.

b)

Bomen zijn het hele jaar groen.

c)

Het heeft een heterogeen bos.

d)

Er groeien alleen struiken.

e)

Het hele jaar door valt er veel neerslag.

74.

Welke twee verschillen zijn juist als we kijken naar steppe en de woestijn? (§2)

a)

Steppe valt minder neerslag dan in de woestijn

b)

Steppe valt meer neerslag dan in de woestijn

c)

Steppe kent geen begroeiing (planten en bomen)

d)

Steppe kent wel begroeiing, namelijk doornige struiken en grassen.

75.
Bij een lagedrukgebied is er sprake van:
a)
een dalende luchtbeweging
b)
een stijgende luchtbeweging
76.
Bij een hogedrukgebied is er sprake van:
a)
een dalende luchtbeweging
b)
een stijgende luchtbeweging
77.
Op 30 graden NB en ZB bevindt zich een:
a)
lagedrukgebied
b)
hogedrukgebied
78.
Een lagedrukgebied ontstaat door:
a)
opwarming
b)
afkoeling
79.
Wind waait aan het aardoppervlak van:
a)
hoge druk naar lage druk
b)
lage druk naar hoge druk
80.

Wat zijn de kenmerken van het tropisch regenwoud?

a)

Warm en vochtig gebied, veel soorten planten en bomen, etages, het hele jaar groen.

b)

Warm en droog gebied, veel soorten planten en bomen, etages, het hele jaar groen.

c)

Warm en vochtig gebied, weinig soorten planten en bomen, etages, er zijn seizoenen.

81.

Als de zon loodrecht staat op de steenbokskeerkring, is het zomer op het zuidelijk halfrond en winter op het noordelijk halfrond

a)

Juist

b)

Onjuist

82.

De breedteligging van een plaats op aarde heeft gevolgen voor

a)

De stand van de zon

b)

De temperatuur

83.

Een plaats op hoge breedte

a)

is koud (lage temperatuur) en ligt in de poolstreken

b)

is warm (hoge temperatuur) en ligt in de tropen

84.

Waarom is het droog in woestijnen?

a)

De lucht stijgt daar. Stijgende lucht koelt af en daarom is het droog

b)

De lucht daalt daar. Dalende lucht wordt warmer en wolken lossen op.

85.

Een ander woord voor oorspronkelijke plantengroei is

a)

cultuurgrond

b)

grond

c)

natuurlijke zone

d)

vegetatie

86.

Welke woorden horen bij het landbouwtype 'intensieve veeteelt'?

a)

rondtrekken

b)

stallen

c)

serre

d)

volle grond

e)

dieren op weilanden

87.

Welke woorden horen bij het landbouwtype 'extensieve veeteelt'?

a)

groenten

b)

herder

c)

akkers

d)

rondtrekken

e)

hokdieren

88.

Welke foto hoort bij het landbouwtype 'akkerbouw'?

a)
b)
c)
d)
e)
89.

Welke foto hoort bij het landbouwtype 'intensieve veeteelt'?

a)
b)
c)
d)
e)
90.

Welke foto hoort bij het landbouwtype 'extensieve veeteelt'?

a)
b)
c)
d)
e)
91.

Bepaal het vegetatietype: Bijna geen begroeiing door droogte

a)

toendra

b)

woestijn

c)

taiga

d)

steppe

92.

Bepaal het vegetatietype: Te droog om bomen te laten groeien

a)

toendra

b)

hardbladige vegetatie

c)

taiga

d)

steppe

93.

Bepaal het vegetatietype: Te koud om bomen te laten groeien

a)

toendra

b)

hardbladige vegetatie

c)

taiga

d)

steppe

94.
Wanneer is iets hooggebergte?
a)
Als de meeste toppen boven de 500meter zijn
b)
Als de meeste toppen boven de 1000 meter zijn
c)
Als de meeste toppen boven de 1500 meter zijn
d)
Als de meeste toppen boven de 2500 meter zijn
95.

Een ander woord voor reliëf is

a)

Hoogte in het landschap

b)

Hoogvlakte in het landschap

c)

Hoogteligging in het landschap

d)

Hoogteverschil in het landschap

96.

een hoogtegordel is....

a)

de hoogte van je gordel in de auto

b)

de hoogte van een berg

c)

een gebied waar verschillende soorten bomen groeien

d)

een gebied waar dezelfde soort begroeiing te vinden is

97.

Bij welk antwoord staan de hoogtegordels van een berg in de goede volgorde? (van laag naar hoog)

a)

loofboom-naaldboom-rotsgordel-bergweige-eeuwige sneeuw

b)

eeuwige sneeuw-rotsgordel-bergweide-naaldboom-loofboom

c)

loofboom-naaldboom-bergweide-rotsgordel-eeuwige sneeuw

d)

loofboom-naaldboom-bergweide-eeuwige sneeuw-rotsgordel

98.

De Alpen zijn een voorbeeld van een?

a)

Een land

b)

Heuvellandschap

c)

Hooggebergte

d)

Een gelede kust

99.

In welk klimaat komen gletsjers voor?

a)

Hooggebergteklimaat

b)

Toendraklimaat

c)

Sneeuwklimaat

100.

Wat is de goede volgorde?

a)

Loofboomgrens, rotsgrens, alpenweide, naaldboomgrens

b)

Loofboomgrens, naaldboomgrens, alpenweide, rotsgrens

c)

Naaldboomgren, rotsgrens, loofboomgrens, alpenweide

d)

Rotsgrens, alpenweide, naaldboomgrens, loofboomgrens

101.

Wat verstaan we onder NAP?

a)

Nieuw Amsterdams Peil

b)

Normaal Amsterdams Peil

c)

Noord Atlantisch Peil

102.

Een winterdijk is

a)

Gelegen vlak naast de rivier

b)

Een soort verhoogde uiterwaard

c)

Gelegen op de oude komgronden

d)

Een dijk die het water bij de hoogste waterstand keert

103.

Wat zijn de taken van waterschappen?

a)

Zij zorgen voor de kwantiteit

b)

Zij zorgen voor de waterkwaliteit, kwantiteit en de waterkeringen

c)

Zij zorgen voor de waterkwaliteit

104.

Nederland ligt in de .............. van alle rivieren

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

105.

Het neerleggen van slib en zand is

a)

Erosie

b)

Delta

c)

Sedimentatie

d)

Kunstmatige afwatering

106.

Sinds de winterdijken er zijn komen uiterwaarden steeds hoger/lager te liggen

a)

Hoger

b)

Lager

107.

In west Nederland wordt vooral de maatregel dijkverhoging en verbreding toegepast binnen het project Ruimte voor de rivier. Waarom specifiek deze maatregel?

a)

Deze is het goedkoopst

b)

Er is weinig ruimte in west Nederland want er liggen veel grote steden

c)

Er zijn daar veel rivieren

d)

Dit is het makkelijkst

108.

Wat is kwel?

a)

Zoet water in grondwater

b)

Een plasje water omdat water niet door klei heen zakt

c)

Brak water dat opborrelt in grondwater

109.

Wat is géén voorbeeld van een manier om Ruimte voor de Rivier te maken?

a)

Dijkverlegging

b)

Nevengeul

c)

Kribverlaging

d)

Zeewering

110.

Waarom zorgt uiterwaardafgraving voor meer ruimte voor de rivier?

a)

Het opgestapelde sediment/slib op de uiterwaarden wordt afgegraven waardoor de uiterwaarden weer lager komen te liggen en er meer ruimte is voor het water

b)

Het opgestapelde sediment/slib op de uiterwaarden wordt in de rivier gegooid waardoor die ondieper wordt en meer ruimte heeft voor water

c)

Het opgestapelde sediment/slib wordt opgebracht op de uiterwaarden zodat ze steviger worden en betere bescherming bieden tegen water

111.

In welke loop van de rivier is de stroomsnelheid het hoogst?

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

112.

''Het zouter worden van grond- of oppervlaktewater''

a)

Verzouting

b)

Verzilting

c)

Aquifer

d)

Kwel

113.

''Extreem hoge waterafvoer in een rivier''

a)

Regiem

b)

Debiet

c)

Piekafvoer

d)

Erosie

114.

''Rivier die naast regenwater ook smeltwater van gletsjers afvoert''

a)

Gemengde rivier

b)

Regenrivier

c)

Gletsjerrivier

115.

Als er meer zijtakken zijn in rivieren, is het stroomgebied van een rivier groter

a)

Juist

b)

Onjuist

116.

''De hoeveelheid water die op een bepaald punt passeert in de rivier''

a)

Debiet

b)

Regiem

117.

''Schommelingen in de waterafvoer van een rivier in de loop van een jaar''

a)

Regiem

b)

Debiet

118.

In de benedenloop is meer sedimentatie in de rivier dan in de bovenloop

a)

Juist

b)

Onjuist

119.

Welk stuk van de rivier ligt in de delta?

a)

Bovenloop

b)

Middenloop

c)

Benedenloop

120.

''Rivier met alle zijrivieren en vertakkingen die in hetzelfde stroomgebied liggen''

a)

Stroomgebied

b)

Stroomstelsel

c)

Waterscheiding

121.

''De grens tussen twee stroomgebieden''

a)

Stroomgebied

b)

Stroomstelsel

c)

Waterscheiding

122.

Door meer ontbossing zal de hoeveelheid sediment die door de rivier wordt meegenomen

a)

Afnemen

b)

Toenemen

123.

China heeft een droge winter, daarom is het regiem van een rivier daar onregelmatiger

a)

Juist

b)

Onjuist

124.

In de bovenloop van de rivier is veel erosie, terwijl in de benedenloop veel sedimentatie is

a)

Juist

b)

Onjuist

125.

Welke twee zinnen gaan over waterbeleid en steden?

a)

Het ontkoppelen van het riool voorkomt wateroverlast.

b)

De infiltratiecapaciteit is in verhouding hier vele malen groter.

c)

Naast zoet water kom je hier ook zout en brak water tegen.

d)

Door verhoging van de grondwaterstand wordt de biodiversiteit groter.

e)

Wadi’s en regenwatervijvers vergroten de vertragingstijd.

126.

Welk begrip hoort niet in dit rijtje thuis?

a)

De Maas

b)

Regenrivier

c)

Gemengde rivier

d)

Laag verhang

127.

Welke begrippencombinatie met bovenloop is juist?

a)

Bovenloop = verticale erosie – kleine keien en rotsen – klein verval – hoge stroomsnelheid – groot verhang

b)

Bovenloop = verticale erosie – grote keien en rotsen – groot verval – grote stroomsnelheid – groot verhang

c)

Bovenloop = horizontale erosie – grote keien en rotsen – groot verval – grote stroomsnelheid – sedimentatie

d)

Bovenloop = horizontale erosie – zand en klei – klein verval – lage stroomsnelheid – sedimentatie

128.

Welk begrip past bij deze zin? Het hoogteverschil langs de Rijn tussen Lobith en Hoek van Holland is 14 meter.

a)

Debiet

b)

Verhang

c)

Verval

d)

Regiem

e)

Kanalisatie

129.

Welk onderdeel van de rivier wordt met nummer 5 weergegeven?

a)

Uiterwaard

b)

Winterdijk

c)

Zomerdijk

d)

Kribben

130.

Welke onderdeel van het project 'Ruimte voor de Rivier' geeft C aan?

a)

Aanleggen nevengeul

b)

Verplaatsen winterdijk

c)

Verlagen kribben

d)

Verlagen uiterwaarden

131.

Infiltratie betekent

a)

Het afvoeren van water uit een gebied

b)

Het intrekken van water in de bodem

c)

Het afsmelten van een gletsjer

d)

Het stijgen van de zeespiegel

132.
a)

Dit is een U-dal gevormd door een rivier

b)

Dit is een U-dal gevormd door een gletsjer

c)

Dit is een V-dal gevormd door een rivier

d)

Dit is een V-dal gevormd door een gletsjer

133.
Wat betekent de gestegen temperatuur voor het neerslagregiem?
a)
Een gelijkmatigere verdeling van de neerslag
b)
Heftige buien vooral in de zomer
c)
Meer neerslag in de zomer
d)
Minder neerslag in de winter
134.
Wat is het neerslagregiem?
a)
De gemiddelde neerslag over een langere periode gemeten
b)
De gemiddelde neerslag over een jaar
c)
Schommelingen in de neerslag over het jaar heen
d)
Schommelingen in de afvoer van een rivier
135.
Welk begrip hoort niet in het rijtje thuis?
a)
Groot verhang
b)
Sedimentatie
c)
Erosie
d)
Bovenloop
136.

Regiem=

a)

De hoeveelheid water die door een rivier stroomt

b)

Hoeveel neerslag er in de rivier komt

c)

Schommelingen in de waterafvoer van een rivier

137.

Door verstening

a)

verlengt de vertragingstijd

b)

versnelt de vertragingstijd

138.

Uiterwaarden:

a)

Liggen tussen zomerdijk en winterdijk

b)

Liggen tussen de rivier en de zomerdijk

c)

Liggen binnendijks

139.

Wat is de juiste volgorde van rivier tot binnendijks gebied?

a)

Rivier, zomerdijk, winterdijk, uiterwaard, binnendijks gebied

b)

Rivier, winterdijk, uiterwaard zomerdijk, binnendijks gebied

c)

Rivier, zomerdijk, uiterwaard, winterdijk, binnendijks gebied

d)

Rivier, winterdijk, zomerdijk, uiterwaard, binnendijks gebied

140.

Welke stelling is waar?

a)

Een winterdijk is groter dan een zomerdijk

b)

Als je tussen de winterdijk en zomerdijk woont, dan woon je in binnendijks gebied

c)

Een zomerdijk hoort niet te overstromen

141.

Wat is de drietrapsstrategie?

a)

Vasthouden, bergen, afvoeren

b)

Afvoeren, bergen, vasthouden

c)

Bergen, afvoeren, vasthouden

d)

Vasthouden, afvoeren, bergen

142.

Wat is een retentiegebied?

a)

Een gebied waar neerslag valt en gelijk vastgehouden kan worden

b)

Een gebied waar water via rivieren naar een ander gebied wordt gebracht

c)

Een gebied waar water geborgen wordt (zoals een plas of meer) als het niet vastgehouden kan worden op de plek waar de neerslag valt

d)

Een gebied waar koeien kunnen grazen

143.
Door verstedelijking neemt de vertragingstijd af, het water doet er langer over om de rivier te bereiken.
a)
Juist
b)
Onjuist
144.

Het aanleggen van wadi's in nieuwe woonwijken is een voorbeeld van

a)

vasthouden (retentie)

b)

bergen

c)

afvoeren

145.

Binnen de drietrapsstrategie is retentie een ander woord voor

a)

vasthouden

b)

bergen

c)

afvoeren

146.

De combinatie van de absolute zeespiegelstijging en het effect van de bodemdaling

a)

Relatieve zeespiegelstijging

b)

Zeespiegelstijging

c)

Ontwikkelingspeil

d)

Grondwater

147.

Ontbossing op een helling bij de rivier

a)

verlengt de vertragingstijd

b)

versnelt de vertragingstijd

148.

In het westen van Nederland is er vooral bodemdaling door (2 antwoorden goed)

a)

Gaswinning

b)

Inklinking van klei en veen door wegpompen water

c)

Veenoxidatie

d)

Geen sedimentatie vanuit rivier door dijken

149.

Een stormvloedkering wordt gesloten op het moment dat er

a)

Storm is

b)

Hoog water (vloed) is

c)

Een combinatie van beiden

150.

Als er een hevige storm gaande is, worden vaak de stormvloedkeringen gesloten. Tegelijk is er vaak hoog water in rivieren. Wat is het verband?

a)

Door de storm regent het erg veel in het stroomgebied van de rivieren

b)

Door de storm wordt het water opgestuwd en is de kans groter de rivieren overstromen

c)

Door het hoogwater wordt er meer water afgevoerd naar de zee

d)

Door het hoogwater wordt er minder water afgevoerd naar de zee, want de keringen zitten dicht

151.

Bij een storm waait er meestal een westenwind. Uit welke richting komt deze wind?

a)

Westen

b)

Oosten

c)

Noorden

d)

Zuiden

152.

Het hoogteverschil langs de Rijn tussen Lobith en Hoek van Holland is 14 meter. Tussen de 2 plaatsen zit 175 km. Wat is het verhang?

a)

14 / 175 = 0,08 m/km

b)

175 / 14 = 12,5 m/km

c)

14 / 175000 = 0,00008 m/m

d)

175 / 0,014 = 12500 km/km

153.

De klei in uiterwaarden werd vroeger vaak uitgegraven ten behoeve van

a)

Ruimte voor de Rivier

b)

Biodiversiteit

c)

Steenfabrieken

d)

Boten

154.

Welke twee stellingen zijn juist?

a)

Door klimaatverandering krijgt de Waal te maken met een regelmatiger regiem

b)

Door infiltratie wordt het regiem van een rivier regelmatig

c)

Verstening zorgt voor een grotere afvoer van water in rivieren

d)

Verstening en ontbossing zorgen voor een langere vertragingstijd

155.

Welke rivier heeft een onregelmatiger regiem?

a)

Maas

b)

Rijn

156.

In welke grafiek zie je het regiem en debiet van de Rijn?

a)
b)
157.

Wat is een binnenstad?

a)

Het centrum van een stad

b)

Het oudste deel van de stad

c)

Allebei de bovenstaande opties

d)

Geen van de opties

158.

Wat is een central business district (cbd)

a)

een zakenwijk

b)

een plek met kantoren

c)

een plek met winkels

d)

een plek met uitgaansgebied

159.

Wat is cityvorming?

(a)  

160.

Re-urbanisatie is als het aantal inwoners.....

4 lines
161.

Wat is suburbanisatie?

(a)  

162.

Wat is een agglomoratie?

a)

steden en stadsgewesten die dicht bij elkaar liggen

b)

Een stad met voorsteden eromheen die onderling veel contact hebben.

c)

Een stad met dorpen en voorsteden eraan vast

163.

Wat is stedelijke vernieuwing?

a)

Het vernieuwen van dorpen

b)

Het vernieuwen van woonwijken in een dorp

c)

Het vernieuwen van steden

d)

Het vernieuwen van woonwijken in een stad

164.

Wat is een voorziening?

(a)  

165.

Voor bakkerij Hartog in Amsterdam Oost stappen mensen uit allerlei buurten op de fiets. Wat weet je over deze voorziening?

a)

Hartog heeft een grotere reikwijdte dan een gewone bakker

b)

Hartog heeft een groter draagvlak dan een gewone bakker

c)

Hartog heeft een lagere drempelwaarde dan andere bakkers

d)

Hartog heeft 'n kleiner verzorgingsgebied dan andere bakkers

166.

Liverpool in Engeland is van oudsher een handelsstad. 40% van de wereldhandel passeerde deze stad in de 18e eeuw. In de 19e eeuw raakte de stad goed verbonden met Manchester door een intercity-lijn. Bij deze tekst past het begrip:

a)

Stedelijk netwerk

b)

Primate city

c)

Site

d)

Situation

167.

In dit land is de urbanisatiegraad laag, maar het urbanisatietempo hoog. Dit is een..

a)

Arm land

b)

Rijk land

168.

De Randstad is een voorbeeld van..

a)

een agglomeratie

b)

een stedelijk netwerk

c)

een stadsgewest

d)

een megastad

169.

De oude Nieuwmarktbuurt moet opgeknapt! Veel panden worden gesloopt en vervangen door flats..

a)

dit is gentrificatie

b)

dit is sanering

c)

dit is renovatie

d)

dit is Vinex

170.

Wat is de juiste volgorde?

a)

Stadsgewest - Agglomeratie - Stedelijk gebied

b)

Stedelijke gebied - Agglomeratie - Stadsgewest

c)

Agglomeratie - Stadsgewest - Stedelijk gebied

d)

Agglomeratie - Stedlijk gebied - Stadsgewest

171.

Ziekenhuizen heb je meestal niet op het platteland. De oorzaak hiervoor is vooral:

a)

Drempelwaarde

b)

Verzorgingsgebied

c)

Reikwijdte

d)

Cornelis Prul

172.

Wat gebeurt er met de relatieve afstand tussen twee plaatsen als er wegwerkzaamheden zijn?

a)

Neemt toe

b)

Neemt af

c)

Blijft gelijk

173.

Welk begrip past het beste bij deze foto?

a)

Chinex-wijk

b)

Segregatie

c)

Gentrificatie

d)

Compacte stad

174.

Wat is een gletsjer?

a)

IJsmassa in het hooggebergte die langzaam naar beneden schuift

b)

IJsmassa in het laagland die langzaam verder schuift.

c)

IJsmassa in het hooggebergte die snel naar beneden schuift.

175.

Zet in goede volgorde van de stroming

a)

Delta, middenloop, benedenloop, bovenloop

b)

Bovenloop, middenloop, benedenloop, delta

c)

Bovenloop, benedenloop, middenloop, delta

d)

Delta, benedenloop, middenloop, bovenloop

176.
Wat wordt er voornamelijk als sediment (gesteente) afgezet in de benedenloop?
a)
Grind
b)
Rotsblokken
c)
Schelpen
d)
Klei
177.

Wat is erosie?

a)

Het afschuren van stenen door water, ijs of wind

b)

Het afbrokkelen van gesteente

c)

Gletsjers die puin mee nemen

d)

De grens tussen twee stroomgebieden

178.

Wat voor soort dal zie je op deze foto?

a)

Een V dal, ontstaan door een rivier

b)

Een U dal, ontstaan door een rivier

c)

Een V dal, ontstaan door een gletsjer

d)

Een U dal, ontstaan door een gletsjer

179.

Bij welke vervoerder kan er na transport sedimentatie plaatsvinden?

a)

Water van een rivier

b)

Water van de zee

c)

Wind

d)

IJs

180.

Wat voor soort dal zie je op de foto?

a)

Een U dal, ontstaan door een rivier

b)

Een U dal, ontstaan door een gletsjer

c)

Een V dal, ontstaan door een rivier

d)

Een V dal, ontstaan door een gletsjer

181.

Op de afbeelding is een firnbekken te zien

a)

Juist

b)

Onjuist

182.

Neerleggen van verweringsmateriaal als de transportsnelheid van water, wind of ijs afneemt.

a)

Erosie

b)

Verwering

c)

Sedimentatie

d)

Gletsjer

183.

Afbraak van gesteente onder invloed van het weer en plantengroei

a)

Erosie

b)

Verwering

c)

Sedimentatie

d)

Gletsjer

184.

Uitschurende werking van water, ijs en wind

a)

Erosie

b)

Verwering

c)

Sedimentatie

d)

Gletsjer

185.

Welk begrip hoort bij deze foto?

a)

V dal

b)

U dal

c)

Fjord

d)

firnbekken

186.

Zet in goede volgorde van klein naar groot:

a)

grind, rotsen, zand, klei

b)

rotsen, grind, zand, klei

c)

klei, zand, rotsen, grind

d)

klei, zand, grind, rotsen

187.

Welke vorm van erosie zie je op de afbeelding?

a)

Winderosie

b)

IJserosie

c)

Watererosie

d)

Erosie door zwaartekracht

188.

Welk begrippen horen bij deze afbeelding?

a)

Stollingsgesteente

b)

Metamorf gesteente

c)

Sedimentatie

d)

Erosie en verwering

189.

Wat is geen geofactor?

a)

Reliëf

b)

Bodem

c)

Klimaat

d)

Vulkanisme

190.

Welke rijtje staat in de juiste chronologische volgorde?

a)

Fotosynthese, vorming organisch afval, mineralisatie, humusvorming

b)

Fotosynthese, mineralisatie, humusvorming, vorming organisch afval

c)

Mineralisatie, humusvorming, fotosynthese, vorming organisch afval

d)

Humusvorming, mineralisatie, fotosynthese, vorming organisch afval

191.

Wat is of zijn de oorzaken van de rode kleur van een tropische bodem?

a)

Weinig humusvorming

b)

Aanwezigheid ijzer- en aluminiumhoudende verbindingen

c)

Korte groeiseizoen

d)

Hoogteligging

192.

Welke stellingen zijn juist?

a)

Woestijnbodems zijn vaak wit of grijs door hoge concentraties van zout

b)

In de polaire zone vormt er veel veen in de bodem

c)

Wanneer er veel uitspoeling is kan humus zich ophopen

d)

Nuttige neerslag is de hoeveelheid neerslag die overblijft na verdamping

193.

Welke twee geofactoren bepalen in hoge mate het type landschapszone?

a)

Klimaat en ondergrond

b)

Mens en bodem

c)

Water en flora

d)

Klimaat en bodem

194.

Wat is de belangrijkste oorzaak van landdegradatie?

a)

Landbouwkundige ingrepen

b)

Veel neerslag

c)

Veel reliëf

d)

Weinig neerslag

195.

Welke vorm van irrigatie is het meest duurzaam?

a)

Geulirrigatie

b)

Beregenen

c)

Druppelirigatie

d)

Strip cropping

196.

Op de foto zie je een voorbeeld van .....

a)

strip cropping

b)

capillaire werking

c)

uitputting

d)

monocultuur

197.

Door geulirrigatie ..... de grondwaterspiegel

a)

stijgt

b)

daalt

c)

blijft gelijk

198.

Bodemerosie onstaat door:

a)

ontbossing

b)

overbeweiding

c)

capillaire werking

d)

strip cropping

199.

Zet in de juiste volgorde op basis van breedteligging

a)

tropische zone, aride zone, subtropische zone, gematigde zone

b)

aride zone, tropische zone, gematigde zone, polaire zone

c)

tropische zone, subtropische zone, aride zone, polaire zone

d)

subtropische zone, gematigde zone, boreale zone, aride zone

200.

Bekijk GB 184. Welke plaats is op basis van deze kaart en met een vergelijkbare vorm van landbouw het meest kwetsbaar voor landdegradatie?

a)

Abuja

b)

Harar

c)

Mbandaka

d)

Bechar

201.

Welke vorm van vegetatie is er in Harare?

a)

Toendra

b)

Savanne

c)

Grassteppe

d)

Licht tropisch woud

202.

Welke bodem zien je in de afbeelding?

a)

Latosol

b)

Tropische bodem

c)

Podzolbodem

d)

Veenbodem

203.

Wat hoort niet bij de bodem in de afbeelding?

a)

Tropische zone

b)

Dikke humuslaag

c)

Veel uitspoeling

d)

Opeenhoping van ijzer

Similar Resources on Wayground