wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3.3 lezen

Total questions: 10

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Omdat, want en daarom geven de volgende opsomming aan:

a)

opsomming

b)

tegenstelling

c)

voorbeeld

d)

reden

2.

Bij het tekstdoel overtuigen wil de schrijver

a)

De lezer informatie geven over een bepaald onderwerp

b)

Dat de lezer iets gaat doen; dat de lezer in actie komt

c)

Dat de lezer het eens wordt met zijn mening

d)

Dat de lezer plezier heeft in het lezen van de tekst

3.

Een voorbeeld van een tekst met als tekstdoel overtuigen is een

a)

uitnodiging voor een feest

b)

betoog

c)

nieuwsbericht

d)

leesboek

4.

Welke twee signaalwoorden geven een conclusie aan?

a)

bovendien & tot slot

b)

vanwege & want

c)

bijvoorbeeld & zoals

d)

dus & kortom

5.

In welk deel van de tekst staat de conclusie?

a)

in de inleiding

b)

in de kern

c)

in het slot

d)

zou in alle drie kunnen staan

6.

Wat is de mening in de volgende zin?

Ik wil een huiswerkvrije school, want dan hoef je thuis niet meer voor school te leren.

a)

Ik wil een huiswerkvrije school

b)

want dan hoef je thuis niet meer voor school te leren

7.

Wat is het argument in de volgende zin?

De pauzes op school moeten langer worden, omdat je dan meer tijd hebt om rustig te eten.

a)

De pauzes op school moeten langer worden

b)

omdat je dan meer tijd hebt om rustig te eten.

8.

Argument of mening?

Leraren moeten niet zoveel praten in de les.

a)

argument

b)

mening

9.

Argument of mening?

Want leerlingen gaan liever meteen aan het werk.

a)

argument

b)

mening

10.

Als ik het onderwerp van een tekst wil weten, dan ...

a)

ga ik de hele tekst lezen

b)

lees ik de titel, afbeelding en de inleiding

c)

ga ik kijken naar de titel en ik lees het slot

d)

lees ik alleen de titel