wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica hele boekje brugklas

Total questions: 35

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.
 Wat is het gekleurde woordsoort? In de metro kwam ik een oude vriend tegen.
a)
znw
b)
bijv.nw
c)
lw
d)
aanw.vnw
2.
Wat is het gekleurde woordsoort? Uit het huis sloegen de vlammen omhoog.
a)
znw
b)
lw
c)
bnw
d)
aanw.vnw
3.

Onze leraar verbetert ons werk altijd met een groene pen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)
pers.vnw
b)
znw
c)
bez.vnw
d)
voorzetsel
4.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'gooide'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

5.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'lege'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

6.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'blikje'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

7.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'blauwe'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

8.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'scooter'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

9.

Werkwoorden?

Leerlingen van de middelbare school gaan vandaag voor het eerst weer naar school.

a)

naar

b)

voor

c)

gaan

d)

school

10.

Zelfstandige naamwoorden?

Op de pont moesten leerlingen een mondkapje dragen.

a)

pont, leerlingen

b)

leerlingen, mondkapje

c)

pont, leerlingen, dragen

d)

pont, leerlingen, mondkapje

11.

Wat is het werkwoord?

Mijn vader schildert de kozijnen van ons huis.

(a)  

12.

Bijvoeglijke naamwoorden?

Die lieve leerlingen kunnen helaas geen heerlijke panini kopen in de aula.

a)

lieve, leerlingen

b)

lieve, heerlijke, panini

c)

lieve, helaas, heerlijke

d)

lieve, heerlijke

13.

Lidwoorden?

Die lieve leerlingen kunnen helaas geen heerlijke panini kopen in de aula.

(a)  

14.

De persoonsvorm is altijd ...

a)

Een werkwoord

b)

Een persoon

15.

Afstanden, gewicht en maten kunnen nooit lijdend voorwerp zijn.

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

a)

De persoonsvorm van een zin

b)

Alle werkwoorden in een zin

c)

De persoonsvorm en onderwerp van een zin

17.

Het onderwerp en de persoonsvorm horen bij elkaar. Als de een in meervoud is, is de ander dat ook.

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Wat is de persoonsvorm van de volgende zin:

De stichting verhoogde de huur met vier procent.

a)

De stichting

b)

verhoogde

c)

de huur

d)

vier procent

19.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van de volgende zin:

Dat kind zit steeds te giechelen.

a)

Dat kind

b)

zit

c)

zit te giechelen

d)

giechelen

20.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van de volgende zin:

De zeeverkenners hebben dit jaar weer meegedaan aan de zeilwedstrijd.

a)

De zeeverkenners

b)

hebben

c)

hebben meegedaan

d)

meegedaan

21.
In de zin; Hij blijkt een geheimzinnige man te zijn, zit een naamwoordelijk gezegde
a)
Waar
b)
Niet waar
22.
Benoem wg of ng bij de volgende zin:hij blijkt een geheimzinnige man te zijn
a)
wg: blijkt een geheimzinnige man te zijn
b)
wg: blijkt te zijn
c)
ng: blijkt een geheimzinnige man te zijn
d)
ng: blijkt te zijn
23.

Naamwoordelijk deel van de volgende zin:

melk drinken is altijd gezond

a)
is gezond
b)
gezond
c)
altijd
d)
is altijd gezond
24.
Bij een ng heb je altijd een lv
a)
waar
b)
niet waar
25.
in een zin kan een ng en een wg zitten
a)
waar
b)
niet waar
26.
wat staat er in de volgende zin voor gezegde?We zijn gisteren vroeg opgestaan
a)
ng: zijn vroeg opgestaan
b)
ng: zijn opgestaan
c)
wg; zijn opgestaan
d)
wg: zijn vroeg opgestaan
27.

wat is het naamwoordelijk deel in de volgende zin:
Hij is gisteren van zijn fiets gevallen
a)
gevallen
b)
van zijn fiets
c)
is gevallen
d)
het is geen naamwoordelijk gezegde, dus geen naamwoordelijk deel
28.
wat is het naamwoordelijk gezegde van de volgende zin:Zijn de pennen nu gevallen?
a)
zijn nu gevallen
b)
zijn de pennen gevallen
c)
zijn gevallen
d)
er is geen ng
29.
Wat is het gezegde?Hij is de beste leerling van de klas.
a)
hij is de beste leerling van de klas
b)
wg: is de beste
c)
ng:is de beste leerling
d)
ng: is de beste leerling van de klas
30.
wat is het gezegde?Mijn buurjongen wilde altijd al een professionele voetballer worden
a)
wg: wilde altijd worden
b)
ng:hij wilde altijd worden
c)
ng:wilde een professionele voetballer worden
d)
wilde voetballer worden
31.

Deze oplossing lijkt mij erg goed.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

32.

Zij is vroeger een uitstekende schaatsster geweest.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

33.

Waarom hebben jullie hem dat niet verteld?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

34.

Volgens de minister blijft de hulp noodzakelijk.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordeliik gezegde

35.

Wat is het naamwoordelijk gezegde?

Bij hem thuis schijnt het een vreselijke bende te zijn.

a)

schijnt te zijn

b)

schijnt [een vreselijke bende] te zijn

c)

[een vreselijke bende] te zijn

d)

schijnt [een vreselijke bende]