Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Welvaart LWEO V5

Total questions: 14

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

We spreken van een volumeverandering van het bruto binnenlands product als …

(meerdere antwoorden mogelijk).

 

a)

De geproduceerde hoeveelheid goederen en diensten verandert.

b)

  de prijzen van goederen en diensten veranderen.

c)

de nominale waarde van het bruto binnenlands product verandert.

d)

de reële waarde van het bruto binnenlands product verandert.

2.

In 2020 was het nominale inkomen van een land 500 miljard euro. In 2021 was dat 510 miljard euro. De bevolking nam in 2021 met 0,8% toe; de inflatie bedroeg 2,5%.

Wat is er met het nominale inkomen per hoofd van de bevolking gebeurd?

Wat is er met het reële inkomen per hoofd van de bevolking gebeurd?

a)

Het nominale inkomen per hoofd is gedaald en het reële inkomen per hoofd is gedaald.

b)

Het nominale inkomen per hoofd is gestegen en het reële inkomen per hoofd is gedaald.

c)

Het nominale inkomen per hoofd is gedaald en het reële inkomen per hoofd is gestegen.

d)

Het nominale inkomen per hoofd is gestegen en het reële inkomen per hoofd is gestegen.

3.

Ook de overheid draagt bij aan de totstandkoming van het binnenlands product. De toegevoegde waarde van de overheid wordt gelijkgesteld aan ...

a)

de som van de belastinginkomsten.

b)

het totaal van de btw-ontvangsten.

c)

de totale overheidsuitgaven.

d)

de uitbetaalde ambtenarensalarissen

4.

Van een land zijn de volgende gegevens bekend:

Afschrijvingen = € 40 miljard

Omzet bedrijven = € 700 miljard

Productiewaarde overheid en niet-commerciële instellingen = € 180 miljard

Onderlinge leveringen bedrijven = € 225 miljard

 

Het netto binnenlands product van dit land bedraagt …

a)

€ 655 miljard.

b)

€ 615 miljard.

c)

€ 695 miljard.

d)

€ 515 miljard.

5.

Volgens de klassieken herstelt het marktmechanisme het evenwicht op de vermogensmarkt op de volgende manier:

Als er meer wordt geleend dan gespaard, stijgt op de vermogensmarkt het aanbod …(I)… dan de vraag. Hierdoor zal de prijs op de vermogensmarkt, de rente,… (II) … Daardoor zullen de besparingen …(III) en de leningen …(IV)…, waardoor er automatisch weer evenwicht op de vermogensmarkt ontstaat

a)

 (I) = sterker;  

(II) = stijgen;  

(III) = toenemen;   (IV) = afnemen.

b)

(I) = minder sterk;   (II) = stijgen;  

(III) = toenemen;   (IV) = afnemen.

c)

(I) = minder sterk;   (II) = dalen;  

(III) = afnemen;   (IV) = toenemen.

d)

         (I) = sterker;   (II) = dalen;  

(III) = afnemen;   (IV) = toenemen.

6.

Er is sprake van constante schaalopbrengsten als de som van de hoeveelheid arbeid en de hoeveelheid kapitaal (K + L) relatief evenveel groeit als het potentiële bbp.

a)

Juist.

b)

Onjuist

7.

Pijl (1) loopt van overheid naar financiële instellingen als er sprake is van …

a)

een tekort op de lopende rekening.

b)

een overschot op de lopende rekening.

c)

een negatief overheidssaldo.

d)

een positief overheidssaldo.

8.

De vergelijking die de inkomensidentiteit weergeeft luidt …

a)

Y = C + B + S

b)

Y = C + I + O + E – M

c)

S = I + (O – B) + (E – M)

d)

(S – I) + (B – O) = (E – M)

9.

Bereken de besparingen van Waterland in miljarden euro's.

(a)  

10.

Van de economie van Slowakije, met overheid en buitenland, is over een bepaald jaar het volgende bekend in euro's:

- het saldo van de overheid = − 10 miljard;

- het saldo van de lopende rekening = + 5 miljard;

- de investeringen van bedrijven = + 8 miljard.

Bereken de besparingen van gezinnen in Slowakije in miljarden euro's.

a)

23

b)

13

c)

8

d)

15

11.

Welke variabelen kan de overheid aanpassen bij uitvoering van anticyclisch begrotingsbeleid? (meerdere antwoorden mogelijk).

a)

De rentestand.

b)

De overheidsbestedingen.

c)

De belastingtarieven

d)

De invoertarieven

12.

Als de vraag naar arbeid sterker stijgt dan het aanbod van arbeid wordt de arbeidsmarkt … (I) … en zullen de lonen …(II) … .

a)

 (I) = ruimer 

(II) = dalen.

b)

 (I) = ruimer 

(II) = stijgen.

c)

(I) = krapper

(II) = dalen.

d)

(I) = krapper

(II) = stijgen.

13.

Bij een positieve output gap is er sprake van een …(I) … arbeidsmarkt en is er geen ….(II) … werkloosheid.

a)

(I) = ruime   

(II) = conjuncturele

b)

(I) = krappe   (II) = conjuncturele

c)

(I) = krappe  

(II) = structurele

d)

(I) = ruime   

(II) = structurele

14.

Het bruto binnenland product dat wordt gemeten door het CBS heeft als welvaartsmaatstaf een aantal beperkingen. Welke van de onderstaande oorzaken zorgt ervoor dat de welvaart hoger is dan het bruto binnenlands product?

a)

Een deel van de inkomens wordt niet meegenomen in de berekening van het CBS omdat dit verdiend wordt in de informele sector.

b)

Een deel van de productie leidt tot negatieve externe effecten.

c)

Vrije tijd is een factor die niet meegenomen wordt in de berekening van het CBS.

d)

De waarde die men hecht aan de kwaliteit van overheidsvoorzieningen is subjectief.