WorksheetsTC B1 2.4 grammatica: voltooide tijd
Total questions: 22
Worksheet time: 18mins
Ik ... geslaagd voor het examen.
(a)
Hij ... in het zwembad gezwommen.
(a)
Ik ... te laat gekomen.
(a)
De fietser ... na het ernstige ongeluk gestorven.
(a)
Zij ... nog steeds niet gewend aan haar nieuwe rooster.
(a)
Ik ... vanochtend vroeg opgestaan.
(a)
Zet in de goede volgorde:
de lamp - heb - vervangen - ik
(a)
Zet in de goede volgorde:
gedweild - de schoonmaker - de vloer - heeft
(a)
Zet in de goede volgorde:
de ouders - het kind - verwend - hebben
(a)
Schrijf de zin in de voltooide tijd:
De dokter behandelt de wond.
(a)
Schrijf de zin in de voltooide tijd.
De fietser valt op straat.
(a)
Schrijf de zin in de voltooide tijd.
De timmerman boort een gat.
(a)
Schrijf de zin in de voltooide tijd.
Ik rijd naar het verzorgingshuis.
(a)
