Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TC B1 2.4 grammatica: voltooide tijd

Total questions: 22

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.
Mijn beste vriend ... vorige week getrouwd.
a)
is
b)
heeft
2.
Hij ... voor het eerst in een vrachtwagen gereden.
a)
is
b)
heeft
3.
De dokter ... de jeuk behandeld met een zalf.
a)
is
b)
heeft
4.
De kinderen ... in het water gesprongen.
a)
zijn
b)
hebben
5.

Ik ... geslaagd voor het examen.

(a)  

6.

Hij ... in het zwembad gezwommen.

(a)  

7.

Ik ... te laat gekomen.

(a)  

8.

De fietser ... na het ernstige ongeluk gestorven.

(a)  

9.

Zij ... nog steeds niet gewend aan haar nieuwe rooster.

(a)  

10.

Ik ... vanochtend vroeg opgestaan.

(a)  

11.
De auto ... in het water gereden.
a)
is
b)
heeft
12.
De auto ... in het water gereden.
a)
is
b)
heeft
13.
De jongen ... tegen het paaltje gefietst.
a)
is
b)
heeft
14.
De kat ... in de boom geklommen.
a)
is
b)
heeft
15.
Het meisje ... in de klimhal geklommen.
a)
is
b)
heeft
16.

Zet in de goede volgorde:

de lamp - heb - vervangen - ik

(a)  

17.

Zet in de goede volgorde:

gedweild - de schoonmaker - de vloer - heeft

(a)  

18.

Zet in de goede volgorde:

de ouders - het kind - verwend - hebben

(a)  

19.

Schrijf de zin in de voltooide tijd:

De dokter behandelt de wond.

(a)  

20.

Schrijf de zin in de voltooide tijd.

De fietser valt op straat.

(a)  

21.

Schrijf de zin in de voltooide tijd.

De timmerman boort een gat.

(a)  

22.

Schrijf de zin in de voltooide tijd.

Ik rijd naar het verzorgingshuis.

(a)