Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Cursus spelling 2kgt

Total questions: 60

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Islam

a)

Goed

b)

Fout

2.

paus

a)

fout

b)

goed

3.

Ministerie

a)

goed

b)

fout

4.

mevrouw De Wit

a)

fout

b)

goed

5.

meneer van der Plas

a)

goed

b)

fout

6.

Nederlands Hervormd

a)

fout

b)

goed

7.

'S-hertogenbosch

a)

goed

b)

fout

8.

Tweede Kerstdag

a)

fout

b)

goed

9.

Suikerfeest

a)

goed

b)

fout

10.

Corona virus

a)

fout

b)

goed

11.

Waar moet de komma ?

a)

Ik moet nu naar,huis omdat ik huiswerk moet maken.

b)

Ik ,moet nu naar huis omdat ik huiswerk moet maken.

c)

Ik moet nu naar huis, omdat ik huiswerk moet maken.

d)

Ik moet nu naar huis omdat, ik huiswerk moet maken

12.

Waar moet de komma ?

a)

Die jongen is sterk, omdat hij elke dag in de sportschool zit.

b)

Die jongen is sterk omdat, hij elke dag in de sportscool zit.

13.

Waar moet de komma ?

a)

De boeren moeten de dieren verminderen, want er is teveel stikstof.

b)

De boeren moeten dieren verminderen want, er is teveel stikstof.

14.

Als ik naar buiten ga doe ik mijn jas wel even aan.

Waar moet in deze zin de komma?

a)

achter als

b)

achter ga

c)

achter jas

d)

achter doe

15.

Ik liep naar buiten, en riep, dat iedereen naar binnen moest komen.

a)

Alle komma's staan goed.

b)

De komma voor het woordje en moet worden weggelaten.

c)

De komma achter riep moet weggelaten worden.

16.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
Ik luister op maandagochtend graag naar Studio Brussel.
b)
Ik luister op maandagochtend graag naar studio brussel.
c)
Ik luister op Maandagochtend graag naar Studio Brussel.
d)
Ik luister op Maandagochtend graag naar studio brussel.
17.

Welk leesteken past het best aan het eind van deze zin?

"Een van hen had een emmer, de tweede had een drilboor en de derde een spade"

a)

?

b)

!

c)

.

18.

Meestal zet je voor 'en' / 'of' geen komma

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

20.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

21.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

22.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We gaan volgende week op vakantie, ........ oma die week geopereerd wordt.

a)

tenzij

b)

omdat

c)

zodra

d)

dus

23.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel

24.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We stoppen met voetballen, ........ de bal is lek.

a)

want

b)

hoewel

c)

maar

d)

indien

25.

Als je iemand citeert, dus opschrijft wat iemand zegt, dan doe je dat op de volgende manier:

a)

Fred zei 'Mag ik de pindakaas?'

b)

Fred zei 'mag ik de pindakaas?'

c)

Fred zei: mag ik de pindakaas?

d)

Fred zei: 'Mag ik de pindakaas'

26.

Wat is citeren?

a)

In je eigen woorden zeggen wat iemand zegt

b)

Letterlijk weergeven wat iemand zegt

c)

Een tekst samenvatten

d)

Iemands gedachtes opschrijven

27.

Waar staan de aanhalingstekens in de onderstaande zin?


Ik heb helemaal geen zin in spinazie, riep Koen, je weet dat ik dat vies vind

a)

Ik heb helemaal geen zin in spinazie, riep Koen, 'je weet dat ik dat vies vind.'

b)

'Ik heb helemaal geen zin in spinazie', riep Koen, je weet dat ik dat vies vind.

c)

'Ik heb helemaal geen zin in spinazie, riep Koen, je weet dat ik dat vies vind.'

d)

'Ik heb helemaal geen zin in spinazie,' riep Koen, 'je weet dat ik dat vies vind.'

28.

Ze draagt een ... (goud) ketting.

a)

goude

b)

gouden

c)

goud

29.

Ik heb een ... (katoen) T-shirt aan.

a)

katoen

b)

katoene

c)

katoenen

d)

katoenne

30.

Je bent een ... (eigenwijs) jongen.

a)

eigenwijse

b)

eigenwijs

c)

eigenwijze

d)

eigenwijsse

31.

Zij is een ... (serieus) leerling.

a)

serieuze

b)

serieuse

c)

serieus

32.

Dat is een ... (laf) actie.

a)

lave

b)

laffe

c)

lafe

d)

laffen

33.

Kauwen met een ... (open) mond is echt vies.

a)

ope

b)

openen

c)

open

34.

Dat is een ... (groot) gebeurtenis!

a)

grootte

b)

grote

c)

groote

d)

groot

35.

Meestal zet je voor 'en' / 'of' geen komma

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

Wanneer schrijf je een komma? Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn.

a)

Tussen twee persoonsvormen

b)

Na het woordje 'en'

c)

Tussen een opsomming

d)

Voor de meeste verbindingswoorden

37.

Welke naam is goed geschreven?

a)

Mevrouw A. Van der Spek

b)

Mevrouw A. van der Spek

c)

Mevrouw a. van der Spek

38.

Welke naam is goed geschreven?

a)

Liesje van Hulst

b)

liesje van hulst

c)

Liesje Van Hulst

39.

Welke naam is goed geschreven?

a)

mevrouw Van Groothuizen

b)

Mevrouw van Groothuizen

c)

Mevrouw Van Groothuizen

40.

Welke woorden zijn goed geschreven? Let op hoofdletters!

a)

Noord-Brabant

b)

Zuiden

c)

Zuid-Afrikaanse

d)

November

41.

Welke verkleinwoorden zijn goed geschreven?

a)

Treinnetje

b)

Radiootje

c)

Cd'tje

d)

Beloninkje

e)

Babytje

42.

Wat is het verkleinwoord van: Zwelling

a)

Zwellingetje

b)

Zwellinkje

c)

Zwellingkje

43.

Wat is het verkleinwoord van: SMS?

a)

smsje

b)

sms'etje

c)

sms'je

44.

Wat is het verkleinwoord van: 'Pop'?

a)

popje

b)

poppetje

c)

poptje

d)

poppie

45.

Wat is het verkleinwoord van: Melodie

a)

Melodieetje

b)

Melodietje

c)

Melodie'tje

46.
Klik op het voltooid deelwoord.
Het water heeft veel schade aangericht.
a)
aangericht
b)
schade
c)
veel schade
d)
heeft
47.
Klik op het voltooid deelwoord.
Heb je alles wel goed onthouden?
a)
alles
b)
je
c)
heb 
d)
 onthouden
48.
Klik op het voltooid deelwoord.
Ik heb je helaas niet helemaal begrepen.
a)
heb
b)
helaas 
c)
begrepen
d)
helemaal
49.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord?

Het gebeurt tijdens iedere les.

a)

Nee, gebeurt is hier een persoonsvorm. Je kunt er namelijk 'het gebeurde' van maken. En de persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet.

b)

Ja, want er staat het voorvoegsel 'ge' voor en dan is het werkwoord altijd een voltooid deelwoord.

50.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord of een persoonsvorm?

De N279 is een aantal jaren geleden verbreed.

a)

voltooid deelwoord

b)

persoonsvorm

51.

Is het onderstreepte woord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?

Jasmijn herkanst morgen haar toets van Nederlands.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

52.

Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring .....(werpen).

a)

gewerpt

b)

gewerpen

c)

geworpen

d)

geworpt

53.

Gisteren heb ik de deur om tien uur.......(sluiten).

a)

gesluit

b)

gesluiten

c)

gesloot

d)

gesloten

54.

Noteer het voltooid deelwoord.

In Nederland wordt vaker ........(pinnen).

a)

gepint

b)

gepind

55.

Welk werkwoord hoort in de zin?

Mijn neef ________ mijn ouders een cadeau.

a)

geeft

b)

geefde

c)

geefd

d)

geefdt

56.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurde

57.

Vul het juiste voltooid deelwoord.

Het grootste deel van de rivier is (dichtslibben) ..........

a)

dichtgeslipt

b)

gedichtslibt

c)

dichtgeslibd

d)

dichtgeslibt

58.

Vul de juiste vorm in:

Het ... (verbranden) huis was helemaal vernietigd.

a)

verbrande

b)

verbrandde

c)

verbranden

d)

verbrandte

59.

Vul de juiste vorm in:

Wij ..... (wachten) gisteren de hele middag op een reactie.

a)

wachte

b)

wachten

c)

wachtte

d)

wachtten

60.

Vul de juiste vorm in (tegenwoordige tijd):

De schipper ... (binden) zijn boot stevig aan de paal vast.

(a)  

Similar Resources on Wayground