wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TC A2 thema 3 woorden + grammatica

Total questions: 58

Worksheet time: 1hrs 3mins

Name
Class
Date
1.

Tamara is juf. Ze geeft les op...

a)

een basisschool

b)

een middelbare school

c)

een lokaal

d)

een vak

2.

De kinderen zitten in...

a)

een vak

b)

een hal

c)

een lokaal

d)

een school

3.

De docent heeft de ouders​ (a)   week gemaild.

Choose from the below words
vorige
volgende
binnenkort
4.

De docent wil met de ouders van Luuk spreken,

a)

omdat

b)

hij

c)

slechte

d)

cijfers

e)

heeft.

1)
2)
3)
4)
5)
5.

Het kind huilt,

a)

omdat

b)

hij

c)

een prik

d)

krijgt.

1)
2)
3)
4)
6.

Ik mis mijn kinderen,

a)

als

b)

ik

c)

op vakantie

d)

ga.

1)
2)
3)
4)
7.

Hij denkt aan zijn gezondheid, omdat (te dik).

(a)  

8.

Ik draag een bril,​ (a)   ik beter kan zien.

Choose from the below words
zodat
omdat
9.

Ik draag een bril,​​ (a)   ik slechte ogen heb.

Choose from the below words
omdat
zodat
10.

... de dokter moet ik uitrusten.

a)

Volgens

b)

Binnenkort

c)

Omdat

d)

Van te voren

11.

Je moet vijf minuten ... aanwezig zijn.

a)

binnenkort

b)

voorbij

c)

in plaats van

d)

van tevoren

12.

Zij gebruikt een schaar...

a)

om

b)

papier

c)

te

d)

knippen.

1)
2)
3)
4)
13.

Ahmed gaat naar de buren,

a)

om

b)

een hamer

c)

te

d)

lenen.

1)
2)
3)
4)
14.

De docent belt de ouders,

a)

om

b)

de situatie

c)

te

d)

bespreken.

1)
2)
3)
4)
15.

Ik pak een mes (groente snijden).

(a)  

16.

Waarom ga je naar het ziekenhuis?

a)

Om mijn been te breken.

b)

Omdat mijn been gebroken is.

c)

Als mijn been gebroken is.

d)

Want mijn been is gebroken.

17.

(a)   - 'Als ik misselijk ben.'

Choose from the below words
'Waarom ga je naar de dokter?'
'Waarvoor ga je naar de dokter?'
'Wanneer ga je naar de dokter?'
18.

Zoek bij elkaar.

a)

1.

meten

b)

2.

wegen

c)

3.

een prik krijgen

d)

4.

geopereerd worden

e)

5.

naar het hart luisteren

19.

Kun je de telefoon...?

a)

terugbellen

b)

mailen

c)

opnemen

d)

afspreken

20.

Scheidbaar werkwoord: De docent geeft...

(a)  

21.

Dit boek heeft veertien​ (a)   .

Choose from the below words
hoofdstukken
cijfers
pagina's
22.

Wat doet hij?

a)

Hij ophangt de was.

b)

Hij hangt op de was.

c)

Hij hangt de was op.

23.

Hij geeft een feest. Wat moet hij doen?

a)

Hij moet uitnodigingen opsturen.

b)

Hij moet opsturen uitnodigingen.

c)

Hij moet sturen uitnodigingen op.

d)

Hij stuurt uitnodigingen moeten op.

24.

​ (a)   ​ (b)   ​ (c)   ​ (d)   ​ (e)   .

Choose from the below words
Ik
bel
je
morgen
terug
terugbel
bellen
ons
25.

Maak een zin in de tegenwoordige tijd:

zij - de pannenkoek - omdraaien

(a)  

26.

Maak een zin in de tegenwoordige tijd:

ik - schoonmaken - de kamer - moeten

(a)  

27.

Maak een zin in de tegenwoordige tijd:

voorbereiden - de meester - de les

(a)  

28.

Kijk naar de plaatjes. Schrijf je het woord met 'ng' of met 'nk'?

Categorize the following
ng
nk
29.

​ (a)   mevrouw De Wilde,

Onze zoon Mark kan vandaag​ (b)   niet naar school komen,​ (c)   hij ziek is. Hij heeft griep. Als hij weer terugkomt, zal ik dat een dag ​ (d)   laten weten.

​ (e)  

Francisca van Vlist

Choose from the below words
Beste
Hallo
helaas
jammer
omdat
want
van tevoren
op tijd
Met vriendelijke groeten,
groetjes
30.

Je ziet een telefoonbericht. Jij werkt bij de school en je moet een briefje schrijven. Wat schrijf je op?

Hallo, u spreekt met Ellen de Jong. Mijn zoon Bart uit groep 7 kan vandaag helaas niet naar school komen, want hij is misselijk. Kunt u dat doorgeven aan de docent? Zijn naam is meneer Verwijs.

a)

Voor Ellen: Bart Verwijs is ziek.

b)

Voor meneer Verwijs: Bart (groep 7) is vandaag ziek.

c)

Voor meneer Verwijs: Bart is misselijk.

31.

Zij vraagt...

a)

dat je melk in je koffie wilt.

b)

of je melk in je koffie wilt.

c)

of je wilt melk in je koffie.

d)

wil je melk in je koffie.

32.

Jij antwoordt...

a)

dat je dat lekker vindt.

b)

of je dat lekker vindt.

c)

dat je vindt dat lekker.

d)

vind je dat lekker.

33.

De tandarts vraagt

a)

of

b)

je

c)

veel

d)

kiespijn

e)

hebt.

1)
2)
3)
4)
5)
34.

Je zegt tegen de tandarts

a)

dat

b)

je

c)

een beetje

d)

bang

e)

bent.

1)
2)
3)
4)
5)
35.

Je verwacht dat

a)

je

b)

hoofdstuk vijf

c)

morgen

d)

af

e)

hebt.

1)
2)
3)
4)
5)
36.

Ik weet niet​ (a)   mijn been gebroken is.

Choose from the below words
of
dat
37.

Ik denk​ (a)   ik het uitje niet kan organiseren.

Choose from the below words
dat
of
38.

De hele dag Nederlands leren? Ik vind dat niet leuk. Dat klinkt...

a)

saai

b)

goed

39.

Khalid praat over de oorlog in zijn land. Hij ... verdrietig.

a)

klinkt

b)

bedenkt

c)

huilt

d)

geniet

40.

Zoek bij elkaar.

a)

een plan

1.

bedenken

b)

een feest

2.

organiseren

c)

de telefoon

3.

opnemen

d)

een afspraak

4.

verzetten

e)

een spelletje

5.

spelen

41.

Joost geeft les in groep 8. Hij is ..., dus zijn beroep is leraar.

(a)  

42.

Ik speel graag een spelletje.

a)

b)

c)

d)

43.

Ik ga graag naar het bos.

a)

b)

c)

d)

44.

Wat vind jij? Vind jij spelletjes spelen leuk?

a)

Ja, ik vind.

b)

Ja, ik vind dat goed.

c)

Ja, ik vind dat ook.

d)

Ja, ik vind dat niet.

45.

Lezen is goed voor kinderen.

a)

Ja, ik vind dat ook.

b)

Ik vind dat een goed idee.

46.

'Wat vind je van dit boek?' - 'Ik vind het​ (a)   .'

Choose from the below words
saai
ook
niet
jammer
47.

Ik heb een voorstel: we gaan eten op de boot.

a)

Ik vind dat ook.

b)

Ik vind dat een goed idee.

48.

Deze kinderen gaan op school...

a)

vakantie

b)

reis

c)

bus

d)

activiteit

49.

Welke woorden krijgen meervoud +s en welke meervoud +'s? Zet in het goede rijtje.

Categorize the following

meester

spelletje

thema

auto

cijfer

periode

wc

hobby

paraplu

ruzie

cadeau

ski

regel

pizza

+s
+'s
50.

Wat is het meervoud: Mijn zoon heeft twee (juf).

(a)  

51.

Wat is het meervoud: Mijn dochter tekent graag (hartje).

(a)  

52.

Wat is het meervoud: We hebben vandaag les in twee verschillende (lokaal).

(a)  

53.

Wat is het meervoud: Op de markt verkopen ze lekkere (kiwi).

(a)  

54.

De school heeft een nieuwe website.

a)

b)

c)

d)

55.

Ik zie​ (a)   potloden. Ze zijn niet hetzelfde.

Choose from the below words
allerlei
maximale
een bos
56.

Ze eten graag vlees. Dat doen ze ... Niet alleen op feestdagen.

a)

regelmatig

b)

allerlei

c)

speciaal

d)

vast

57.

Daan is jarig. Ik stuur hem een bericht op WhatsApp​ (a)   een kaart.

Choose from the below words
in plaats van
voorbij
reactie
binnenkort
58.

Zoek bij elkaar.

a)

de cultuur

1.

het museum

b)

activiteiten

2.

hobby's

c)

misselijk

3.

maagpijn

d)

de ontwikkeling

4.

veranderen

e)

de overheid

5.

de gemeente