Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Project 4_Afsluiter (2)

Total questions: 52

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Welk gebied is op de kaart ingekleurd?

a)

De Alpen

b)

De Apennijnen

c)

De Pyreneeën

d)

De Kaukasus

e)

De Ardennen

2.

Welk gebied is op de kaart ingekleurd?

a)

De Pyreneeën

b)

De Alpen

c)

De Apennijnen

d)

De Ardennen

e)

De Kaukasus

3.

Welk water is op de kaart omcirkeld?

a)

Het Kanaal

b)

De Bosporus

c)

De Noordzee

d)

De Adriatische Zee

e)

De Straat van Gibraltar

4.

Welke rivier is op de kaart ingekleurd?

a)

De Rijn

b)

De Volga

c)

De Donau

d)

De Rhone

e)

De Po

5.

Welke rivier is op de kaart ingekleurd?

a)

De Bosporus

b)

De Seine

c)

De Rijn

d)

De Po

e)

De Rhone

6.

Welke rivier is op de kaart ingekleurd?

a)

De Seine

b)

De Schelde

c)

De Volga

d)

De Rhone

e)

De Donau

7.

Welke rivier is op de kaart ingekleurd?

a)

De Rijn

b)

De Volga

c)

De Rhone

d)

De Schelde

e)

De Theems

8.

Welk water is op de kaart ingekleurd?

a)

De Zwarte Zee

b)

De Egeïsche Zee

c)

De Kaspische Zee

d)

De Adriatische Zee

e)

De Bosporus

9.

Welk water is op de kaart ingekleurd?

a)

De Adriatische Zee

b)

De Oostzee

c)

De Zwarte Zee

d)

De Middellandse Zee

e)

De Egeïsche Zee

10.

Welk water is op de kaart ingekleurd?

a)

De Egeïsche Zee

b)

De Kaspische Zee

c)

De Bosporus

d)

De Adriatische Zee

e)

De Zwarte Zee

11.

Welk gebied is op de kaart ingekleurd?

a)

De Pyreneeën

b)

De Alpen

c)

De Apenijnen

d)

De Ardennen

e)

De Valdajhoogte

12.

Wat betekent weer?

a)

Het gemiddelde weer over een periode van 30 jaar.

b)

De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment en een bepaalde plaats

c)

De temperatuur op een bepaalde plek.

d)

Alle vormen van regen en wind bij elkaar.

13.

Wat betekent weer?

a)

Het gemiddelde weer over een periode van 30 jaar.

b)

De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment en een bepaalde plaats

c)

De temperatuur op een bepaalde plek.

d)

Alle vormen van regen en wind bij elkaar.

14.
Dit is een afbeelding van
a)
een barometer
b)
een pluviometer
c)
een thermometer
d)
een anemometer
15.

Wat betekent klimaat?

a)

Het gemiddelde weer over een periode van 10 jaar.

b)

Het gemiddelde weer over een periode van 30 jaar.

c)

Het gemiddelde weer over een periode van 50 jaar.

d)

De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment.

16.

In deze situatie is het zomer op het...

a)

Noordelijk halfrond

b)

Zuidelijk halfrond

17.

Wat ontbreekt er in bovenstaand klimaatdiagram?

a)

De temperatuur

b)

De maanden

c)

De namen van de assen

d)

De neerslag

18.

Deze klimaatdiagram laat een plaats zien op het ...

a)

Noordelijk halfrond

b)

Zuidelijk halfrond

19.

De rode lijn geeft .. weer.

a)

De temperatuur

b)

De neerslag

20.

Wind is lucht die

a)

Beweegt van een gebied met hoge druk naar een gebied met lage druk

b)

Beweegt van een gebied met lage druk naar een gebied met hoge druk

c)

Beweegt tussen een gebied met hoge druk en een gebied met lage druk

d)

Onafhankelijk van drukgebieden over de aarde beweegt

21.

Met wat voor meter kun je de luchtdruk meten?

a)

Manometer

b)

Barometer

c)

Micrometer

d)

Anemometer

22.

Bij een hogedrukgebied daalt de lucht

a)

goed

b)

fout

23.

Een lijn met plaatsen van gelijke druk noemen we:

a)

isolijn

b)

isothem

c)

isobar

d)

isolatie

24.

Q7:Een orkaan ontstaat...

a)

Boven land

b)

Boven zee

c)

Boven land en zee

25.
Waardoor ontstaan seizoenen?
a)
Door de draaiing van de aarde om zijn eigen as
b)
Door de draaiing van de zon om de aarde
c)
Door de draaiing van de aarde om de zon
d)
Ik heb geen idee
26.

Bepaal het vegetatietype: Te droog om bomen te laten groeien

a)

toendra

b)

hardbladige vegetatie

c)

taiga

d)

steppe

27.

Bepaal het vegetatietype: Te koud om bomen te laten groeien

a)

toendra

b)

hardbladige vegetatie

c)

taiga

d)

steppe

28.

Bepaal het vegetatietype: Bestaat uit hogere grassen en kruidachtige planten

a)

savanne

b)

hardbladige vegetatie

c)

loofwoud

d)

steppe

29.

Bepaal het vegetatietype: Zeer dichte begroeiing van hoge bomen met weinig ondergroei

a)

subtropisch regenwoud

b)

tropisch vegetatie

c)

savanne

d)

gemengd woud

30.

Bepaal het vegetatietype: Er komen naaldbomen en loofbomen voor

a)

subtropisch regenwoud

b)

hardbladige vegetatie

c)

taiga

d)

gemengd woud

31.

Bepaal het vegetatietype

a)

gemengd woud

b)

loofwoud

c)

taiga

d)

subtropisch regenwoud

32.

Bepaal het vegetatietype

a)

gemengd woud

b)

loofwoud

c)

taiga

d)

subtropisch regenwoud

33.

Bepaal het vegetatietype

a)

gemengd woud

b)

hardbladige vegetatie

c)

taiga

d)

tropisch regenwoud

34.

Bepaal het vegetatietype

a)

savanne

b)

hardbladige vegetatie

c)

subtropisch regenwoud

d)

tropisch regenwoud

35.

Bepaal het vegetatietype

a)

gemengd woud

b)

loofwoud

c)

subtropisch regenwoud

d)

tropisch regenwoud

36.

Een mooi park vol met hoge bomen, is

a)

cultuurlandschap

b)

natuurlandschap

37.

Wat hoort niet bij een landschap

a)

een voetbalveld

b)

m'n eigen kamer

c)

een bos

d)

de zee

38.

Een bos waar nog nooit mensen wat in en aangedaan hebben, is

a)

cultuurlandschap

b)

natuurlandschap

39.

Boeren die dieren houden, hoort bij

a)

akkerbouw

b)

veeteelt

c)

fruitteelt

d)

bosbouw

40.

Boeren die graan verbouwen, hoort bij

a)

akkerbouw

b)

veeteelt

c)

fruitteelt

d)

bosbouw

41.

Wat is een continent

a)

Een stuk aaneengesloten landopervlak

b)

een oceaan

c)

een gesteente in de ondergrond

d)

een dee dat uitelkaar is gedreven

42.

Middelland

a)

0-2000 m

b)

50-200 m

c)

200-2000

43.

duid alle werelddelen aan

a)

Eurazie

b)

Europa

c)

Afrika

d)

Oceanie

e)

Azie

44.

welke lijn loopt horizontaal door de aarde

a)

nulmeridiaan

b)

noordpoolcirkel

c)

kreeftskeerkring

d)

evenaar

45.

alle klimaatezones

a)

koudeklimatezones

b)

warmeklimatezones

c)

gematigdeklimatezones

d)

natteklimatzones

46.

warme maand is

(a)  

47.

vorst

a)

lager dan 0°c

b)

hoger dan 0°c

c)

gelijk aan 0°c

48.

Het bovenste losse gedeelte van de aarde waarin de plantengroei het gesteente beïnvloedt, noemen we ...

a)

Bodem

b)

ondergrond

49.

Welk los gesteente is het MEEST doorlatend voor voor water?

a)

Grind

b)

Zand

c)

Leem

d)

Klei

50.

Dit losse gesteente is het minst doorlatend voor water:

a)

Grind

b)

Zand

c)

Leem

d)

Klei

51.

Dit is het meest gunstige losse gesteente:

a)

Grind

b)

Zand

c)

Leem

d)

Klei

52.

Welk losse gesteente wordt hier omschreven?

Het water stroomt vrij snel tussen de korrels.

Het is sterk doorlatend

De bodem houdt niet voldoende water vast, waardoor de voedingsstoffen voor de planten worden weggespoeld.

Het is ongunstig voor de plantengroei.

a)

Grind

b)

Zand

c)

Leem

d)

Klei