Font size
Worksheetswoordenschat oefening
Total questions: 107
Worksheet time: 49mins
das Frauchen
de vrouw
de man
het vrouwtje
der Herr
de man
de heer
de baas van een huisdier
der Eigentümer
de bezitter
de eigenaar
de begeleider
ein treuer Freund
een lieve vriend
een stomme vriend
een trouwe vriend
een trouwe vriend
der Betreuer
de bezitter
de eigenaar
de begeleider
der Begleiter
de eigenaar
de heer
de begeleider
lösen
de oplossing
oplossen
die Lösung
de oplossing
oplossen
wechseln
wisselen
de afwisseling
abwechslungsreich
de afwisseling
wisselen
rijk aan afwisseling / gevarieerd
tauschen
wisselen/ruilen
de ruil
de afwisseling
der Tausch
wisselen
wisselen/ruilen
de ruil
de afwisseling
austauschen
de uitwisselingsleerling
omwisselen/omruilen
de uitwisseling
mogelijk om te ruilen
der Austausch
mogelijk om te ruilen
de uitwisseling
omruilen
de uitwisselingsleerling
der Austauschschüler
de uitwisselingsleerling
omruilen
de ruil
de uitwisseling
das Ausland
binnen
het buitenland
de buitenlander
buiten
der Ausländer
buiten
de buitenlander
het buitenland
binnen
Drinnen
het buitenland
de buitenlander
buiten
binnen
das Äußere
buiten
binnen
het buitenland
het uiterlijk
außer
behalve
het uiterlijk
de uitzondering
die Ausnahme
omruilen
het uiterlijk
de uitzondering
binnen
wählen
kieskeurig
kiezen
de keuze
de kiezer
auswählen
de selectie
kiezen
uitkiezen/selecteren
de kiezer
die Auswahl
de keuze
de selectie
uitkiezen/selecteren
de uitzondering
leisten
de toppresentatie
de presentatie
presteren
die Leistung
presteren
de prestatie
der Erfolg
het succes
zonder succes
succesvol
erfolgreich
zonder succes
het succes
succesvol
beeindrucken
onder de indruk zijn
de indruk
indruk maken
der Eindruck
indruk maken
onder de indruk zijn
de indruk
schwänzen
geschoold
spijbelen
de school
die Bildung
de scholing
de opleiding
opgeleid
geschoold
die Ausbildung
de scholing
de opleiding
opgeleid
geschoold
ausgebildet
de scholing
de opleiding
opgeleid
geschoold
unterrichten
de scholing
onderwijzen
opgeleid
het onderwijs
die Erklärung / die Erläuterung
de opgave / de opdracht
de verklaring/de uitleg
begrijpen
die Aufgabe
de opgave / de opdracht
de verklaring/de uitleg
begrijpen
verstehen
het begrip
begrijpen
begrijpelijk
begripvol
das Verständnis
het begrip
begrijpen
begrijpelijk
begripvol
die Übung
de opgave
de oefening
oefenen
uitoefenen / werk verrichten
üben
de opgave
de oefening
oefenen
uitoefenen / werk verrichten
wissen
de onderzoeker
de wetenschapper
weten
der Wissenschaftler
de onderzoeker
de wetenschapper
weten
fehlen
de fout
ontbreken/er niet zijn
met gebreken
foutloos
der Fehler
de fout
ontbreken/er niet zijn
met gebreken
foutloos
die Fehler
de fout
de fouten
die Ferien / der Urlaub
de fout
de vakantie
de fouten
schwierig
de moeilijkheden
moeilijk
makkelijk
die Schwierigkeiten
de moeilijkheden
moeilijk
makkelijk
begeistert
de passie
de vreugde
enthousiast
het enthousiasme
hoffen
de hoop
hopeloos
hopelijk
hopen
hoffentlich
de hoop
hopeloos
hopelijk
hopen
die Hoffnung
de hoop
hopeloos
hopelijk
hopen
neu
nieuwsgierig
nieuw
de nieuwsgier
überrascht
de verrassing
verrast
der Vorzug
de voorkeur geven aan
de voorkeur
brutal
gewelddadig
brutaal
de brutaliteit
frech
gewelddadig
brutaal
de brutaliteit
kämpfen
ruzie maken
vechten
de ruzie
geen ruzie hebben
streiten
ruzie maken
vechten
de ruzie
geen ruzie hebben
sich vertragen
ruzie maken
vechten
de ruzie
geen ruzie hebben
schlichten
bemiddelen
bemiddelend
de bemiddelaar
der Schlichter
bemiddelen
bemiddelend
de bemiddelaar
öffnen
openen
open doen/ openen
dicht doen / sluiten
sluiten
aufmachen
openen
open doen/ openen
dicht doen / sluiten
sluiten
beschließen
besluiten
het besluit
beslissen
de beslissing
der Beschluss
besluiten
het besluit
beslissen
de beslissing
entscheiden
besluiten
het besluit
beslissen
de beslissing
verzichten auf
zeigen
afzien van
zwingen
ziehen
zeigen
laten zien
afzien van
zwingen
ziehen
die Sachen
de kast
de spullen
de kledingkast
de koelkast
der Kühlschrank
de kast
de spullen
de kledingkast
de koelkast
warten
de verwachting
wachten
der Kummer
de relatie
het liefdesverdriet
het verdriet
sich kümmern um
de bezigheid
zich bezighouden met
bezig houden
de bezigheden
die Beschäftigung
de bezigheid
zich bezighouden met
bezig houden
de bezigheden
die Tätigkeiten
de bezigheid
zich bezighouden met
bezig houden
de bezigheden
das Ziel
de bedoeling
het doel
achten auf
let op!
letten op
geen idee
der Zufall
toevallig
de toeval
laten
vertrouwen
zufällig
toevallig
de toeval
laten
vertrouwen
vernachlässigen
teleurstellen
de teleurstelling
verwaarlozen
vertrouwen
die Enttäuschung
teleurstellen
de teleurstelling
verwaarlozen
vertrouwen
die Zeitschrift
de krant
het tijdschrift
de duur
de krantenkoppen
dauern
de duur
duren
op den duur
die Dauer
de duur
duren
op den duur
erhalten
verkrijgbaar
krijgen
doneren
de donatie
die Spende
verkrijgbaar
krijgen
doneren
de donatie
spenden
verkrijgbaar
krijgen
doneren
de donatie
jugendlich
vrouwelijk
mannelijk
volwassen
jeugdig
männlich
vrouwelijk
mannelijk
volwassen
jeugdig
Jemand
iedereen
iedere week
iemand
Jeder
iedereen
iedere week
iemand
schon
mooi
al / reeds
schoon
sauber
mooi
al / reeds
schoon
dreckig
de viezigheid
vies
schoon
billig
gunstig / goedkoop
goedkoop
duur
trots
günstig
gunstig / goedkoop
goedkoop
duur
trots
stolz
waarmee
zonder
ondanks
trots
womit
waarmee
zonder
ondanks
trots
ohne
waarmee
zonder
ondanks
trots
nur
alleen maar , slechts
alleen
zonder
niet alleen... maar ook
allein
alleen maar , slechts
alleen
zonder
niet alleen... maar ook
immer wieder
altijd al
telkens opnieuw
soms
vaak
nooit
altijd al
nie
soms
vaak
manchmal
altijd al
nie
soms
vaak
oft
altijd al
nie
soms
vaak
