wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

woordenschat oefening

Total questions: 107

Worksheet time: 49mins

Name
Class
Date
1.

das Frauchen

a)

de vrouw

b)

de man

c)

het vrouwtje

2.

der Herr

a)

de man

b)

de heer

c)

de baas van een huisdier

3.

der Eigentümer

a)

de bezitter

b)

de eigenaar

c)

de begeleider

4.

ein treuer Freund

a)

een lieve vriend

b)

een stomme vriend

c)

een trouwe vriend

d)

een trouwe vriend

5.

der Betreuer

a)

de bezitter

b)

de eigenaar

c)

de begeleider

6.

der Begleiter

a)

de eigenaar

b)

de heer

c)

de begeleider

7.

lösen

a)

de oplossing

b)

oplossen

8.

die Lösung

a)

de oplossing

b)

oplossen

9.

wechseln

a)

wisselen

b)

de afwisseling

10.

abwechslungsreich

a)

de afwisseling

b)

wisselen

c)

rijk aan afwisseling / gevarieerd

11.

tauschen

a)

wisselen/ruilen

b)

de ruil

c)

de afwisseling

12.

der Tausch

a)

wisselen

b)

wisselen/ruilen

c)

de ruil

d)

de afwisseling

13.

austauschen

a)

de uitwisselingsleerling

b)

omwisselen/omruilen

c)

de uitwisseling

d)

mogelijk om te ruilen

14.

der Austausch

a)

mogelijk om te ruilen

b)

de uitwisseling

c)

omruilen

d)

de uitwisselingsleerling

15.

der Austauschschüler

a)

de uitwisselingsleerling

b)

omruilen

c)

de ruil

d)

de uitwisseling

16.

das Ausland

a)

binnen

b)

het buitenland

c)

de buitenlander

d)

buiten

17.

der Ausländer

a)

buiten

b)

de buitenlander

c)

het buitenland

d)

binnen

18.

Drinnen

a)

het buitenland

b)

de buitenlander

c)

buiten

d)

binnen

19.

das Äußere

a)

buiten

b)

binnen

c)

het buitenland

d)

het uiterlijk

20.

außer

a)

behalve

b)

het uiterlijk

c)

de uitzondering

21.

die Ausnahme

a)

omruilen

b)

het uiterlijk

c)

de uitzondering

d)

binnen

22.

wählen

a)

kieskeurig

b)

kiezen

c)

de keuze

d)

de kiezer

23.

auswählen

a)

de selectie

b)

kiezen

c)

uitkiezen/selecteren

d)

de kiezer

24.

die Auswahl

a)

de keuze

b)

de selectie

c)

uitkiezen/selecteren

d)

de uitzondering

25.

leisten

a)

de toppresentatie

b)

de presentatie

c)

presteren

26.

die Leistung

a)

presteren

b)

de prestatie

27.

der Erfolg

a)

het succes

b)

zonder succes

c)

succesvol

28.

erfolgreich

a)

zonder succes

b)

het succes

c)

succesvol

29.

beeindrucken

a)

onder de indruk zijn

b)

de indruk

c)

indruk maken

30.

der Eindruck

a)

indruk maken

b)

onder de indruk zijn

c)

de indruk

31.

schwänzen

a)

geschoold

b)

spijbelen

c)

de school

32.

die Bildung

a)

de scholing

b)

de opleiding

c)

opgeleid

d)

geschoold

33.

die Ausbildung

a)

de scholing

b)

de opleiding

c)

opgeleid

d)

geschoold

34.

ausgebildet

a)

de scholing

b)

de opleiding

c)

opgeleid

d)

geschoold

35.

unterrichten

a)

de scholing

b)

onderwijzen

c)

opgeleid

d)

het onderwijs

36.

die Erklärung / die Erläuterung

a)

de opgave / de opdracht

b)

de verklaring/de uitleg

c)

begrijpen

37.

die Aufgabe

a)

de opgave / de opdracht

b)

de verklaring/de uitleg

c)

begrijpen

38.

verstehen

a)

het begrip

b)

begrijpen

c)

begrijpelijk

d)

begripvol

39.

das Verständnis

a)

het begrip

b)

begrijpen

c)

begrijpelijk

d)

begripvol

40.

die Übung

a)

de opgave

b)

de oefening

c)

oefenen

d)

uitoefenen / werk verrichten

41.

üben

a)

de opgave

b)

de oefening

c)

oefenen

d)

uitoefenen / werk verrichten

42.

wissen

a)

de onderzoeker

b)

de wetenschapper

c)

weten

43.

der Wissenschaftler

a)

de onderzoeker

b)

de wetenschapper

c)

weten

44.

fehlen

a)

de fout

b)

ontbreken/er niet zijn

c)

met gebreken

d)

foutloos

45.

der Fehler

a)

de fout

b)

ontbreken/er niet zijn

c)

met gebreken

d)

foutloos

46.

die Fehler

a)

de fout

b)

de fouten

47.

die Ferien / der Urlaub

a)

de fout

b)

de vakantie

c)

de fouten

48.

schwierig

a)

de moeilijkheden

b)

moeilijk

c)

makkelijk

49.

die Schwierigkeiten

a)

de moeilijkheden

b)

moeilijk

c)

makkelijk

50.

begeistert

a)

de passie

b)

de vreugde

c)

enthousiast

d)

het enthousiasme

51.

hoffen

a)

de hoop

b)

hopeloos

c)

hopelijk

d)

hopen

52.

hoffentlich

a)

de hoop

b)

hopeloos

c)

hopelijk

d)

hopen

53.

die Hoffnung

a)

de hoop

b)

hopeloos

c)

hopelijk

d)

hopen

54.

neu

a)

nieuwsgierig

b)

nieuw

c)

de nieuwsgier

55.

überrascht

a)

de verrassing

b)

verrast

56.

der Vorzug

a)

de voorkeur geven aan

b)

de voorkeur

57.

brutal

a)

gewelddadig

b)

brutaal

c)

de brutaliteit

58.

frech

a)

gewelddadig

b)

brutaal

c)

de brutaliteit

59.

kämpfen

a)

ruzie maken

b)

vechten

c)

de ruzie

d)

geen ruzie hebben

60.

streiten

a)

ruzie maken

b)

vechten

c)

de ruzie

d)

geen ruzie hebben

61.

sich vertragen

a)

ruzie maken

b)

vechten

c)

de ruzie

d)

geen ruzie hebben

62.

schlichten

a)

bemiddelen

b)

bemiddelend

c)

de bemiddelaar

63.

der Schlichter

a)

bemiddelen

b)

bemiddelend

c)

de bemiddelaar

64.

öffnen

a)

openen

b)

open doen/ openen

c)

dicht doen / sluiten

d)

sluiten

65.

aufmachen

a)

openen

b)

open doen/ openen

c)

dicht doen / sluiten

d)

sluiten

66.

beschließen

a)

besluiten

b)

het besluit

c)

beslissen

d)

de beslissing

67.

der Beschluss

a)

besluiten

b)

het besluit

c)

beslissen

d)

de beslissing

68.

entscheiden

a)

besluiten

b)

het besluit

c)

beslissen

d)

de beslissing

69.

verzichten auf

a)

zeigen

b)

afzien van

c)

zwingen

d)

ziehen

70.

zeigen

a)

laten zien

b)

afzien van

c)

zwingen

d)

ziehen

71.

die Sachen

a)

de kast

b)

de spullen

c)

de kledingkast

d)

de koelkast

72.

der Kühlschrank

a)

de kast

b)

de spullen

c)

de kledingkast

d)

de koelkast

73.

warten

a)

de verwachting

b)

wachten

74.

der Kummer

a)

de relatie

b)

het liefdesverdriet

c)

het verdriet

75.

sich kümmern um

a)

de bezigheid

b)

zich bezighouden met

c)

bezig houden

d)

de bezigheden

76.

die Beschäftigung

a)

de bezigheid

b)

zich bezighouden met

c)

bezig houden

d)

de bezigheden

77.

die Tätigkeiten

a)

de bezigheid

b)

zich bezighouden met

c)

bezig houden

d)

de bezigheden

78.

das Ziel

a)

de bedoeling

b)

het doel

79.

achten auf

a)

let op!

b)

letten op

c)

geen idee

80.

der Zufall

a)

toevallig

b)

de toeval

c)

laten

d)

vertrouwen

81.

zufällig

a)

toevallig

b)

de toeval

c)

laten

d)

vertrouwen

82.

vernachlässigen

a)

teleurstellen

b)

de teleurstelling

c)

verwaarlozen

d)

vertrouwen

83.

die Enttäuschung

a)

teleurstellen

b)

de teleurstelling

c)

verwaarlozen

d)

vertrouwen

84.

die Zeitschrift

a)

de krant

b)

het tijdschrift

c)

de duur

d)

de krantenkoppen

85.

dauern

a)

de duur

b)

duren

c)

op den duur

86.

die Dauer

a)

de duur

b)

duren

c)

op den duur

87.

erhalten

a)

verkrijgbaar

b)

krijgen

c)

doneren

d)

de donatie

88.

die Spende

a)

verkrijgbaar

b)

krijgen

c)

doneren

d)

de donatie

89.

spenden

a)

verkrijgbaar

b)

krijgen

c)

doneren

d)

de donatie

90.

jugendlich

a)

vrouwelijk

b)

mannelijk

c)

volwassen

d)

jeugdig

91.

männlich

a)

vrouwelijk

b)

mannelijk

c)

volwassen

d)

jeugdig

92.

Jemand

a)

iedereen

b)

iedere week

c)

iemand

93.

Jeder

a)

iedereen

b)

iedere week

c)

iemand

94.

schon

a)

mooi

b)

al / reeds

c)

schoon

95.

sauber

a)

mooi

b)

al / reeds

c)

schoon

96.

dreckig

a)

de viezigheid

b)

vies

c)

schoon

97.

billig

a)

gunstig / goedkoop

b)

goedkoop

c)

duur

d)

trots

98.

günstig

a)

gunstig / goedkoop

b)

goedkoop

c)

duur

d)

trots

99.

stolz

a)

waarmee

b)

zonder

c)

ondanks

d)

trots

100.

womit

a)

waarmee

b)

zonder

c)

ondanks

d)

trots

101.

ohne

a)

waarmee

b)

zonder

c)

ondanks

d)

trots

102.

nur

a)

alleen maar , slechts

b)

alleen

c)

zonder

d)

niet alleen... maar ook

103.

allein

a)

alleen maar , slechts

b)

alleen

c)

zonder

d)

niet alleen... maar ook

104.

immer wieder

a)

altijd al

b)

telkens opnieuw

c)

soms

d)

vaak

105.

nooit

a)

altijd al

b)

nie

c)

soms

d)

vaak

106.

manchmal

a)

altijd al

b)

nie

c)

soms

d)

vaak

107.

oft

a)

altijd al

b)

nie

c)

soms

d)

vaak