Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen H4 & H5

Total questions: 111

Worksheet time: 1hrs 9mins

Name
Class
Date
1.

Een handige plek om een stad te beginnen in de Middeleeuwen was

a)

bij een kanaal

b)

een kruispunt van wegen

c)

een spoorlijn

d)

bij een landhuis

2.

Een beroep waarbij je producten met de hand maakt.

a)

Gilde

b)

Ambacht

c)

Hanze

d)

Handel

3.
De drie standen in de middeleeuwen waren.....
a)
Koningen, monniken en boeren
b)
Keizers, paus en kardinalen en boeren
c)
Geestelijkheid, adel en boeren
d)
Ridders, Boeren en Horigen
4.

Wat is een Hanze?

a)

Samenwerkingsverband van handelaren en steden

b)

Samenwerkingsverband van een groep geestelijken binnen het Christendom

c)

Een militair verbond tussen Duitse en Hollandse adel

d)

Een samenwerkingsverband tussen verschillende dienstsectoren binnen een stad

5.

Wat was het gevolg van het voedseloverschot op het platteland na 1000

a)

Het voedseloverschot ruilden ze op de markt in de stad voor producten. Er ontstond zo meer handel in de stad.

b)

De boeren werden door het voedseloverschot sterker en kwamen in opstand tegen hun leenheren.

c)

Door een groot tekort aan boeren kon veel voedsel niet verwerkt worden waardoor er hongersnoden ontstonden na het jaar 1000.

d)

Veel burgers in de steden trokken naar het platteland om ook boer te worden.

6.

Wanneer speelde de late middeleeuwen zich af?

a)

500-1500

b)

1000-1500

c)

1500-2000

d)

500-1000

7.

In de late middeleeuwen werd Europa een....

a)

landbouw-stedelijke samenleving

b)

stedelijke samenleving

c)

landbouw samenleving

d)

industriële samenleving

8.

Begrip: Een land met duidelijke grenzen waarin overal dezelfde wetten en regels gelden

a)

schepenen

b)

staat

c)

ontginnen

d)

gezel

9.

begrip: Bestuur vanuit één plaats; overal in het land gelden dezelfde wetten en belastingen.

a)

bedevaart

b)

centraal bestuur

c)

Hanze

d)

kruistocht

10.

Wat was geen stadsrecht?

a)

Een stadsmuur bouwen

b)

Zelf munten slaan

c)

Zelf de schout benoemen

d)

Zelf de stad besturen

11.

Veel koningen in de late middeleeuwen probeerden een ... bestuur in te richten

a)

centraal

b)

gewestelijk

12.

ketters zijn

a)

mensen die van hun geloof houden

b)

mensen die kritiek hebben op de katholieke kerk

c)

mensen die kritiek hebben op de nonnen.

13.

Wat is een handige plek voor een stad?

a)

1. Dit is een rustige plek waar je geen last hebt van het kasteel, de weg en de rivier.

b)

2. Dit is vlakbij het kasteel. Dat is handig als je bescherming nodig hebt.

c)

3. Dit is vlakbij de weg, de rivier en het kasteel. Mensen kunnen gemakkelijk naar de stad komen.

14.

Wat gebeurde er volgens de mensen in de tijd van steden en staten na de dood?

a)

Dan ging je naar het paradijs.

b)

Dan werd je begraven en verder gebeurde er niks.

c)

Dan ging je naar de hemel of naar de hel.

15.

Waarom waren geestelijken in de tijd van steden en staten zo belangrijk voor gelovige mensen??

a)

Zij waren rijk en lieten grote kerken in steden en dorpen bouwen.

b)

Zij hielpen de mensen om zo te leven zodat ze naar de hemel gingen.

c)

Zij hielpen gelovige mensen met het besturen van het land.

16.

Wat was een gilde?

a)

Een club van vooraanstaande mensen

b)

Een beroepsvereniging (soort vakbond)

c)

Het bestuur van een stad

d)

De verzekering van mensen in de middeleeuwen

17.

Wie gaf een stad stadsrechten?

a)

Koning/landheer

b)

de Paus

c)

De bisschop

d)

de rentmeester

18.

Noem drie voorbeelden van stadsrechten

a)

Een stadhuis bouwen

b)

De stad besturen

c)

Rechtspreken

d)

Stadsmuren bouwen

e)

Een weg aanleggen

19.

Welke functie uit het middeleeuwse stadsbestuur bestaat nu nog?

a)

Schepenen

b)

Wethouder

c)

Burgermeester

d)

Schout

20.

Wat kreeg de heer terug voor het verlenen van stadsrechten?

a)

geld in de vorm van belasting

b)

producten zoals graan

c)

volledige en onbeperkte trouw

d)

jaarlijkse feesten

21.

begrip: Een poging van christelijke legers (van 1096 tot 1270) om Jeruzalem in Palestina in bezit te krijgen.

a)

bedevaart

b)

centraal bestuur

c)

Hanze

d)

kruistocht

22.

Waarom gingen ridders op kruistocht?

a)

Het redden van heiligdommen

b)

Vergeving van hun zonden

c)

Voor het avontuur

d)

Hoop op beloning

23.

Welke groep hoort bij de tweede stand?

a)

De Adel

b)

De Boeren

c)

De Burgers

d)

De Geestelijken

24.

Welke groep hoort bij de eerste stand?

a)

De Adel

b)

De Boeren

c)

De Burgers

d)

De Geestelijken

25.

Welke uitspraak over de derde stand is juist?

a)

De derde stand bestaat eerst uit burgers, daarna ook boeren

b)

De derde stand bestaat eerst uit boeren, daarna ook burgers

c)

De derde stand bestaat voor het meest uit burgers

d)

De derde stand heeft het minste leden van alle standen

26.

Welk geloof hadden alle mensen in de middeleeuwen in West-Europa?

a)

Protestant (Christendom)

b)

Islam

c)

Jodendom

d)

Katholiek (christendom)

27.

Welk tijdvak speelt zich af tussen 1000 na Chr. en 1500 na Chr.

a)

De tijd van Monniken en Ridders

b)

De tijd van Steden en Staten

c)

De tijd van Ontdekkers en Hervormers

d)

De tijd van Grieken en Romeinen

28.

De tijd van 500-1000 hoort bij het tijdvak van

a)

Jagers en boeren

b)

Grieken en Romeinen

c)

Monniken en ridders

d)

Steden en Staten

29.

Het Frankische Rijk was in handen van ...

a)

Karel De Grote

b)

Julius Caesar

c)

De Vikingen

d)

De Paus

30.

Karel de Grote en de paus waren goede vrienden omdat...

a)

ze goede christenen waren.

b)

ze elkaar nodig hadden voor hun eigen macht.

c)

ze een gemeenschappelijke vijand hadden.

d)

ze beide van Frankische afkomst waren.

31.

Wat zijn oorzaken voor het groter & machtiger worden van het Frankische rijk? (2 antwoorden goed)

a)

De koningen speelde slimme politieke spelletjes om hun macht uit te breiden.

b)

Ze waren goede legerleiders en konden zo gemakkelijk hun vijanden verslaan.

c)

Ze waren de eerste koningen die gingen samenwerken met de Paus (de kerk), hierdoor nam hun macht toe.

d)

Ze lieten hun dochters trouwen met andere machtige mannen uit Europa en breiden zo hun macht uit.

32.

In welk jaar kroonde Paus Leo III Karel de Grote tot keizer?

a)

481

b)

768

c)

795

d)

800

33.

Wat is een ander woord voor feodalisme?

a)

Domeinstelsel

b)

Drieslagstelsel

c)

Hofstelsel

d)

Leenstelsel

34.

Juist of Onjuist:


Een leenman leent grond uit aan een leenheer

a)

JUIST

b)

ONJUIST

35.
Welk begrip hoort bij deze omschrijving?
Iemand die stukken land uitleende in ruil voor trouw en steun
a)
Leenheer
b)
Leenman
c)
Ridder
d)
Paus
36.

Wat is een ander woord voor feodalisme?

a)

Domeinstelsel

b)

Drieslagstelsel

c)

Hofstelsel

d)

Leenstelsel

37.

Waarom was er weinig handel in de vroege Middeleeuwen?

a)

De wegen waren verslechterd

b)

Het was gevaarlijk geworden

c)

Handel mocht niet van de kerk

d)

Geldomloop verdween

38.
Wat is geen titel van de adel:
a)
Hertog
b)
Baron
c)
Graaf
d)
Priester
39.
Wat is een domein?
a)
Hier stond de hoeve van de heer
b)
Moerassen en bossen
c)
Gebied waar een heer de baas was.
d)
Gebied waar boerderijtjes van de boeren en hun gezinnen stonden
40.

Wat is geen reden voor het ontstaan van de horigheid?

a)

Boeren gaven vrijheid op in ruil voor bescherming.

b)

Slaven kregen meer vrijheid.

c)

Monniken wilde arbeiders die voor hen werkte op het land.

41.

Wie had het minst te zeggen van alle personen in de middeleeuwen?

a)

de monniken

b)

de Vorst

c)

de boeren

d)

de heren

42.

In de Vroege Middeleeuwen speelden missionarissen een grote rol. Wie waren zij?

a)

Een soort handelaren

b)

Een soort geloofsverspreiders

c)

Een soort moslims

d)

Een soort boeren

43.

In de Vroege Middeleeuwen had je veel kloosters. De leider in zo'n klooster noemde je een...

a)

paus

b)

bisschop

c)

abt

d)

non

44.

Welk geloof ontstond in de Vroege Middeleeuwen?

a)

christendom

b)

islam

c)

jodendom

45.

Volgens de islam is Mohammed:

a)

de zoon van God.

b)

degene die de wereld heeft gemaakt.

c)

de belangrijkste profeet van Allah.

d)

de schrijver van het Oude en Nieuwe Testament.

46.

Dit jaartal is het begin van de islamitische jaartelling

a)

622

b)

622 v.C.

c)

1453

d)

475

47.

De hedsjra is

a)

een hoofdstuk uit de Koran

b)

een geloofszuil van de islam

c)

de vlucht van Mohammed van Mekka naar Medina

d)

een belangrijke stad in Saoedi-Arabië

48.

Op welke gebieden waren de Arabieren verder dan de West Europeanen in de Vroege Middeleeuwen?

a)

geografie, wiskunde, bouwkunst en geneeskunde

b)

leenstelsel, wiskunde en geografie.

c)

bouwkunst, geneeskunst, leenstelsel.

49.

Wat is geen reden voor het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote?

a)

Invallen van de Noormannen.

b)

Verdeling van het land onder zonen en kleinzonen.

c)

Invallen van de Arabieren.

d)

Leenmannen beschouwden het land als hun eigendom

50.

Wat is een horige?

a)

Boer die werkt voor een heer in ruil voor bescherming.

b)

De vorst van een groot gebied die stukken gebied in leen geeft.

c)

Iemand die in kasteel woont.

d)

Een leenman

51.

Welk begrip wordt er op dit plaatje uitgelegd?

a)

Een vroonhof

b)

Autarkie

c)

Zelfvoorzienend

d)

Standenmaatschappij

52.

Welk begrip past het beste bij de afbeelding?

a)

zelfvoorzienend

b)

Vroonhof

c)

Hofstelsel

d)

de heer

53.

Wat is een agrarische samenleving?

a)

Samenleving waarin men leeft van de landbouw.

b)

Systeem waarbij horigen op het land van de heer werken en klusjes voor de heer doen in ruil voor bescherming tegen rovers.

c)

De hoeve van de heer.

d)

Waar de heer leeft.

54.

Uit welke standen bestond de maatschappij in de middeleeuwen?

a)

Rijke mensen, arme mensen en horigen

b)

Geestelijkheid, adel, boeren

c)

heksen, tovenaars en kruidenvrouwen.

d)

monniken, ridders en rijke mannen

55.

Welke stand is op de afbeelding te zien ?

a)

geestelijkheid

b)

edelen

c)

boeren

56.

Welke stand is op de afbeelding te zien?

a)

geestelijkheid

b)

adel

c)

boeren

57.

Welke stand is op de afbeelding te zien?

a)

geestelijkheid

b)

adel

c)

boeren

58.

Het tijdvak monniken en ridders valt in de periode:

a)

1000-1500 na Chr.

b)

500 v Chr. - 500 na Chr.

c)

500 - 1000 na Chr.

d)

1 - 500 na Chr.

59.

Wat is een Abt?

a)

Een belangrijke non

b)

Een monnik die het hoofd is van het klooster

c)

Een monnik met een belangrijke taak

d)

Een missionaris

60.

Een ander woord voor een missionaris is?

a)

Monnik

b)

Abt

c)

Zendeling

d)

Non

61.

Wat zijn de bezigheden van monniken en nonnen?

a)

Het geloof verspreiden.

b)

bidden

c)

Schrijven

d)

Zorg dragen voor zieken

62.

Welk geloof hadden de mensen in de middeleeuwen in West-Europa?

a)

Protestant (Christendom)

b)

Islam

c)

Jodendom

d)

Katholiek (christendom)

63.

Wat zijn kenmerken van een klooster?

a)

Hier wordt het woord van God verspreid.

b)

Hier bidden de nonnen en monniken.

c)

Hier schrijven de monniken hun boeken.

d)

Hier komt een zendeling zijn verhaal vertellen.

64.

Welke functie had Willibrord?

a)

een zendeling

b)

een monnik

c)

een geestelijke

d)

geen van allen

e)

Alle drie

65.

Juist of Onjuist:


Karel de Grote stelde het leenstelsel in zodat hij alle edelmannen tevreden kon houden. Als hij de edelmannen een stukje van zijn land gaf kwamen zij niet in opstand tegen Karel de Grote.

a)

JUIST

b)

ONJUIST

66.

Juist of Onjuist:


De Middeleeuwen waren gevaarlijk, omdat er na de val van het Romeinse Rijk allemaal kleine koninkrijken kwamen. De kleine koninkrijken vochten met elkaar om meer gebied en meer macht.

a)

JUIST

b)

ONJUIST

67.

Welk rijtje over het leenstelsel - van meest belangrijk naar minst belangrijk- is juist?

a)

Achterleenman - Leenheer - Leenman

b)

Leenheer - Achterleenman - Leenman

c)

Leenman - Leenheer - Achterleenman

d)

Leenheer - Leenman - Achterleenman

68.

Na de val van het West-Romeinse Rijk verdwenen veel Romeinse voorzieningen. Welke antwoord is onjuist?

a)

Romeinse Wegen worden niet meer onderhouden, dus reizen werd lastiger

b)

Het leenstelsel verdween dus werd besturen lastiger

c)

Er waren nog maar weinig mensen die konden lezen en schrijven

d)

Er ontstond ruilhandel, omdat er eigenlijk geen geld meer was

69.

Karel de Grote stelde het leenstelsel in omdat

a)

hij zo de Romeinen kon verslaan met een groot leger van ridders.

b)

hij zo alle edelmannen tevreden kon houden en die niet tegen hem in opstand kwamen

c)

er geen geld was voor betaling van ambtenaren, maar wel veel grond beschikbaar was.

d)

hij weinig gebieden had om te besturen en hij wel een groot rijk wilde

70.

Juist of Onjuist:


Het hofstelsel is een andere naam voor het leenstelsel

a)

JUIST

b)

ONJUIST

71.

Welk begrip hoort bij deze omschrijving:


Eigen gebied waarover een (land)heer de baas is.

a)

Domein

b)

Hofstelsel

c)

Koninkrijk

d)

Leenstelsel

72.

In welk rijtje staan de geestelijken van meest belangrijk naar minst belangrijk?

a)

Paus - Priester - Bisschop

b)

Bisschop - Paus - Monnik

c)

Paus - Bisschop - Priester

d)

Monnik - Paus - Bisschop

73.

Juist of Onjuist:


Karel de Grote (net als zijn opa Pepijn) wilde dat iedereen in zijn rijk christen werd, omdat dit zou zorgen voor meer eenheid in zijn rijk en omdat dit zijn rijk meer macht en aanzien gaf.

a)

JUIST

b)

ONJUIST

74.

Welke geestelijke leeft in een klooster?

a)

De paus

b)

Een bisschop

c)

Een monnik of non

d)

Een missionaris

75.

Welke geestelijke staat aan het hoofd van de Kerk (is leider van de Kerk)

a)

Bisschop

b)

Paus

c)

Priester

d)

Missionaris

76.

Wat past bij deze bron?

a)

Politieke oorzaak voor val Romeinse Rijk

b)

Sociaal gevolg van val Romeinse Rijk

c)

Economische oorzaak voor heropleving handel

d)

Politiek gevolg van heropleving handel

77.

Wat past bij deze bron?

a)

Politieke oorzaak voor val Romeinse Rijk

b)

Sociaal gevolg van val Romeinse Rijk

c)

Militaire oorzaak voor heropleving handel

d)

Cultureel gevolg van heropleving handel

78.

Wat past bij deze bron?

a)

Sociaal gevolg van val Romeinse Rijk

b)

Sociaal gevolg van heropleving handel

c)

Culturele oorzaak voor heropleving handel

d)

Politiek gevolg van heropleving handel

79.

Wat past bij deze bron?

a)

Drieslagstelsel

b)

Standenmaatschappij

c)

Domein

d)

Hofstelsel

80.

Wat past bij deze bron?

a)

Drieslagstelsel

b)

Standenmaatschappij

c)

Leenstelsel

d)

Frankische Rijk

81.

Wat past bij "boeren worden horigen, die onderdanig zijn aan hun heer"?

a)

Politieke oorzaak voor val Romeinse Rijk

b)

Sociaal gevolg van val Romeinse Rijk

c)

Economische oorzaak voor heropleving handel

d)

Politiek gevolg van heropleving handel

82.

Wat past bij "er komen verbeteringen in de landbouw, zoals ijzeren ploegen en het drieslagstelsel"?

a)

Economische oorzaak voor heropleving handel

b)

Economisch gevolg van heropleving handel

c)

Economische oorzaak voor machtsuitbreiding vorsten

d)

Economisch gevolg van machtsuitbreiding vorsten

83.

Wat past bij "volksverhuizingen zorgen voor het binnendringen van vijandige volkeren in het Romeinse Rijk"?

a)

Politieke oorzaak voor val Romeinse Rijk

b)

Sociaal gevolg van val Romeinse Rijk

c)

Militaire oorzaak voor heropleving handel

d)

Cultureel gevolg van heropleving handel

84.

Wat past bij "de Germaanse krijgsheer Odoaker zet de laatste Romeinse keizer in 476 n.Chr. af"?

a)

Politieke oorzaak voor val Romeinse Rijk

b)

Politiek gevolg van val Romeinse Rijk

c)

Economische oorzaak voor heropleving handel

d)

Politiek gevolg van heropleving handel

85.

Wat voor soort samenleving was het Romeinse Rijk?

a)

Landbouwstedelijke samenleving

b)

Landbouwsamenleving

c)

Nomadische samenleving

d)

Industriële samenleving

86.

Wat voor soort samenleving was er ten tijden van de Vroege Middeleeuwen?

a)

Landbouwstedelijke samenleving

b)

Landbouwsamenleving

c)

Nomadische samenleving

d)

Industriële samenleving

87.
In de tijd van monniken en ridders gingen boeren op domeinen wonen omdat...
a)
De mooiste huizen op het domein van de heer stonden
b)
Je op een domein zeker wist dat je altijd genoeg te eten had
c)
mensen dachten/hoopten dat het leven op een domein veiliger was.
d)
mensen het belangrijk vonden om bij elkaar te wonen
88.

Herendiensten zijn...

a)

Betaalde klusjes die de Heer voor de horigen moest doen

b)

Betaalde klusjes die horigen voor de heer moesten doen.

c)

Onbetaalde klusjes die de Heer voor de horigen moest doen

d)

Onbetaalde klusjes die horigen voor de heer moesten doen.

89.
Het systeem met horigen op een domein noemen we het...
a)
Leenstelsel
b)
Hofdomein
c)
Hofstelsel
d)
Leendomein
90.

De bevolking was ook in de late middeleeuwen nog steeds verdeeld volgens de standensamenleving. Benoem de 3 standen.

4 lines
91.

Wanneer speelde de late middeleeuwen zich af?

a)

500-1500

b)

1000-1500

c)

1500-2000

d)

500-1000

92.

Tijdens het begin de late middeleeuwen groeide de opbrengst van de landbouw (landbouwoverschotten).

Welke van onderstaande oorzaken droeg NIET bij aan de landbouwoverschotten?

a)

De pest

b)

drieslagstelsel

c)

het feodalestelsel

d)

de ijzeren ploeg

93.

In de late middeleeuwen werd Europa een....

a)

landbouw-stedelijke samenleving

b)

stedelijke samenleving

c)

landbouw samenleving

d)

industriële samenleving

94.

Wanneer begon de eerste kruistocht?

a)

1096

b)

1085

c)

1099

d)

1066

95.

Twee uitspraken;

1) De eerste kruistocht was een groot succes

2) het christenleger wist Jeruzalem te veroveren


zijn de uitspraken waar of fout?

a)

1) waar, 2) fout

b)

1) fout, 2) waar

c)

beide waar

d)

beide fout

96.
In  de eerste kruistocht gingen vooral  gewone mensen mee.
a)
Goed
b)
Fout
97.

Twee uitspraken:

1. De voornaamste reden voor de mensen in Europa op om kruistochten te gaan was om de moslims uit Jeruzalem te verdrijven.

2. Het is door de kruistochten gelukt om de moslims uit het Heilige Land te verdrijven.

a)

1 is goed en 2 is fout

b)

1 is fout en 2 is goed

c)

Beide zijn fout

d)

Beide zijn goed

98.

In de tijd van steden en staten ontstonden er veel steden. Waarom?

a)

Dat kwam door de adel, horigen moesten van hen bij het kasteel gaan wonen.

b)

Dat kwam door de handel. Handelaren zochten een veilige plek waar veel mensen konden komen. Daar groeide een stad.

c)

Dat kwam door de rovers. Ze dreven mensen bij elkaar op een plek. Daar gingen mensen huizen bouwen.

d)

Dat kwam door de ontginningen. Daardoor kwam er veel nieuwe bouwgrond beschikbaar.

99.

Welk begrip wordt omschreven?

"Het land werd verdeeld in drie stukken. Het eerste stuk werd bezaaid voor oogst in de lente. Het tweede stuk werd bezaaid voor oogst in de herfst. Het derde stuk land kreeg een jaar om te rusten".

a)

domeinstelsel

b)

keerploeg

c)

drieslagstelsel

d)

ontginning

100.

Wat was het gevolg van het voedseloverschot op het platteland na 1000

a)

Het voedseloverschot ruilden ze op de markt in de stad voor producten. Er ontstond zo meer handel in de stad.

b)

De boeren werden door het voedseloverschot sterker en kwamen in opstand tegen hun leenheren.

c)

Door een groot tekort aan boeren kon veel voedsel niet verwerkt worden waardoor er hongersnoden ontstonden na het jaar 1000.

d)

Veel burgers in de steden trokken naar het platteland om ook boer te worden.

101.

Twee uitspraken:

1) Tijdens de Honderdjarige Oorlog ontstonden Engeland, Frankrijk en Duitsland als staten in Europa

2) De Honderdjarige Oorlog werd gewonnen door Engeland.

a)

1 is juist, 2 is onjuist

b)

1 is onjuist, 2 is juist

c)

beide zijn juist

d)

beide zijn onjuist

102.

Al eeuwen lang werd het verhaal "de tocht naar Canossa" doorverteld over een Duitse vorst die op blote voeten in de koude sneeuw naar de stad Canossa trok om vergeving te vragen.

Bij welk conflict uit de Late Middeleeuwen hoort dit verhaal?

a)

De strijd tussen de paus en vorsten

b)

De kruistochten

c)

De Honderdjarige Oorlog

d)

De Hanze

103.

Wat zijn burgers? (in de Middeleeuwen)

a)

mensen op een domein

b)

mensen in een land

c)

mensen in een stad

d)

mensen in een staat

104.

Wat betekent het begrip: vogelvrij?

a)

Protestanten die naar zee waren gevlucht, en vanaf zee tegen de Spanjaarden vochten.

b)

Het verdrag waarmee Spanje en de Nederlanden hun oorlog beëindigde.

c)

Iemand die niet door de wetten van een land wordt beschermd. Deze persoon mag gedood worden.

d)

De naam van de tachtigjarige oorlog.

105.

Op de afbeelding zie je:

a)

Kerkendonder

b)

Bliksemraad

c)

Verwoestingsgolf

d)

Beeldenstorm

106.

Wie was Willem van Oranje?

a)

Een horige boer die naar Engeland vlucht.

b)

Een edelman die naar Duitsland vlucht.

c)

Een man van adel die naar Frankrijk vlicht.

d)

Een voorvader van koningin Maxima.

107.

Wie was de vader van Filips II?

a)

Karel V

b)

Willem van Oranje

c)

Karel de Grote

d)

Hendrik V

108.

Welke twee geloven hadden in Europa tijdens de tweede helft van de middeleeuwen ruzie met elkaar?

a)

Moslims en katholieken.

b)

Katholieken en Joden

c)

Protestanten en Christenen

d)

Protestanten en katholieken.

109.

Wat soort kerk zie je op de afbeelding?

a)

Protestantse kerk

b)

Katholieke kerk

110.

Wat soort kerk zie je op de afbeelding?

a)

Katholieke kerk

b)

Protestantse kerk

111.

Tijdvak 4 heet:

a)

De tijd van steden en schepen

b)

De tijd van staten en kerken

c)

De tijd van steden en staten

d)

De tijd van Willen van Oranje