Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H 5 hh 1 kgt

Total questions: 33

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer speelde de late middeleeuwen zich af?

a)

500-1500

b)

1000-1500

c)

1500-2000

d)

500-1000

2.

In de late middeleeuwen werd Europa een....

a)

landbouw-stedelijke samenleving

b)

stedelijke samenleving

c)

landbouw samenleving

d)

industriële samenleving

3.

Wie gaf een stad stadsrechten?

a)

Koning/landheer

b)

de Paus

c)

De bisschop

d)

de rentmeester

4.

Een handige plek om een stad te beginnen in de Middeleeuwen was

a)

bij een kanaal

b)

een kruispunt van wegen

c)

een spoorlijn

d)

bij een landhuis

5.

Een beroep waarbij je producten met de hand maakt.

a)

Gilde

b)

Ambacht

c)

Hanze

d)

Handel

6.
De drie standen in de middeleeuwen waren.....
a)
Koningen, monniken en boeren
b)
Keizers, paus en kardinalen en boeren
c)
Geestelijkheid, adel en boeren
d)
Ridders, Boeren en Horigen
7.

Wat is een Hanze?

a)

Samenwerkingsverband van handelaren en steden

b)

Samenwerkingsverband van een groep geestelijken binnen het Christendom

c)

Een militair verbond tussen Duitse en Hollandse adel

d)

Een samenwerkingsverband tussen verschillende dienstsectoren binnen een stad

8.

Wat was geen reden om op kruistocht te gaan?

a)

De bedreiging van de christelijke heiligdommen door de moslims.

b)

Zonden zouden worden vergeven

c)

Het was een avontuurlijke tocht waarbij ze hoopten op grond en goud als beloning

d)

Het was een reis waarbij je een positie aan het hof van koning of paus kon krijgen

9.

Bij welke paus klopte de Byzantijnse keizer aan om hulp ten tijde van de eerste kruistocht?

a)

Paus Urbanus I

b)

Paus Gregorius VII

c)

Paus Urbanus II

d)

Paus Clemens III

10.

Op basis van welke factoren zijn de kruistochten ontstaan?

a)

Byzantijnse keizer heeft hulp nodig

b)

De oprukkende islambeweging

c)

Eigen gebieden zijn enorm schaars in rijkdom

11.

Wanneer speelde de late middeleeuwen zich af?

a)

500-1500

b)

1000-1500

c)

1500-2000

d)

500-1000

12.

In de late middeleeuwen werd Europa een....

a)

landbouw-stedelijke samenleving

b)

stedelijke samenleving

c)

landbouw samenleving

d)

industriële samenleving

13.

Wie gaf een stad stadsrechten?

a)

Koning/landheer

b)

de Paus

c)

De bisschop

d)

de rentmeester

14.

Welke functie uit het middeleeuwse stadsbestuur bestaat nu nog?

a)

Schepenen

b)

Wethouder

c)

Burgermeester

d)

Schout

15.

begrip: Een poging van christelijke legers (van 1096 tot 1270) om Jeruzalem in Palestina in bezit te krijgen.

a)

bedevaart

b)

centraal bestuur

c)

Hanze

d)

kruistocht

16.

Wat was een gilde?

a)

Een club van vooraanstaande mensen

b)

Een beroepsvereniging (soort vakbond)

c)

Het bestuur van een stad

d)

De verzekering van mensen in de middeleeuwen

17.

Waar heeft het plaatje mee te maken?

a)

Nachtrust van de Adel

b)

De Pest

c)

Zwarte magie

d)

Koning en Koning

18.

De volgende groepen organiseerden zichzelf in gilden:

a)

Kooplieden

b)

Ambachtslui

c)

Boeren

d)

lagere adel

19.

Wat beloofde de paus aan de kruisvaarders wanneer ze deelnamen aan de kruistocht?

a)

de Kerk zich zal buigen over hun vrouwen en kinderen

b)

hun zonden worden kwijtgescholden

c)

hun plaats in de hemel ligt vast

d)

eeuwig leven op aarde

20.

Waar of niet waar?

De Paus organiseerde een kruistocht om Jeruzalem te bevrijden.

a)

waar

b)

niet waar

21.

Waar of niet waar?

De Paus zei tegen de christenen dat ze in de hel zouden belanden als ze niet meededen aan de kruistocht.

a)

waar

b)

niet waar

22.
Als een lid van het gilde ziek werd, zorgden de andere leden voor hem en zijn gezin.
a)
Juist
b)
Onjuist
23.

Waar heeft het plaatje mee te maken?

a)

Nachtrust van de Adel

b)

De Pest

c)

Zwarte magie

d)

Koning en Koning

24.

Een handige plek om een stad te beginnen in de Middeleeuwen was

a)

bij een kanaal

b)

een kruispunt van wegen

c)

een spoorlijn

d)

bij een landhuis

25.

Een beroep waarbij je producten met de hand maakt.

a)

Gilde

b)

Ambacht

c)

Hanze

d)

Handel

26.
De drie standen in de middeleeuwen waren.....
a)
Koningen, monniken en boeren
b)
Keizers, paus en kardinalen en boeren
c)
Geestelijkheid, adel en boeren
d)
Ridders, Boeren en Horigen
27.

Wat zijn kenmerken van een stedelijk gebied?

a)

De gebouwen staat dicht op elkaar.

b)

Er is veel ruimte tussen de gebouwen.

c)

Er is veel werk.

d)

Er is weinig werk.

28.

Het historisch tijdvak dat duurde van 1000 tot 1500 noemen we...

a)

historische feiten

b)

marktplaatsen

c)

middeleeuwen

d)

tijd van de steden en staten

29.

Wat is een Hanze?

a)

Samenwerkingsverband van handelaren en steden

b)

Samenwerkingsverband van een groep geestelijken binnen het Christendom

c)

Een militair verbond tussen Duitse en Hollandse adel

d)

Een samenwerkingsverband tussen verschillende dienstsectoren binnen een stad

30.

Welke steden waren Hanze steden?

a)

Amsterdam

Rotterdom

Gouda

Breda

b)

Maastricht

Luik

Kerkrade

Helmond

c)

Groningen

Zutphen

Deventer

Kampen

d)

Utrecht

Almere

Emmeloord

Urk

31.

Wat was het gevolg van het voedseloverschot op het platteland na 1000

a)

Het voedseloverschot ruilden ze op de markt in de stad voor producten. Er ontstond zo meer handel in de stad.

b)

De boeren werden door het voedseloverschot sterker en kwamen in opstand tegen hun leenheren.

c)

Door een groot tekort aan boeren kon veel voedsel niet verwerkt worden waardoor er hongersnoden ontstonden na het jaar 1000.

d)

Veel burgers in de steden trokken naar het platteland om ook boer te worden.

32.

Wat was het doel van de Kruistochten?

a)

Om het Heilige Land te heroveren en de verspreiding van de islam te stoppen.

b)

Om politieke macht te vergroten

c)

Om nieuwe landen te ontdekken

d)

Om handel te bevorderen

33.

Wat was een voordeel van de Kruistochten?

a)
Vermindering van religieuze spanningen
b)

Bevordering van handel

c)
Bevordering van vrede tussen christenen en moslims
d)
Versterking van de Europese economie