wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Samenvatting toetsweek 3 Mavo2

Total questions: 60

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Een geluidstrilling heeft een grote amplitude. Wat is waar?

a)

De geluidssterkte klein (een zacht geluid)

b)

De geluidssterkte is groot (een hard geluid)

c)

De toonhoogte hoog.

d)

De toonhoogte laag.

2.

Welk apparaat gebruik je om de geluidssterkte te meten?

a)

Oscilloscoop

b)

Microfoon

c)

Speaker

d)

Decibelmeter

3.

Welke eenheid gebruik je voor geluidssterkte?

a)

Decibel

b)

Hertz

c)

Meter

d)

Golflengte

4.

Maatregelen tegen geluidsoverlast kan alleen bij de geluidsbron.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Om geluidsoverlast van een snelweg te beperken gebruiken we tegenwoordig geluidsarm asfalt. Dit is een maatregel bij de ......

a)

bron

b)

tussen de bron en de ontvanger

c)

ontvanger

6.

Om bij een concert geen gehoorschade op te lopen doen veel mensen oordopjes in. Dit is een maatregel bij de ......

a)

bron

b)

tussen de bron en de ontvanger

c)

ontvanger

7.

In een bioscoopzaal zijn de muren voorzien van geluidsisolatie. Dit is een maatregel bij de ......

a)

bron

b)

tussen de bron en de ontvanger

c)

ontvanger

8.

Welke toon is het sterkst?

a)

P

b)

Q

c)

Beide even sterk

9.

Sjors roept zijn naam in een 42 m diepe put en hoort even later de echo. De snelheid van geluid in lucht is 336 m/s.

          Bereken na hoeveel tijd Sjors de echo van zijn naam hoort.

(a)  

10.

Geluid wordt veroorzaakt door trillingen.

          Wat trilt er als je een mug hoort zoemen?

(a)  

11.

Een gele trui wordt beschenen door een blauwe lamp.

Je ziet deze trui dan:

a)

geel

b)

blauw

c)

zwart

d)

groen

12.

Waarvan hangt het aantal schaduwen van een voetballer in een verlicht stadion bij een avondwedstrijd af?

a)

van de positie van de voetballer

b)

van het aantal voetballers op het veld

c)

van het tijdstip op de avond

d)

van het aantal lichtmasten

13.

Een kunstmatige lichtbron is...?

a)

door de mens gemaakt.

b)

komt voor in de natuur.

14.

Licht is altijd afkomstig van

a)

de zon

b)

een lamp

c)

iets wits

d)

een lichtbron

15.

Welke soort licht zie je op de afbeelding?

a)

gammastraling

b)

infrarood-straling

c)

röntgenstraling

d)

microgolven

16.

Een regendruppel breekt zonlicht.

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Is op de afbeelding sprake van kunstmatig-licht of natuurlijk-licht

a)

kunstmatig-licht

b)

natuurlijk-licht

18.

Achter een brandende kaars staat een foto.

In welke van de afbeeldingen is de schaduw juist weergegeven.

a)

A

b)

B

c)

C

19.

Als je het klein beeldje dichter bij de lichtbron schuift dan wordt de schaduw groter.

a)

juist

b)

onjuist

20.

Snelheid bereken je met...

a)

...afgelegde afstand gedeeld door de tijd

b)

...tijd gedeeld door de afgelegde afstand

c)

... afstand gedeeld door 3,6

21.

Eén uur = .... seconden.

a)

60

b)

120

c)

3600

d)

216000

22.

massa...

a)

is een eenheid met gram als grootheid

b)

is een eenheid met gewicht als grootheid

c)

is een grootheid met gram als eenheid

d)

is een grootheid met gewicht als eenheid

23.

Welke faseovergang zie je hier afgebeeld?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Sublimeren

24.

op de foto (jus d'orange) zie je een

a)

oplossing

b)

suspensie

c)

emulsie

25.

op de foto zie je een

a)

oplossing

b)

suspensie

c)

emulsie

26.

wat is de faseovergang als een stof van gas fase naar vaste fase gaat?

a)

sublimeren

b)

verdampen

c)

rijpen

d)

condenseren

27.

elke stof bestaat uit zijn eigen soort moleculen.

a)

waar

b)

niet waar

28.
Het licht op je fiets werkt op elektriciteit. Om elektriciteit te krijgen heb je een spanningsbron nodig.Welk antwoord bevat alleen maar spanningsbronnen?
a)
Batterij, spaarlamp, generator
b)
Kachel, gloeilamp, batterij
c)
Dynamo, generator, batterij
d)
Oven, spaarlamp, dynamo
29.

welke van de 4 opties is een geleider?

a)

Koper

b)

plastic

c)

rubber

d)

Hout

30.

je ziet hier een schakeling. Wat wijst het pijltje aan?

a)

Batterij

b)

krokodillen tangen

c)

schakelaar

d)

gebroken draad

31.

Welke stof is GEEN geleider?

a)

Ijzer

b)

Koolstof

c)

Koper

d)

Plastic

32.
Het plaatje is het symbool van een:
a)
Batterij
b)
Een gesloten schakelaar
c)
Een geopende schakelaar
d)
Een lamp
33.
Hoeveel stroomkringen heeft het schakelschema in het plaatje?
a)
3
b)
5
c)
6
d)
7
34.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
35.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
36.

met welke formule kun je de afstand bereken

a)

s = v : t

b)

s = t : v

c)

s = v x t

37.

een balkje is 4 centimeter lang, 2 centimeter breed en 3 centimeter hoog. Wat is het volume van het balkje

a)

240 cm3

b)

24 cm3

c)

2,4 cm3

d)

0,24 cm3

38.

je handen zijn warm genoeg om een gas iets te verwarmen.

a)

niet waar

b)

waar

39.

Scheidingsmethode waarbij je een filter gebruikt om een vloeistof en een vaste stof te scheiden.

a)

filtereren

b)

indampen

c)

extraheren

d)

centrifugeren

40.

Scheidingsmethode waarbij je een opgeloste stof scheidt van het oplosmiddel op basis van het kookpunt.

a)

filtereren

b)

indampen

c)

extraheren

d)

centrifugeren

41.

Scheidingsmethode waarbij je stoffen scheidt van het oplosmiddel op basis van de oplosbaarheid.

a)

filtereren

b)

indampen

c)

extraheren

d)

centrifugeren

42.

Temperatuur waarbij een stof van een vloeistof in een gas verandert.

a)

Kookpunt

b)

stolpunt

c)

smeltpunt

43.

Temperatuur waarbij een stof van een vaste stof in een vloeistof verandert.

a)

Kookpunt

b)

stolpunt

c)

smeltpunt

44.

De spanning wordt uitgedrukt in ?

a)

Spanning

b)

Ampere

c)

Stroom

d)

Volt

45.

Een stroom van 10 ampère schrijven wij als ?

a)

10mA

b)

10Am

c)

10 A

d)

10 m

46.

Om het vermogen te berekenen gebruiken wij de formule:

a)

U=I x R

b)

I=U x R

c)

P=U x I

d)

U=P x I

47.

Je ziet een stroboscopische foto van een proef met een luchtkussenbaan. De beweging begint in a.


Kies de juiste mogelijkheid.

a)

tussen a en b beweegt het voorwerp wel versneld

b)

tussen a en b beweegt het voorwerp niet versneld

48.

Je ziet vier afstand-tijddiagrammen van verschillende bewegingen.


Welk diagram hoort bij een versnelde beweging?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

49.

Je ziet vier afstand-tijddiagrammen van verschillende bewegingen.


Welk diagram hoort bij een vertraagde beweging?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

50.

Een motorrijder rijdt met een steeds groter wordende snelheid over een raceparcours.


Is dit een eenparige beweging?

a)

ja

b)

nee

51.

Je ziet vier afstand-tijddiagrammen van verschillende bewegingen.


Welk diagram hoort bij stilstand?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

52.

Roel ziet een hond in de verte blaffen. De blaf hoort hij 0,3 seconden later. Hoe ver staan Roel en de hond van elkaar af?

a)

102 m

b)

1133 m

c)

450 m

d)

5000 m

53.

De vleugels van een vrouwtjes mug klappen 3360 keer in 6 seconden. Wat is de frequentie van het gezoem?

a)

560 Hz

b)

20160 Hz

c)

33600 Hz

d)

336 Hz

54.

Bereken de frequentie van het geluid met behulp van de grafiek. Let op: de tijd staat in milliseconden (1 ms = 0,001 s).

a)

187,5 Hz

b)

200 Hz

c)

5 Hz

d)

5,3 Hz

55.

800 mL= (a)   L

56.

Een glas heeft een volume van 93 cm3 en weegt 232,5 gram, bereken de dichtheid van het glas.

a)

4 g/cm3

b)

21622,5 g/cm3

c)

2,5 g/cm3

d)

0,4 g/cm3

57.

Bereken uit plaatje van onderdompelmethode het volume

a)

32 ml

b)

85 ml

c)

65 ml

d)

20 ml

58.

Hoe heet het vaste stof dat door het filter loopt?

a)
Koffiedik
b)

filtraat

c)

residu

d)
Waterdruppels
59.

Hoe heet het vaste stof dat boven in het filter vast blijft?

a)
Koffiedik
b)

filtraat

c)

residu

d)
Waterdruppels
60.

Wat voor soort mengsel is dit?

a)

emulgator

b)

oplossing

c)

emulsie

d)
Suspensie