wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Klimaat en landschap

Total questions: 19

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent weer?

a)

Het gemiddelde weer over een periode van 30 jaar.

b)

De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment.

c)

De temperatuur op een bepaalde plek.

d)

Alle vormen van regen en wind bij elkaar.

2.

Wat zijn de 3 belangrijkste kenmerken van weer?

a)

Neerslag, wind en water.

b)

Neerslag, water en temperatuur.

c)

Neerslag, temperatuur en wind.

d)

Temperatuur, wind en water.

3.

In welke zin staan allemaal vormen van neerslag?

a)

Regen, sneeuw, hittegolf

b)

Regen, sneeuw, hagel

c)

Hagel, sneeuw, ijskappen

d)

Regen, hagel, ijsbergen

4.
wat verandert het weer?
a)
wind, hoogteligging, aan zee.
b)
wind, hoogteligging
c)
hoge bomen
d)
geen antwoord is goed
5.

Welke zin klopt volledig?

a)

Aanlandige wind zorgt in Nederland in de zomer voor warmere temperaturen

b)

Aanlandige wind zorgt in Nederland in de zomer voor verkoeling

c)

Aanlandige wind zorgt in Nederland in de winter voor verkoeling

6.

Breedteligging is de afstand van een plaats of gebied tot aan de Evenaar (in graden)

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Op lage breedte is het warmer dan op hoge breedte.

Dit komt doordat zonnestralen een kleinere afstand hoeven af te leggen & ze een kleiner oppervlakte hoeven te verwarmen (dan op hoge breedte).

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Wat warmt sneller op door de zon?

a)

Land

b)

Water

9.

Waar is het in de zomer warmer. In Amsterdam of in Saratov.

(a)  

10.

Waar is het in de winter warmer?

In Amsterdam of in Saratov.

(a)  

11.

Iemand die metingen doet over het weer en het weer voorspelt.

(a)  

12.

Wat is smog?

a)

De uitlaatgassen van auoto's.

b)

Dikke mist met veel giftige stoffen erin.

c)

Vervuild zeewater.

d)

Dikke mist die wordt gevormd boven zee.

13.

Over welk weerelement gaat de volgende zin.


In maart zitten mensen in Maastricht al in een t-shirt op een terras.

a)

Wind

b)

Temperatuur

c)

Neerslag

d)

Weerbericht

14.

Over welk weerelement gaat de volgende zin.


Er wordt vandaag in Hardenberg regen voorspeld maar in Gramsbergen blijft het droog.

(a)  

15.

Welke omschrijving past bij het zeeklimaat.

a)

De temperaturen zijn zomers erg hoog en in de winter gematigd. Er valt het hele jaar door neerslag.

b)

De temperaturen zijn in de zomer laag en in de winter hoog. Er valt het hele jaar door weinig neerslag.

c)

De temperaturen zijn niet erg hoog en niet erg laag.De neerslag valt het hele jaar door.

d)

De temperaturen zijn niet erg hoog en niet erg laag. Er valt alleen in de zomer veel neerslag.

16.

Wat is aanlandige wind ?

a)

Wind die vanaf zee naar het land toewaait.

b)

Wind die vanaf land naar de zee toewaait.

c)

Wind die over heel Europa waait.

17.

Wat zijn de 3 belangrijkste kenmerken van klimaat?

a)

Neerslag, wind en water.

b)

Neerslag, water en temperatuur.

c)

Neerslag, temperatuur en wind.

d)

Temperatuur, wind en water.

18.

Welke zin is juist?

a)

Aanlandige wind zorgt in Nederland in de zomer voor warmere temperaturen

b)

Aanlandige wind zorgt in Nederland in de zomer voor verkoeling

c)

Aanlandige wind zorgt in Nederland in de winter voor verkoeling

19.

Wat koelt sneller af bij zonsondergang?

a)

Land

b)

Water