wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling les 28, 28 + deel 5

Total questions: 106

Worksheet time: 51mins

Name
Class
Date
1.

De date van klimaatspijbelaar Amy

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

2.

De date van de klimaatspijbelaar Amy

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

3.

Nadat Amy deze ochtend wakker werd op zolder, waar zij

slaapt, trok zij een hoody aan.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

4.

Nadat Amy deze ochtend wakker werd op zolder, waar zij

slaapt, trok zij een hoody aan.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

5.

Ze had er ontzettend zin in vandaag, want voor het eerst ging ze op date. Een half uur na het ontbijt, liep Amy over het trottoir richting de bioscoop, waar ze Piet zou ontmoeten.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

6.

Ze had er ontzettend zin in vandaag, want voor het eerst ging ze op date. Een half uur na het ontbijt, liep Amy over het trottoir richting de bioscoop, waar ze Piet zou ontmoeten.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

7.

Ze had er ontzettend zin in vandaag, want voor het eerst ging ze op date. Een half uur na het ontbijt, liep Amy over het trottoir richting de bioscoop, waar ze Piet zou ontmoeten.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

8.

Ze had er ontzettend zin in vandaag, want voor het eerst ging ze op date. Een half uur na het ontbijt, liep Amy over het trottoir richting de bioscoop, waar ze Piet zou ontmoeten.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

9.

Ze zouden samen een spannende film gaan kijken.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

10.

Maar eerst wou ze nog langs een winkel om een leuk cadeau voor Piet uit te zoeken.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

11.

Ze wilde tonen dat ze niet skeer was en vond snel een leuk spel.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

12.

Ze wilde tonen dat ze niet skeer was en vond snel een leuk spel.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

13.

Toen Amy aankwam bij de bioscoop zag ze Piet daar naast zijn scooter staan en rookte een sjoemelsigaret.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

14.

Toen Amy aankwam bij de bioscoop zag ze Piet daar naast zijn scooter staan en rookte een sjoemelsigaret.

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

15.

Samen liepen ze naar binnen en Piet hield de deur als een echte gentleman voor haar open. Nu kon de date beginnen!

a)

inheems woord

b)

bastaardwoord

c)

vreemd woord

d)

neologisme

16.

Welk moeilijke woord gebruiken we voor 'een nieuw woord in een taal'.

a)

inheems woord

b)

vreemd woord

c)

bastaardwoord

d)

neologisme

17.

Wat zijn 'leenwoorden'?

a)

woorden van Nederlands oorsprong

b)

woorden die we uit een andere taal hebben overgenomen

c)

nieuwe woorden

18.

Wat zijn 'inheemse woorden'?

a)

woorden van Nederlands oorsprong

b)

woorden die we uit een andere taal hebben overgenomen

c)

nieuwe woorden

19.

We hebben twee soorten leenwoorden. Welke?

a)

vreemde woorden en niet-vreemde woorden

b)

bastaardwoorden en inheemse woorden

c)

vreemde woorden en bastaardwoorden

20.

Geef één van de vertelperspectieven.

(a)  

21.

Wat is geen kenmerk van de belevende ik?

a)

Je leest de gedachten van één personage

b)

Je weet niet meer dan het ik-personage

c)

In het verhaal komt maar één personage voor

22.

Een personeel perspectief volgt een hij- of zij-personage uit het boek.

a)

ja

b)

nee

23.

Het auctorieel en alwetend perspectief zijn twee verschillende vormen

a)

ja

b)

nee

24.

Bij welk(e) perspectieven komt de verteller als personage voor in het verhaal?

a)

belevende ik

b)

personeel perspectief

c)

alwetend/auctoriaal perspectief

d)

vertellende ik

25.

Aan welk woord kan je een ik-perspectief herkennen?

(a)  

26.

Wat is er speciaal aan het auctorieel/alwetend perspectief?

a)

Je weet meer dan de personages

b)

De personages kennen de verteller

c)

Je kan in de toekomst kijken

d)

De verteller is geen personage in het verhaal

27.
Mijn broer is in een nieuwe fase: hij laat nu zijn ... staan.
a)
bakkebaarden
b)
bakkenbaarden
28.
Mijn horloge is stuk. Morgen moet ik naar de ...
a)
horlogesmaker
b)
horlogenmaker
c)
horlogemaker
29.
Vroeger maalde men het graan op een ...
a)
molensteen
b)
molesteen
c)
molenssteen
30.
Als ik volgend jaar op kot ga in Gent, dan moet ik tijdig beginnen zoeken naar een leuke ...
a)
studentenkamer
b)
studentekamer
c)
studenteskamer
31.
In de GFT bak hoort het...
a)
groentenafval
b)
groentesafval
c)
groenteafval
32.
Die man heeft te veel gedronken, een echte...
a)
dronkeman
b)
dronkenman
33.
Vrouw onwel geworden door ...
a)
benzinendamp
b)
benzinedamp
c)
benzinesdamp
d)
benzindamp
34.
Mijn klein zusje is op een leeftijd gekomen waarop ze de ene ... na de andere uithaalt.
a)
apenstreek
b)
apestreek
35.
De mooiste vogelzang is die van de ...
a)
nachtegaal
b)
nachtengaal
c)
nachtesgaal
36.
Mijn glas is echt ... . Er kan niets meer bij. 
a)
boordenvol
b)
boordevol
37.
Kevin De Bruyne is een echte...
a)
klassenspeler
b)
klassespeler
c)
klassesspeler
38.
Als je als 3-jarige een chocolade-ijsje gegeten hebt, dan is de kans groot dat je ... helemaal volhangt.
a)
kinnenbank
b)
kinnebak
39.
In Canada heb ik diep in het bos een ... hol gevonden.
a)
berenhol
b)
berehol
40.
Wat een moeilijk vraagstuk. Ik begrijp er geen ... van!
a)
sikkepit
b)
sikkenpit
41.
De leerlingen volgen de .... en wachten verlangend op het belsignaal.
a)
secondenwijzer
b)
secondeswijzer
c)
secondewijzer
42.
Ik ben gisteren op mijn ... gevallen en ik voel het nog steeds.
a)
ellenboog
b)
elleboog
43.
Wat een ...! Kan hij ons niet gewoon met rust laten!
a)
bullebak
b)
bullenbak
44.
Mijn lievelingsbrood is ...
a)
roggenbrood
b)
roggebrood
45.
Dat kindje is helaas gestorven aan ...
a)
wiegendood
b)
wiegedood
46.
Het is waarschijnlijk lang geleden dat hier nog eens gepoetst werd; het huis hangt vol met ...
a)
spinnenwebben
b)
spinnewebben
47.
In deze winkel verkopen ze voornamelijk ...
a)
dameschoenen
b)
damesschoenen
48.
Ah ze serveren mijn favoriete soep: ...
a)
aspergessoep
b)
aspergensoep
c)
aspergesoep
49.
Ik moet in de ... zijn, maar mijn GPS doet het niet meer.
a)
Stationstraat
b)
Stationsstraat
50.
Vorige woensdag gingen we met de kleinsten op .... in het bos.
a)
paddestoelenjacht
b)
paddenstoelenjacht
51.
Wat hebben die ... toch zo'n ouderwetse snit.
a)
agenterokjes
b)
agentenrokjes
c)
agentesrokjes
d)
agenterrokjes
52.
Dat is larie en ...
a)
apenkool
b)
apekool
53.
Ik kan genieten van .... op mijn gezicht.
a)
zonnenschijn
b)
zonnesschijn
c)
zonneschijn
54.
Op koopzondag zijn de ... uitzonderlijk wel geopend.
a)
handelzaken
b)
handelszaken
55.
In Nederland vieren ze elk jaar ...
a)
Koninginnedag
b)
Konininginnendag
c)
Koninginnesdag
56.
Romeo vroeg Juliet in de ... of zij voor altijd de zijne wou zijn. 
a)
manesschijn
b)
manenschijn
c)
maneschijn
57.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De coach besprak de tactiek met de kinderen.

a)

de coach

b)

de tactiek

c)

de kinderen

d)

besprak

58.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De coach besprak de tactiek met de kinderen.

a)

de coach

b)

de tactiek

c)

de kinderen

d)

besprak

59.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Plotseling hoorden we een hoge pieptoon.

a)

plotseling

b)

hoorden

c)

pieptoon

d)

een hoge pieptoon

60.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Zij liet het estafettestokje bijna vallen.

a)

Zij

b)

estafettestokje

c)

het estafettestokje

d)

vallen

61.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Kun je het lijdend voorwerp vinden in deze zin?

a)

het lijdend voorwerp

b)

in deze zin

c)

kun je vinden

d)

vinden

62.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Jens kreeg veel cadeautjes voor zijn verjaardag.

a)

Jens

b)

voor zijn verjaardag

c)

cadeautjes

d)

veel cadeautjes

63.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Mijn oma vindt het schilderij van Jeroen Bosch heel mooi.

a)

het schilderij

b)

mijn oma

c)

het schilderij van Jeroen Bosch

d)

heel mooi

64.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Hij liet op zijn mobieltje een gekke foto zien.

a)

op zijn mobieltje

b)

een gekke foto

c)

hij

d)

liet zien

65.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De politie nam de insluiper mee naar het bureau.

a)

De politie

b)

de insluiper

c)

het bureau

d)

naar het bureau

66.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De boze juf gooide een stift door de klas.

a)

De boze juf

b)

gooide

c)

een stift

d)

door de klas.

67.

Zoek het meewerkend voorwerp:

Marion heeft de straatmuzikant haar laatste wisselgeld gegeven.

a)

Marion

b)

de straatmuzikant

c)

haar wisselgeld

d)

haar laatste wisselgeld

68.

Zoek het meewerkend voorwerp:

Leerlingen van het vierde jaar geven geld aan Warchild.

a)

het vierde jaar

b)

leerlingen

c)

aan Warchild

d)

geld

69.

Zoek het meewerkend voorwerp:

Ze vragen daarom leerlingen om flessen te sparen.

a)

leerlingen

b)

ze

c)

flessen

d)

vragen

70.

Wat is het meewerkend voorwerp?

Mario verklapte mij een geheim.

a)

Mario

b)

een geheim

c)

verklapte

d)

mij

71.

Wat is het meewerkend voorwerp?

De trainer gaf de spelers extra oefeningen.

a)

De trainer

b)

de spelers

c)

extra oefeningen

72.

Wat is het meewerkend voorwerp?

Je mag de rekening aan papa geven.

a)

Je

b)

de rekening

c)

aan papa

73.

Een bijwoordelijke bepaling is een zinsdeel dat je kan weglaten.

a)

Ja

b)

Nee

74.

Wat is in de volgende zin de bijwoordelijke bepaling?

In het huis aan de overkant woont een journalist van De Telegraaf.

a)

In het huis aan de overkant

b)

woont

c)

een journalist

d)

van De Telegraaf

75.

Wat is in de volgende zin de bijwoordelijke bepaling?

De Franse nationale feestdag valt op 14 juli.

a)

De Franse nationale feestdag

b)

14 juli

c)

op 14 juli

d)

valt

76.

Wat is in de volgende zin de bijwoordelijke bepaling?

Het hardrockcafé werd vanwege geluidsoverlast gesloten.

a)

Het hardrockcafé

b)

vanwege

c)

vanwege geluidsoverlast

d)

gesloten

77.

We hebben 4 soorten ruimtes in de literatuur.

a)

juist

b)

fout

78.

Geef één van de 4 ruimtes uit de literatuur.

(a)  

79.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

In reims kun je de heerlijkste champagne proeven.

(a)  

80.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

In november zetten we al een kerstboom in het salon klaar om kerstmis te vieren.

(a)  

81.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

Ik kan het west-vlaamse dialect moeilijk verstaan.

(a)  

82.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

In de paasvakantie zal mijn vader een nieuwe peugeot kopen.

(a)  

83.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

Anne Frank schreef haar beroemde dagboek tijdens de tweede wereldoorlog.

(a)  

84.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

Je kunt aan het Franse accent van mijn moeder horen dat nederlands haar tweede taal is.

(a)  

85.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

Ik mijn sportschoenen van adidas vergeten in de sporthal.

(a)  

86.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

Een belangrijke middeleeuwse held heette roeland.

(a)  

87.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

Het nieuwsblad berichtte zopas dat er een auto in de Schelde is gereden.

(a)  

88.

Benoem het bijwoord.

De jongen rende hard.

a)

jongen

b)

rende

c)

hard

d)

de

89.

Benoem het bijwoord.

De auto rammelt erg.

a)

auto

b)

rammelt

c)

erg

d)

de

90.

Benoem het bijwoord.

Dat is een bijzonder mooie fiets.

a)

bijzonder

b)

mooie

c)

fiets

d)

Dat

91.

Benoem het bijwoord.

Ik vind dat een heel rare uitleg.

a)

vind

b)

heel

c)

rare

d)

uitleg

92.

Benoem het bijwoord.

Hij koopt snel een nieuwe pen.

a)

koopt

b)

snel

c)

nieuwe

d)

pen

93.

Benoem het bijwoord.

Hij typt de zinnen verkeerd.

a)

typt

b)

zinnen

c)

verkeerd

d)

Hij

94.

Benoem het bijwoord.

Zij bouwde een ontzettend groot gebouw.

a)

bouwde

b)

ontzettend

c)

groot

d)

gebouw

95.

Benoem het bijwoord.

Dat was een enorm slechte grap.

a)

enorm

b)

slechte

c)

grap

d)

was

96.

Benoem het bijwoord.

Het eten smaakt vies.

a)

eten

b)

smaakt

c)

vies

d)

het

97.

Benoem het bijwoord.

We zagen het verschrikkelijk mooie vuurwerk.

a)

zagen

b)

verschrikkelijk

c)

mooie

d)

vuurwerk

98.

Benoem het bijwoord.

Dit is een zeer moeilijke som.

a)

Dit

b)

is

c)

moeilijke

d)

zeer

e)

som

99.

Wat is de functie van het onderstreepte woord:

'Het gouden horloge van Stephan is gestolen.'

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

100.

Wat is de functie van het onderstreepte woord?

Kato heeft het versleten, blauwe jasje eindelijk weggegooid.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

vragend voornaamwoord

101.

Benoem het bijvoeglijk naamwoord.

Het snelle konijn werd niet gevangen.

a)
snelle
b)
konijn
c)
werd
d)
gevangen
102.

Benoem het bijvoeglijk naamwoord.

Daarom wil ik het tamme konijn kopen.

a)
wil
b)
ik
c)
tamme
d)
konijn
103.

Benoem het bijvoeglijk naamwoord.

Dat is een knappe vrouw.

a)
dat
b)
is
c)
knappe
d)
vrouw
104.

Benoem het bijvoeglijk naamwoord.

Hij heeft een grote vis gevangen.

a)
heeft
b)
grote
c)
vis
d)
gevangen
105.

Benoem het bijvoeglijk naamwoord.

Het nieuwe tijdschrift kwam uit.

a)
het
b)
tijdschrift
c)
nieuwe
d)
kwam
106.

Benoem het bijvoeglijk naamwoord.

Dat ijzeren beeldje vind ik mooi.

a)
dat
b)
ijzeren
c)
beeldje
d)
mooi

Similar Resources on Wayground