wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Alles woordleer

Total questions: 57

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

Dat zegt iets over een ander woord.

b)

Dat zegt iets over een werkwoord.

c)

Dat zegt iets over de staat van de zin.

d)

Dat zegt iets over een zelfstandig naamwoord.

2.

Waar is een bijvoeglijk naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

3.

In welke zin is het zelfstandig naamwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

4.

In welke zin is het zelfstandig werkwoord vetgedrukt?

a)

Die lieve hond heeft op straat gepoept.

b)

Die lieve hond heeft op straat gepoept.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

5.

Waar is een voorzetsel vetgedrukt?

a)

Die lieve hond poepte op straat.

b)

Die lieve hond poepte op straat.

c)

Die lieve hond poepte op straat.

d)

Die lieve hond poepte op straat.

6.

Waar is het hulpwerkwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

c)

nergens

d)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

7.

Waar is het bepaalde lidwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

c)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

d)

nergens

8.

Waar is het bezittelijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

b)

nergens

c)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

d)

Heeft het leuke jongetje haar gepest?

9.

Waar is een onbepaald rangtelwoord vetgedrukt?

a)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

b)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

c)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

d)

nergens

10.

Waar is een onbepaald hoofdtelwoord vetgedrukt?

a)

nergens

b)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

c)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

d)

Een onbelangrijke fout wordt vaak als laatste ontdekt.

11.

In welke zin is een wederkerend voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

b)

Ik moet me elke dag wassen met koud water.

c)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

d)

Die soldaat moet zich elke dag wassen met koud water.

12.

In welke zin is een koppelwerkwoord vetgedrukt?

a)

Hij heeft zich in lange tijd niet zo enorm geschaamd.

b)

Hij heeft zich in lange tijd niet zo geschaamd.

c)

Omdat ze zo blij was, danste ze van plezier.

d)

Omdat ze zo blij was, danste ze van plezier.

13.

Waar is een zelfstandig naamwoord eigennaam, vetgedrukt?

a)

Woensdag gaat het meisje weer naar school.

b)

Woensdag gaat het meisje weer naar school.

c)

nergens

d)

Woensdag gaat het meisje weer naar school.

14.

Waar is een persoonlijk voornaamwoord vetgedrukt?

a)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

b)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

c)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

d)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

15.

Waar is een bijwoord vetgedrukt?

a)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

b)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

c)

nergens

d)

Hey, ga je mee, want ik weet een heel grote speeltuin.

16.

Woordsoorten zijn hetzelfde als zinsdelen.

a)

juist

b)

fout

17.

Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, een dier, een plant of een ...

(a)  

18.

Hoeveel lidwoorden bestaan er?

(a)  

19.

Mama geeft aan mijn zus een cadeautje. Cadeautje is een ...

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

lidwoord

d)

iets anders

20.

Een bijvoeglijk naamwoord (bn) zegt iets over een...

a)

een andere bn

b)

een lw

c)

een ww

d)

een zn

21.

Als een woord iets over een bn zegt, is het een bn
Bijvoorbeeld: heel veel snoepjes: heel is een bn.

a)

waar

b)

niet waar

22.

Het regent in het hele land. Wat is het bepaald lidwoord/ zijn de bepaalde lidwoorden?

a)

het, het

b)

de eerste 'het'

c)

de tweede 'het'

d)

geen lidwoorden in deze zin

23.

Welk soort zelfstandige naamwoorden zijn Maud, Nesta en Jolan?

(a)  

24.

Een zelfstandig naamwoord (zn) kun je altijd in het meervoud zetten.

a)

waar

b)

niet waar

25.

als 'een' 1 is, dan is het geen onbepaald lidwoord.
Ik heb deze weer maar één boek gelezen.

a)

waar

b)

niet waar

26.

Welk lidwoord is onbepaald?

a)

de

b)

het

c)

een

d)

geen

27.

Belgische wafels - Belgische is een eigennaam.

a)

waar

b)

niet waar

28.

Schaatsen is supertof. Supertof is een ...

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

bijwoord

d)

iets anders

29.

Hij lacht overdreven. Overdreven is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een bijvoeglijk naamwoord

c)

een lidwoord

d)

iets anders

30.

Welk woord is een soortnaam?

a)

april

b)

geit

c)

Kerstmis

d)

Amsterdam

31.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'heb'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

32.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'het'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

33.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'nieuwe'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

34.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'spel'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

35.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'Pokémon'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

36.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'gespeeld'?

a)

koppelwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

hulpwerkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

37.

De politie denkt dat mijn oudste broer lid is van een criminele bende.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden bevat deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

38.

De politie denkt dat mijn oudste broer lid is van een criminele bende.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden bevat deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

39.

Volgens mij is die lopende man de dief.

Wat is in deze zin het werkwoord?

(a)  

40.

De gelopen afstand was in totaal 14 kilometer.

Wat is in deze zin het bijvoeglijk naamwoord?

(a)  

41.

Wat is het bijwoord?

De jongen rende hard.

a)

jongen

b)

rende

c)

hard

d)

de

42.

Benoem het bijwoord.

De auto rammelt erg.

a)

auto

b)

rammelt

c)

erg

d)

de

43.

Benoem het bijwoord.

Dat is een bijzonder mooie fiets.

a)

bijzonder

b)

mooie

c)

fiets

d)

Dat

44.

Benoem het bijwoord.

Ik vind dat een heel rare uitleg.

a)

vind

b)

heel

c)

rare

d)

uitleg

45.

Benoem het bijwoord.

Hij koopt snel een nieuwe pen.

a)

koopt

b)

snel

c)

nieuwe

d)

pen

46.

Benoem het bijwoord.

Hij typt de zinnen verkeerd.

a)

typt

b)

zinnen

c)

verkeerd

d)

Hij

47.

Benoem het bijwoord.

Zij bouwde een ontzettend groot gebouw.

a)

bouwde

b)

ontzettend

c)

groot

d)

gebouw

48.

Benoem het bijwoord.

Dat was een enorm slechte grap.

a)

enorm

b)

slechte

c)

grap

d)

was

49.

Benoem het bijwoord.

Het eten smaakt vies.

a)

eten

b)

smaakt

c)

vies

d)

het

50.

Benoem het bijwoord.

We zagen het verschrikkelijk mooie vuurwerk.

a)

zagen

b)

verschrikkelijk

c)

mooie

d)

vuurwerk

51.

Benoem het bijwoord.

Dit is een zeer moeilijke som.

a)

Dit

b)

is

c)

moeilijke

d)

zeer

e)

som

52.

Benoem het bijwoord.

Natuurlijk mogen ze het boek lenen.

a)

Natuurlijk

b)

mogen

c)

boek

d)

lenen

53.

Benoem het bijwoord.

Na de les mochten ze eindelijk hun telefoon gebruiken.

a)

Na

b)

eindelijk

c)

hun

d)

gebruiken

54.

Benoem de bijwoorden.

Ze had nog nooit op een motor gezeten.

a)

Ze, nog

b)

nog, nooit

c)

nooit, op

d)

motor, gezeten

55.

Benoem de bijwoorden.

Achteraf weet ze dat ze beter had moeten oefenen.

a)

Achteraf, had

b)

ze, ze

c)

beter, oefenen

d)

Achteraf, beter

56.

Wat is het bijwoord in de zin:
Hij is verbaasd over die bijzonder lieve man.

(a)  

57.

Wat is het bijwoord in de zin:
Kunnen we nu beginnen met het leuke spel?

(a)