wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kracht en Beweging

Total questions: 42

Worksheet time: 55mins

Name
Class
Date
1.

Een steen valt op de grond door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

2.

Meteorieten verbranden in de dampkring door

a)

zwaartekracht

b)

spierkracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

3.

Wat is zwaartekracht?

a)

De aantrekkingskracht van de aarde

b)

De kracht die je voelt als je een bocht maakt

c)

De kracht die mensen en dieren gebruiken

d)

De afremmende kracht of wrijving

4.

Snelheid geven we altijd weer als... (2 antwoorden)

a)

km/u

b)

m/s

c)

m/min.

d)

km/s

5.

Omrekenen: kilometers/uur naar meters/seconde is...

a)

...kilometers DELEN door 3,6

b)

...kilometers VERMENIGVULDIGEN met 3,6

c)

...kilometers VERMENIGVULDIGEN met 1000 en dan DELEN door 3600

6.

Je hebt 2 minuten de tijd - Gebruik rekenmachine!

13,9 m/s is omgerekend : .... km/u

a)

10,50 km/u

b)

50,04 km/u

c)

38,66 km/u

7.

Eenparige beweging in een vt-diagram heeft de vorm:

a)

horizontale (rechte) lijn

b)

schuine rechte lijn

c)

kromme lijn (parabool)

d)

verticale (rechte) lijn

8.

Wat is de SI-eenheid van kracht?

a)

newton (N)

b)

Force (F)

c)

massa (kg)

9.

De resultante van de fietser is

a)

-30N

b)

70N

c)

-20N

d)

30N

10.

de fietser heeft een ....... snelheid

a)

afnemende

b)

toenemende

c)

constante

11.

De resultante van deze fiets is

a)

30N

b)

900N

c)

0N

d)

60N

12.

De fiets heeft een ......... snelheid

a)

afnemende

b)

constante

c)

toenemende

13.

Bereken de ΔV in de 4 seconden

a)

15m/s

b)

3.75m/s

c)

-3.75m/s

d)

-15 m/s

14.

Bereken de versnelling

a)

15 m/s/s

b)

3.75m/s/s

c)

-3.75m/s/s

d)

-15 m/s/s

15.

Een ander naam voor nettokracht is resulterende kracht.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Bij gelijke krachten krijgt een grote massa een...

a)

grotere versnelling

b)

kleinere versnelling

c)

even grote versnelling

17.

Bij gelijke massa's zorgt een grote kracht voor een ...

a)

kleine versnelling

b)

geen versnelling

c)

een even grote versnelling

d)

een grote versnelling

18.

Een persoon duwt een blok met een massa van 30 kg. Als gevolg versnelt het blok met 0,60 m/s2.

Bereken de resulterende kracht die op het blok werkt.

(a)  

19.

Een persoon duwt een blok met een massa van 30 kg. Als gevolg versnelt het blok met 1 m/s2.

De wrijvingskracht die op het blok werkt was tijdens de versnelling gelijk aan 15 N. Bereken hiermee de spierkracht van de persoon.

(a)  

20.
Wat is de formule voor afgelegde afstand met een niet-eenparige versnelling.
a)
s= t . v(gem)
b)
s = v . t
c)
x = (delta)v . t
d)
x = v(gem) . t
21.

Een fietser remt in 2,0 s af van 6,0 m/s naar 3,0 m/s.

Bereken de versnelling.

a)

-18 m/s^2

b)

1,5 m/s^2

c)

-1,5 m/s^2

d)

-4,5 m/s^2

22.

Bram rijdt in de auto door de polder. Hij meet twee keer zijn snelheid. In het begin rijdt hij 12 m/s en aan het einde 17 m/s. De auto versnelt eenparig gedurende 4 seconde. Zijn auto weegt 200 kg. Gegeven is dus:

v begin = 12 m/s; v eind = 17 m/s; Δv = ? ; Δt = 4,0 s; a = ? ; m = 200 kg. Bereken de resultante (F res) in N

a)

230 N

b)

550 N

c)

250 N

d)

420 N

23.

Jan (100 kg) botst met een snelheid van 60 km/h tegen een boom aan. Door de kreukelzone van de auto staat hij in 1,0 seconden stil. Jan heeft zijn gordel om, de afmetingen van de gordel zijn 6 cm bij 100 cm. Wat is de druk op Jan?

a)

18 m/s^2

b)

38.10^3 N/m^2

c)

18 N/m^2

d)

2,9.10^3 N/m^2

e)

2,9.10^3 Pa.m^2

24.

Een auto trekt in 7,0 s eenparig versneld op vanuit stilstand tot 72 km/h. Daarna rijdt hij 5,0 s door met deze snelheid en remt daarna eenparig vertraagd in 10 s af tot stilstand. Rond zo nodig af op twee decimalen.

(NB: het antwoord van de inzender was fout ..... )

a)

a. 440 m

b)

b. 1584 m

c)

c. 270 m

d)

d. 972 m

25.
Een auto rijdt met een snelheid van 72 km/h en remt af tot stilstand met een vertraging van 4,0 m/s^2. De reactietijd van de bestuurder is 1,0 s. Bereken de stopafstand.
a)
720 m
b)
70 m
c)
30 m
d)
120 m
26.

Een auto rijdt met een snelheid van 50 km/h , hij gaat sneller rijden en in 6 s rijdt hij met een snelheid van 90 km/h. Bereken de versnelling.

a)

1,73 m/s

b)

1,85 m/s2

c)

1,73 m/s2

d)

4,20 m/s2

27.
Een auto met een massa van 950 kg rijdt 120 km/h. Plotseling moet de auto afremmen. De auto moet plotseling remmen en gebruikt voor 1,9 seconden een remkracht van 2,1 kN. Bereken de snelheid die de auto hierna nog rijdt in km/h
a)
104,9 km/h
b)
98,2 km/h
c)
32 km/h
d)
102,2 km/h
e)
123 km/h
28.

Wat is de eerste wet van Newton ook wel bekend als?

a)

Wet van de traagheid

b)

Wet van de actiekracht

c)

Wet van de reactiekracht

d)

Wet van de zwaartekracht

29.

Wat is de formule voor de versnelling van een beweging waarbij de snelheid verandert?

a)

a=v/t

b)

a=Δv/Δt

c)

a=d/t

d)

a=F/m

30.

In welk van de onderstaande grafieken zien we een constante snelheid? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

b)

c)

d)

e)

31.

een massa van 50 kg heeft een zwaartekracht van

a)

50N

b)

500N

c)

5000N

d)

50000N

32.

Wat is het formule om het gewicht te berekenen?

a)

Gewicht = kracht x massa

b)

Gewicht = massa x valversnelling

c)

Gewicht = valversnelling x kracht

d)

Gewicht = snelheid x tijd

33.
Welke van de volgende grootheden hebben NIET de eenheid Newton?
a)
Gewicht
b)
Massa
c)
Grafitatiekracht
d)
Zwaartekracht
34.
Een parachutespringer valt met constante snelheid. Wat weet je van de nettokracht
a)
Gelijk aan de zwaartekracht
b)
Gelijk aan het gewicht
c)
nul
d)
is lastig te zeggen
35.
En tennisbal en een bowlingbal vallen van 2 meter hoogte. Wrijving is verwaarloosbaar. Welke is eerder beneden
a)
De tennisbal, want die is kleiner
b)
De bowlingbal, want die is zwaarder
c)
Tegelijk, want de versnelling is gelijk
d)
tegelijk, want de krachten zijn gelijk
36.

WAAR of NIET WAAR:


Als de versnelling negatief is, dan noem je dit vertraging

a)

WAAR

b)

NIET WAAR

37.

WAAR of NIET WAAR:


Als op een voorwerp geen krachten meer werken, remt het voorwerp af.

a)

WAAR

b)

NIET WAAR

38.

Is ons gewicht op de aarde hetzelfde als op de maan?

a)

Ja

b)

Nee

39.

Voor een kracht op een voorwerp is altijd contact met dat voorwerp nodig

a)

juist

b)

onjuist

40.

Krachten kunnen de snelheid van een voorwerp wel vergroten, maar niet van richting veranderen

a)

juist

b)

onjuist

41.

Is de snelheid constant, dan is de nettokracht nul

a)

juist

b)

onjuist

42.
Een parachutespringer valt met constante snelheid. Wat weet je van de nettokracht
a)
Gelijk aan de zwaartekracht
b)
Gelijk aan het gewicht
c)
nul
d)
is lastig te zeggen