wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 Licht 3B Begrippen

Total questions: 11

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

Gebied waar lichtstralen niet kunnen komen.

1.

schaduw

b)

Groep lichtstralen die uit elkaar lopen. Andere naam voor divergerende lichtbundel.

2.

divergente lichtbundel

c)

Een verlicht voorwerp dat licht terugkaatst.

3.

indirecte lichtbron

d)

Veel lichtstralen samen.

4.

lichtbundel

e)

Lichtstralen die nog net langs een voorwerp heen gaan.

5.

randstralen

2.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

Lichtstralen geven aan welke weg het licht volgt. Ze zijn recht, omdat licht langs rechte lijnen beweegt.

1.

lichtstralen

b)

Groep lichtstralen die uit elkaar lopen. Andere naam voor divergente lichtbundel.

2.

divergerende lichtbundel

c)

Een voorwerp dat zelf licht uitstraalt.

3.

directe lichtbron

d)

Groep lichtstralen die naar één punt gaan. Andere naam voor convergerende lichtbundel.

4.

convergente lichtbundel

e)

Groep lichtstralen die naar één punt gaan. Andere naam voor convergente lichtbundel.

5.

convergerende lichtbundel

3.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

Afstand tussen het midden van de lens en het brandpunt.

1.

brandpunts-afstand

b)

Plaats waar de constructiestralen elkaar snijden na de lens.

2.

beeldpunt

c)

Beeld dat je kunt afbeelden op een scherm.

3.

reëel beeld

d)

Afstand tussen voorwerp en lens.

4.

voorwerpsafstand

e)

Afstand tussen lens en beeld.

5.

beeldafstand

4.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

Afstand tussen het midden van de lens en het brandpunt.

1.

brandpunts-afstand

b)

Plaats waar de constructiestralen elkaar snijden na de lens.

2.

beeldpunt

c)

Beeld dat je kunt afbeelden op een scherm.

3.

reëel beeld

d)

Zenuw achter het oog die het beeld van het netvlies naar de hersenen stuurt.

4.

oogzenuw

e)

Afstand tussen lens en beeld.

5.

beeldafstand

5.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

Groep lichtstralen op gelijke afstand van elkaar.

1.

evenwijdige lichtbundel

b)

Een beeld dat niet echt is. Een spiegelbeeld is een virtueel beeld.

2.

virtueel beeld

c)

Beeld dat je ziet als je in een spiegel kijkt.

3.

spiegelbeeld

d)

Het gebied dat je vanaf een bepaalde plaats kunt overzien.

4.

gezichtsveld

e)

Een andere naam voor holle lens.

5.

negatieve lens

6.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

een positieve lens waarmee je zonlicht in één punt kunt concentreren. Zo kun je met een vergrootglas, een krant en felle zonnestralen de krant in brand steken. Het vergrootglas werkt dan als een brandglas.

1.

brandglas

b)

Lens die in het midden dikker is dan aan de rand. Een bolle lens heeft een convergerende werking.

2.

bolle lens

c)

Lens die in het midden dunner is dan aan de rand. Een holle lens heeft een divergerende werking.

3.

holle lens

d)

Een andere naam voor bolle lens.

4.

positieve lens

e)

Een lens met een kleine brandpunts-afstand.

5.

sterke lens

7.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

Een lens met een grote brandpunts-afstand.

1.

zwakke lens

b)

Evenwijdige lichtstralen die door een bolle lens vallen komen na de lens samen in het brandpunt.

2.

brandpunt

c)

Schijfje van doorzichtig glas of kunststof.

3.

lens

d)

Manier om het brandpunt van een lens in een tekening kort op te schrijven.

4.

F

e)

De lijn die door het midden van een lens gaat en die loodrecht op de lens staat.

5.

hoofdas

8.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

Hulplijnen om een beeld te tekenen bij een lens.

1.

constructiestralen

b)

Nauwkeurig tekenen van lichtstralen door een lens.

2.

construeren

c)

Platter en boller maken van de ooglens.

3.

accommoderen

d)

Als je alles om je heen scherp kunt zien.

4.

goedziend

e)

Je kunt voorwerpen dichtbij niet scherp zien.

5.

verziend

9.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

Je kunt voorwerpen veraf niet scherp zien.

1.

bijziend

b)

Het gekleurde deel van je oog.

2.

iris

c)

Buitenste gedeelte van je oogbol.

3.

hoornvlies

d)

Het vlies achterin je oog waarop binnenvallende lichtstralen een beeld vormen.

4.

netvlies

e)

Vulling in het midden van het oog.

5.

glasachtig lichaam

10.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

Een bolle lens aan de voorzijde van je oog.

1.

ooglens

b)

Donkere opening in je oog waardoor het licht je oog binnenvalt. De pupil regelt de hoeveelheid licht die in je oog valt.

2.

pupil

c)

Afkorting voor infrarode straling.

3.

ir-straling

d)

Soort licht dat mensen niet kunnen zien. Ligt in het spectrum naast rood licht.

4.

infrarode straling

e)

Een soort licht dat mensen niet kunnen zien. Ligt in het spectrum naast violet licht.

5.

ultraviolette straling

11.

Match de volgende begrippen met de juiste definitie.

a)

Driehoekig stuk glas waarmee je kunt laten zien dat wit licht uit verschillende kleuren bestaat.

1.

prisma

b)

De kleuren van de regenboog vormen met elkaar het spectrum van zichtbaar licht.

2.

spectrum

c)

Als een voorwerp kleuren opneemt.

3.

absorberen