Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formule 1 trimester 3

Total questions: 52

Worksheet time: 54mins

Name
Class
Date
1.

Welke driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

ongelijkbenige driehoek

2.

welke driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

ongelijkbenige driehoek

3.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

rechthoekige driehoek

b)

scherphoekige driehoek

c)

stomphoekige driehoek

4.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

ongelijkbenige driehoek

5.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

rechthoekige driehoek

b)

scherphoekige driehoek

c)

stomphoekige driehoek

6.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

rechthoekige driehoek

b)

scherphoekige driehoek

c)

stomphoekige driehoek

7.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

rechthoekige driehoek

b)

stomphoekige driehoek

c)

ongelijkbenige driehoek

d)

gelijkzijdige driehoek

8.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

scherphoekige driehoek

d)

rechthoekige driehoek

9.

welke soort driehoek is hier afgebeeld?

a)

gelijkzijdige driehoek

b)

gelijkbenige driehoek

c)

scherphoekige driehoek

d)

stomphoekige driehoek

10.

Een trapezium is een ...

a)

ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

vlakke figuur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

d)

ruimtefiguur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

11.

Een vierhoek is ...

a)

een vlakke figuur gevormd door vier hoeken en vier zijden.

b)

een figuur met vier hoeken.

c)

een vlakke figuur met drie hoeken en drie zijden.

d)

een ruimtefiguur met vier hoeken en vier zijden.

12.

Een parallellogram is

a)

een ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

een vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

een vlakke figuur met minstens één paar evenwijdige zijden.

d)

een ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige vlakken.

13.

Een rechthoek is

a)

een vlakke figuur met vier even lange zijden.

b)

een vlakke figuur met vier rechte hoeken.

c)

een vlakke figuur waarvan alle hoeken even groot zijn, namelijk 60°

d)

een vlakke figuur die wordt gevormd door drie hoeken en drie zijden.

14.

Een ruit is

a)

een vlakke figuur met vier rechte hoeken.

b)

een vierhoek met vier rechte hoeken.

c)

een vierhoek met vier even lange zijden.

d)

een vierhoek met vier even grote hoeken.

15.

Een vierkant is

a)

een vierhoek met vier rechte hoeken en vier even lange zijden.

b)

een vierhoek met vier rechte hoeken.

c)

een vierhoek met vier even lange zijden.

d)

een driehoek met drie even lange zijden en even grote hoeken.

16.

Welke vierhoek herken je in de afbeelding? (zwarte, beige en witte vierhoeken)

a)

Vierkanten

b)

Parallellogrammen

c)

Ruiten

d)

Rechthoeken

17.

Welke vierhoeken herken je in de vlag van Brazilië?

a)

Ruit

b)

Rechthoek

c)

Trapezium

d)

Parallellogram

18.

Elke vierkant is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Elke ruit is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Elk vierkant is ook een trapezium.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Er bestaan rechthoekige parallellogrammen.

a)

waar

b)

niet waar

22.

Elke ruit is ook een

a)

vierkant

b)

rechthoek

c)

parallellogram

d)

cirkel

23.

Hoeveel geld tel je?

a)

€ 72,60

b)

€ 72,06

c)

€ 78

d)

€ 780

24.

Hoeveel geld tel je?

a)

€ 6,02

b)

€ 5,11

c)

€ 6,20

d)

€ 8,00

25.

Hoeveel geld tel je?

a)

€ 150,30

b)

€ 152

c)

€ 153

d)

€ 150,03

26.

Hoeveel geld tel je?

a)

€ 105

b)

€ 107

c)

€ 155,20

d)

€ 107,60

27.

betaal met zo weinig mogelijk munten en briefjes.

a)
b)
c)
d)
e)
28.

betaal met zo weinig mogelijk munten en briefjes.

a)
b)
c)
d)
e)
29.

Het bovenste getal van een breuk heet de

a)

Namer

b)

Noemer

c)

Teler

d)

Teller

30.

Het bovenste getal van een breuk heet de

a)

Namer

b)

Noemer

c)

Teler

d)

Teller

31.

Het onderste deel van een breuk heet de

a)

Namer

b)

Noemer

c)

Teler

d)

Teller

32.

Het streepje tussen de teller en de noemer heet de

a)

Breukstreep

b)

Breuklijn

c)

Telstreep

d)

Lijn

33.

Welke stuk is het grootst?

a)

b)

c)

34.

Welke stuk is het kleinst?

a)

b)

c)

35.

Welke breuk is het grootst? (Geeft het grootste stuk weer)

a)

b)

c)

d)

36.

Welke breuk is het kleinst? (Geeft het kleinste stuk weer)

a)

b)

c)

d)

37.

Shamir koopt 3 pizzapunten van de 6.

Kelly koopt 2 pizzapunten.

Welk deel van de pizza blijft over?

a)

12\frac{1}{2}

b)

13\frac{1}{3}

c)

15\frac{1}{5}

d)

16\frac{1}{6}

38.

Hoeveel is 15\frac{1}{5} van 10?

a)

2

b)

5

c)

10

d)

1

39.

Hoeveel is 12\frac{1}{2} van 16?

a)

32

b)

16

c)

8

d)

6

40.

Hoeveel is 24 van 20\frac{2}{4}\ van\ 20 ?

a)

5

b)

4

c)

8

d)

10

41.

Hoeveel is 38\frac{3}{8} van 40?

a)

5

b)

15

c)

24

d)

40

42.

Vereenvoudig volgende breuk: 255\frac{25}{5}  

a)

123\frac{12}{3}  

b)

15\frac{1}{5}  

c)

6

d)

5

43.

Vereenvoudig volgende breuk: 535\frac{5}{35}  

a)

57\frac{5}{7}  

b)

15\frac{1}{5}  

c)

17\frac{1}{7}  

d)

75\frac{7}{5}  

44.

Vereenvoudig volgende breuk: 648\frac{6}{48}  

a)

18\frac{1}{8}  

b)

16\frac{1}{6}  

c)

68\frac{6}{8}  

d)

324\frac{3}{24}  

45.

Wat is de omtrek van deze figuur?

a)

12

b)

6

c)

14

d)

7

46.

Wat is de omtrek van de volgende figuur?

a)

0.4

b)

0.08

c)

0.8

d)

0.04

47.

Wat is de omtrek van de volgende figuur?

a)

1.76

b)

0.9

c)

0.09

d)

1.46

48.

Bereken de omtrek

a)

12

b)

14

c)

11

d)

13

49.

Vraag 15: Wat is de omtrek van deze driehoek?

a)

10 cm²

b)

10 cm

c)

11,5 cm

d)

11,5 cm²

50.

De rode lijn is de ...

a)

diameter

b)

straal

51.

Hoe bereken je de omtrek van een rechthoek?

a)

L + B

b)

L x B

c)

(L + B) + 2

d)

(L + B) x 2

52.

Hoe bereken je de omtrek van een vierkant?

a)

Z + Z

b)

Z + 4

c)

(L + B) + 2

d)

Z x 4