wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefening H7

Total questions: 61

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn de namen van de botten met nummer 5 en 6?

a)

5=schouderblad en 6=spaakbeen

b)

5=ellepijp en 6=rib

c)

5=opperarmbeen en 6=borstbeen

d)

5=dijbeen en 6=borstbeen

2.

Over het skelet van het paard worden twee uitspraken gedaan: Petra - nummer 9 is het borstbeen en Kees - nummer 10 is het opperarmbeen. Wie heeft gelijk?

a)

alleen Petra

b)

alleen kees

c)

beide

d)

geen van beide

3.

Bekijk het kattenskelet. Welke beenverbinding bevindt zich tussen nummer 1 en 2?

a)

een kraakbeenverbinding

b)

een scharniergewricht

c)

een kogelgewricht

d)

een naad

4.

Tussen welke twee botten bevindt zich een kraakbeenverbinding?

a)

tussen de halswervels

b)

tussen schouderblad en opperarmbeen

c)

tussen de wervels in het heiligbeen

d)

tussen de schedelbotten

5.

Je ziet hier een type gewricht uit het menselijk lichaam. Op welke twee plekken komt dit type gewricht voor?

a)

in je schedel en tussen je vingerkootjes

b)

tussen het spaakbeen en ellepijp en in de knie

c)

in de schouder en in de elleboog

d)

in de heup en in de schouder

6.

Welk gewrichtsonderdeel wordt bedoeld met nummer 1?

a)

gewrichtskapsel

b)

kraakbeenlaagje

c)

gewrichtssmeer

d)

kapselband

7.

Welke twee onderdelen zorgen ervoor dat een gewricht soepel beweegt?

a)

het kraakbeenlaagje en het gewrichtskapsel

b)

de gewrichtskom en de gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer en het kraakbeenlaagje

d)

de kapselband en het gewrichtssmeer

8.

Wat zijn elkaars antagonisten? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

buikspier en rugspier

b)

biceps en triceps

c)

borstspier en dijspier

d)

buikspier en kuitspier

9.

In de loop van je leven:

a)

Komen er minder kalkzouten in je botten.

b)

Komt er minder lijmstof in je botten.

c)

Blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.

d)

Komt er meer lijmstof in je botten.

10.
Welk type weefsel is dit?
a)
Beenweefsel
b)
Kraakbeenweefsel
c)
Tussencelstrof
d)
Zwakbeenweefsel
11.

Piet legt een kippenboutje een paar uur in verdund zoutzuur. Nadat hij het kippenboutje eruit gehaald heeft bestudeert hij het aandachtig.

Wat neemt Piet waar en waardoor is dit veroorzaakt?

a)

Het kippenboutje is buigzaam doordat de lijmstof is opgelost.

b)

Het kippenboutje is buigzaam doordat de kalkzouten opgelost zijn.

c)

Het kippenboutje is breekbaar doordat de kalkzouten opgelost zijn.

d)

Het kippenboutje is breekbaar doordat de lijmstof opgelost is.

12.

Typ een ander woord voor skelet.

(a)  

13.

De schedel bestaat uit:

a)

hals-, borst- en lendenwervels

b)

schedelbeenderen

c)

bovenkaak

d)

onderkaak

e)

kinbeen

14.

Kies de juiste functie van het skelet.

Iemand stoot met zijn schouders tegen je borstkas aan.

a)

bescherming

b)

beweging

c)

stevigheid

d)

vorm

15.

Kies de juiste functie van het skelet.

Je strekt je arm om je pen te pakken.

a)

bescherming

b)

beweging

c)

stevigheid

d)

vorm

16.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 2?
a)
Spaakbeen
b)
Schouderblad
c)
Borstbeen
d)
Wandbeen
17.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 10?
a)
Scheenbeen
b)
Knieschijf
c)
Scheenbeen
d)
Opperarmbeen
18.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 14?
a)
Ellepijp
b)
Sleutelbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
19.

Welke is GEEN functie van het skelet?

a)

Het houdt ons recht.

b)

Het beschermt een deel van onze organen.

c)

Het beschermt ons tegen bacteriën.

d)

Het vormt ons lichaam.

20.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
21.

Wat is een antagonist?

a)

spieren die samentrekken.

b)

spieren die met elkaar strekken, dit zorgt voor beweging van de botten en spieren.

c)

Spieren waarbij het samentrekken een tegenovergesteld effect heeft.

d)

Spieren die belangrijk zijn voor de de zuurstofaanvoer in ons lichaam.

22.

De biceps zorgt voor het strekken van de arm.

a)

waar

b)

niet waar

23.

wat is de volgorde van groot naar klein?

a)

spierbundel, spier, spiervezel, spiercel

b)

spiercel. spierbundel, spiervezel, spiercel

c)

Spier, spierbundel, spiervezel, spiercel

d)

spier, spiervezel, spierbundel, spiercel

24.

Welke spier is spier 2?

a)

2 is biceps

b)

2 is triceps

c)

2 is kuitspier

d)

2 is hamstring

25.

Wat is een aanhechtingspunt?

a)

verbinding tussen de organen en weefsel

b)

plaats waar de pees vastzit aan het bot

c)

punt waar zuurstof wordt gehecht aan de spier

26.

Wat is de werking van een spier?

a)

Een spier trekt samen, hierdoor wordt de spier korter. De botten die aan de spieren vast zitten, worden naar elkaar toegetrokken.

b)

Een spier trekt samen doordat er zuurstof bij de spier komt, het zuurstof zorgt voor de samentrekking van deze spieren.

c)

Een spier rekt uit, hierdoor wordt de spier langer. De botten die aan de spieren vast zitten, worden van elkaar weggeduwd.

27.

Een kraakbeenschijf puilt tussen de wervels uit. Bij welke blessure hoort dit?

a)

Voetbalknie

b)

Hernia

c)

Spierkneuzing

d)

Spierpijn

28.

Dit voel je als afvalstoffen in je spieren achterblijven.

a)

Verstuiking

b)

Spierpijn

c)

Rugpijn

29.

Wat is een ontwrichting?

a)

Bij een ontwrichting zijn de gewrichtsbanden uitgerekt.

b)

Bij een ontwrichting is de gewrichtsknobbel uit de gewrichtskom geschoten.

c)

Bij een ontwrichting heb je spierpijn.

30.

bij een verzwikking moet je het volgende doen:

a)

gips om de enkel heen doen

b)

het gewricht masseren

c)

het gewricht koelen met ijs

d)

het gewricht met rust laten

31.

Cooling-down bevordert de doorbloeding van de spieren om de afvalstoffen af te voeren.

a)

Juist

b)

Onjuist

32.

vorm van het menselijk wervelkolom

a)

afhankelijk van skelet

b)

dubbele Z-vorm

c)

dubbele s-vorm

d)

s-vormig

33.

Welke lichaamshouding is correct?

a)
b)
c)
d)
34.

Waarom is beweging belangrijk?

a)

Het zorgt voor een goede conditie

b)

Het zorgt voor een goede coördinatie

c)

Het versterkt spieren.

d)

Zodat je niet lui wordt.

35.

Een voorbeeld van een vergroeid bot is het ...

a)

Opperarmbeen

b)

Dijbeen

c)

Heiligbeen

36.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen ...

a)

Niet bewegen ten opzichte van elkaar.

b)

Een beetje bewegen ten opzichte van elkaar.

c)

Veel bewegen ten opzichte van elkaar.

37.

Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?

a)

Kogelgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Rolgewricht

38.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

39.

Welk type verbinding zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Naadverbinding

40.

De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een ...

a)

Naadverbinding

b)

Gewrichtsverbinding

c)

Kraakbeenverbinding

d)

Wervelverbinding

41.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 4?

a)

Kraakbeenlaagje

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kapselband

d)

Gewrichtssmeer

42.

Welk orgaan wordt beschermt door het skelet?

a)

Darmen

b)

Maag

c)

Longen

d)

Luchtpijp

43.

Hoe heet bot nummer 5?

a)

Spaakbeen

b)

Kuitbeen

c)

Sleutelbeen

d)

Schouderblad

44.

Hoe heet bot nummer 3?

a)

wandbeen

b)

Slaapbeen

c)

Voorhoofdbeen

d)

Jukbeen

45.

De schedelbeenderen van een baby zijn nog niet aan elkaar gegroeid.

Hoe heten de vliezen tussen de schedelbeenderen van een baby?

(a)  

46.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
47.

Een voorbeeld van antagonisten zijn de biceps en de triceps

a)

Waar

b)

Niet waar

48.

Wat zijn de eigenschappen van een pees?

a)

taai en elastisch

b)

hard en niet buigzaam

c)

taai en niet elastisch

d)

zacht en soepel

e)

zacht en buigzaam

49.

Gewricht E is een

a)

Scharniergewricht

b)

Kogelgewricht

c)

Zadelgewricht

d)

Kraakbeengewricht

e)

Rolgewricht

50.

Welke twee onderdelen zorgen ervoor dat een gewricht soepel beweegt?

a)

het kraakbeenlaagje en het gewrichtskapsel

b)

de gewrichtskom en de gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer en het kraakbeenlaagje

d)

de kapselband en het gewrichtssmeer

51.

Wat is het doel van gewrichtssmeer in het lichaam?

a)

zorgen voor soepele beweging van het gewricht

b)

ondersteunen van de wervelkolom

c)

bescherming van de knie

d)

veroorzaken van een tenniselleboog

52.

Wat is de functie van een kapselband in het lichaam?

a)

ondersteuning van de knie

b)

veroorzaken van een muisarm

c)

helpen om botten op hun plaats te houden

d)

bescherming van de wervelkolom

53.

beenderen die rood beenmerg bevatten en vooral voorkomen in hoofd en romp

a)

kraakbeenderen

b)

platte beenderen

c)

pijpbeenderen

d)

lijmstofbeenderen

54.

langwerpige beenderen met rood beenmerg en geel beenmerg

a)

platte beenderen

b)

kraakbeenderen

c)

lijmbeenderen

d)

pijpbeenderen

55.

komt voor in de mergholte van pijpbeen en hierin is vet opgeslagen

a)

lijmstof

b)

geel beenmerg

c)

rood beenmerg

d)

mergholte vulling

56.

vormt rode bloedcellen in platte beenderen en in de koppen van pijpbeenderen

a)

wit beenmerg

b)

rood beenmerg

c)

mergholte

d)

kraakbeen

57.

is heel stevig en een beetje buigzaam

a)

kalkzouten

b)

kraakbeenweefsel

c)

beenweefsel

d)

lijmstof

58.

stevig bindweefsel om een spier

a)

spierschede

b)

spierkapsel

c)

pees

d)

spiervezel

59.

peesontsteking door te vaak achter elkaar dezelfde beweging maken

a)

kneuzing

b)

RSI

c)

spierpijn

d)

tennisarm

60.

ontsteking van de aanhechtingsplaats van (meestal) een elleboogspier

a)

kneuzing

b)

RSI

c)

spierpijn

d)

tennisarm

61.

een reactie van het lichaam op beschadiging van weefsel

a)

ontsteking

b)

kneuzing

c)

bloeduitstorting

d)

spierkramp