Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1ste les na de Zomer Havo 5

Total questions: 15

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.
Wat is het bnp per hoofd van de bevolking?
a)
Het bnp/hoofd is alle inkomsten van een land gedeeld door de beroepsbevolking.
b)
Het bnp/hoofd is het gemiddeld inkomen van een land.
c)
Het bnp/hoofd is alle inkomsten gedeeld door alle mensen die in een land wonen.
d)
Het bnp/hoofd is het gemiddeld inkomen van de beroepsbevolking.
2.
Beoordeel de volgende stellingen. Welke is juist?
I De hoogte van het analfabetisme zegt iets over het welzijn in een land.
II Het percentage mensen dat in de landbouw werkt, zegt iets over de welvaart in een land.
a)
Alleen I is juist.
b)
Alleen II is juist.
c)
Beide zijn juist.
d)
Beide zijn onjuist.
3.
Hieronder staan vier omschrijvingen van de economie van landen. Welk land behoort tot de semiperiferie?
a)
De productiviteit per persoon is hoog en de tertiaire sector is erg belangrijk.
b)
De productiviteit per persoon stijgt en een steeds groter deel van de beroepsbevolking werkt in de secundaire sector.
c)
De productiviteit is laag en de primaire sector speelt een belangrijke rol in het land.
d)
De productiviteit stijgt, maar het merendeel van de mensen werkt nog in de primaire sector.
4.
Noem een nadeel van het bnp/hoofd
a)
De verschillende muntsoorten maken vergelijken lastig.
b)
Dit geeft niet aan of er grote verschillen in welvaart zijn.
c)
Landen met veel inwoners zullen een hoger bnp/hoofd hebben
5.
Welke factor speelt GEEN directe rol bij de bepaling van de VN-welzijnsindex?
a)
de voedselsituatie
b)
de koopkracht
c)
de levensverwachting
d)
de alfabetiseringsgraad
6.

Welvaartsverschillen tussen landen kan je goed meten aan de hand van:

a)

Bruto Nationaal Product

b)

Omvang informele sector

c)

Alfabetiseringsgraad

d)

Gini-coefficient

7.

Wat laat het demografisch transitiemodel zien?

a)

Transitie van een laag naar een hoog geboortecijfer.

b)

Transitie van een grote naar een kleine bevolkingsomvang.

c)

Transitie van een hoog naar een laag geboortecijfer.

d)

Transitie van een laag naar een hoog sterftecijfer

8.

Wat is het verschil tussen BNP en het BBP?

a)

BNP neemt spaargelden uit het buitenland mee

b)

BNP neemt schulden in het buitenland mee

c)

BNP neemt inflatiecorrectie mee

d)

BNP neemt inkomsten uit het buitenland mee

9.

Het urbanisatietempo is het hoogst in een

a)

centrumland

b)

periferieland

10.

De HDI kent verschillende kenmerken. Kies de juiste kenmerken (er kunnen meerdere antwoorden goed zijn) :

a)

Analfabetisme

b)

Sociale ongelijkheid

c)

Regionale ongelijkheid

d)

BNP per inwoner

e)

Levensverwachting

11.

Welke benamingen hebben we voor de landen in het wereldsysteem? Kies de juiste vakjes:

a)

Periferie

b)

Ruilvoet

c)

Semiperiferie

d)

Centrum

e)

Koopkracht

12.

De afbeelding gaat over de bevolkingsspreiding van een gebied.

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Op de afbeelding zie je een land waarvan de bevolking sterk toeneemt.

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Er zijn verschillende soorten koloniën. Australië en de Verenigde Staten zijn voorbeelden van:

(a)  

15.

Er zijn verschillende soorten koloniën. India en Indonesië zijn voorbeelden van:

(a)