wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Quiz de Basisgrammatica

Total questions: 64

Worksheet time: 1hrs 22mins

Name
Class
Date
1.

Complète avec un pronom personnel sujet. Mijn naam is Carole. ...... kom uit Parijs. Mijn man heet Mario. ...... komt uit Italië. ...... is 4 jaar ouder dan ....... ...... wonen sinds 2 jaar in Ninove. ...... hebben een groot huis met een mooie tuin. ...... hebben 2 kindjes. ...... zijn nog jong. ...... heb een broer en twee zussen. ...... wonen allemaal in Frankrijk. Mijn broer woont in Parijs. ...... is een drukke stad. Mijn zussen wonen in Bretagne. ...... is daar heel mooi. Mijn man heeft een zus. ...... woont in Firenze. Dat is een prachtige stad! Volgende week vertrekken ...... naar Italië. Ken ...... dit land? Nee? Wel, ...... moet het land absoluut eens bezoeken. Een klein reisje met je man, wat denk ...... daarvan? Komen ...... met ons mee? Dan kunnen ...... de mooiste plekjes laten zien. Wat denk ...... van mijn voorstel?

4 lines
2.

Complète avec « hebben » que tu conjugues. 1. Hij ............................een broer : Tom. 2. We ............................een grote auto. 3. U .......................een mooi bureau. 4. Ze (sg) ......................een boek. 5. Pauline en Tom .......................................een nieuwe GSM. 6. Mijn moeder en ik ........................................een nieuwe jurk. 7. We ......................................een hond. 8. Jullie ...........................................een appartement. 9. ................................je een zus? 10. Wie ...............................een boek?

a)

heeft

b)

hebben

c)

hebt

d)

heeft

e)

hebben

3.

Complète avec “zijn” que tu conjugues. 1. Ik ....................................acht jaar oud. 2. Mijn moeder ..............................lerares. 3. U ....................................de directeur van de school. 4. We .......................................met vakantie. 5. Je .....................................ziek. 6. .....................................je moe? 7. Jullie ........................................de leerlingen en ik ......................de lerares. 8. Hij .............................lief. 9. Mijn vader en ik .............................................groot. 10. ..........................................................je moeder klein?

a)

is

b)

bent

c)

ben

d)

ben

e)

zijn

4.

Complète avec “zijn” of “hebben” que tu conjugues. 1. Ik .............. moe (fatigué). 2. We ................. een auto. 3. U ............. niet blij (content). 4. Hij .................................een hond. 5. Ze ............................. 20 jaar. 6. De vrouw................................. een huis. 7. We .............................. niet thuis. 8. De man ....................................... een kind. 9. Ik ...................................... een meisje. 10. Jullie ................................... een leuke leraar. 11. Je .................................. een jongen. 12. Het kind .......................... een kat. 13. Ik .......................................... boos (fâché). 14. Hij............................. een kat. 15. .................................... jullie honger (faim)? 16. ............................... ze moe? 17. Ik ......................................... Wouter. 18. Wanneer ............. je jarig 19. .................. jullie ook op school in Brussel? 20. ................ je blij?

a)

heb

b)

is

c)

heeft

d)

is

e)

ben

5.

Conjugue au présent. 1. Ik (kijken) ......

4 lines
6.

Ik (kijken) ............................ vaak naar TV.

a)

kijk

b)

kijkt

c)

kijken

d)

kijkt

7.

In het weekend (slapen) ............................ hij tot 10.00 uur.

a)

slaap

b)

slapen

c)

slapen

d)

slapen

8.

Anneleen (zingen) ............................ heel goed.

a)

zing

b)

zingt

c)

zingen

d)

zingt

9.

Mijn vader en ik (gaan) ................ elke woensdag naar het zwembad.

a)

ga

b)

gaat

c)

gaan

d)

gaan

10.

Jullie (maken) ............................ je huiswerk.

a)

maak

b)

maakt

c)

maken

d)

maken

11.

Je (zwemmen) ............................ heel snel.

a)

zwem

b)

zwemt

c)

zwemmen

d)

zwemt

12.

Cindy (opbellen) ............................ haar moeder.

a)

bel

b)

belt

c)

opbellen

d)

belt

13.

Ik (luisteren) ............................ naar muziek.

a)

luister

b)

luistert

c)

luisteren

d)

luistert

14.

Vader (koken) ............................ elke vrijdag spaghetti.

a)

kook

b)

kookt

c)

koken

d)

kookt

15.

Vandaag (lezen)............................ ik een roman voor mijn les Frans.

a)

lees

b)

leest

c)

lezen

d)

leest

16.

Meneer Vanderpoorte (kopen) ................ elke morgen een krant.

a)

koop

b)

koopt

c)

kopen

d)

koopt

17.

De leerlingen van mijn klas (praten) ...................... te veel.

a)

praat

b)

praten

c)

praten

d)

praten

18.

Elke dag (nemen) ............................ hij de bus.

a)

neem

b)

neemt

c)

nemen

d)

neemt

19.

Mijn beste vriendin (terugkomen) ................ om 13.00 naar huis.

a)

kom

b)

komt

c)

terugkomen

d)

komt

20.

Je (spelen) ............................ voetbal op donderdagnamiddag.

a)

speel

b)

speelt

c)

spelen

d)

speelt

21.

werken Johan ................... op zolder.

a)

werk

b)

werkt

c)

werken

d)

werkt

22.

rijden Ik ..................... woensdagavond naar Antwerpen.

a)

rijd

b)

rijdt

c)

rijden

d)

rijdt

23.

maaien De bewoner .................... het gras in zijn voortuin.

a)

maai

b)

maait

c)

maaien

d)

maait

24.

drinken Sofie en Charlotte ...................... een frisse cola.

a)

drink

b)

drinkt

c)

drinken

d)

drinken

25.

planten De arbeiders van de groendienst ....................... nieuwe bomen.

a)

plant

b)

plant

c)

planten

d)

planten

26.

kweken Opa ............. zelf groenten.

a)

kweek

b)

kweekt

c)

kweken

d)

kweekt

27.

leiden Sam .................... de expeditie.

a)

leid

b)

leidt

c)

leiden

d)

leidt

28.

antwoorden ........................... jij eens op die vraag?

a)

antwoord

b)

antwoordt

c)

antwoorden

d)

antwoordt

29.

doen De kinderen .................. niets.

a)

doe

b)

doet

c)

doen

d)

doet

30.

beloven Mama ................... me een koekje.

a)

belof

b)

belooft

c)

beloven

d)

belooft

31.

schrijven Tijdens de speeltijd ..................... hij straf.

a)

schrijf

b)

schrijft

c)

schrijven

d)

schrijft

32.

fietsen Els ..................... op de straat.

a)

fiets

b)

fietst

c)

fietsen

d)

fietst

33.

worden Hij .................... weggebracht met de ambulance.

a)

word

b)

wordt

c)

worden

d)

wordt

34.

praten Ik ................... graag met mijn vrienden.

a)

praat

b)

praten

c)

praten

d)

praat

35.

telefoneren Papa .................. naar de winkel.

a)

telefoneer

b)

telefoneert

c)

telefoneren

d)

telefoneert

36.

slapen ..................... hij bij zijn vriend deze nacht?

a)

slaap

b)

slaapt

c)

slapen

d)

slaapt

37.

trappen Johan .................. de bal ver weg.

a)

trap

b)

trapt

c)

trappen

d)

trapt

38.

wonen Wie .................. er in het huis op de hoek van de straat?

a)

woon

b)

woont

c)

wonen

d)

woont

39.

koken ......................... je oma soep?

a)

kook

b)

kookt

c)

koken

d)

kookt

40.

dragen Hij ................ zijn boekentas op zijn rug.

a)

draag

b)

draagt

c)

dragen

d)

draagt

41.

bouwen ..................... mijn vriend een vogelnestje?

a)

bouw

b)

bouwt

c)

bouwen

d)

bouwt

42.

baden Mijn mama .................... de hele dag in het zwembad.

a)

bad

b)

baadt

c)

baden

d)

baadt

43.

kopen Ik ...................... een nieuwe trui.

a)

koop

b)

koopt

c)

kopen

d)

koopt

44.

vertellen ............ de bibliotheekmedewerker een mooi verhaal?

a)

vertel

b)

vertelt

c)

vertellen

d)

vertelt

45.

poetsen Elke week .................. papa de auto.

a)

poets

b)

poetst

c)

poetsen

d)

poetst

46.

vinden Hij ..................... een muntstuk op de grond.

a)

vind

b)

vindt

c)

vinden

d)

vindt

47.

Comment ?

4 lines
48.

Que, quoi ?

4 lines
49.

Combien ?

4 lines
50.

Qui ?

4 lines
51.

Quand ?

4 lines
52.

Quel âge ?

4 lines
53.

Où ?

4 lines
54.

Pourquoi ?

4 lines
55.

Quel- (le)s ?

4 lines
56.

Il coûte 12 €.

4 lines
57.

La voiture est petite.

4 lines
58.

Mon oncle a 92 ans.

4 lines
59.

Il s'appelle Mark Vermeulen.

4 lines
60.

Il a deux enfants.

4 lines
61.

Il est déjà à la retraite depuis 27 ans.

4 lines
62.

Complète avec ZIJN ou HAAR

4 lines
63.

Complète avec le déterminant correspondant

4 lines
64.

Lis le dialogue et complète

4 lines