Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling les 3 Campus 2

Total questions: 50

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de correcte vorm die in de zin past?

De directeur heeft me ... (prijzen) voor het hoge bedrag dat ik inzamelde voor het goede doel.

a)

geprijsd

b)

geprezen

c)

prijsde

d)

prees

2.

Wat is de correcte vorm die in de zin past?

De winkelier ... (prijzen) de nieuwe producten die net toegekomen zijn.

a)

geprijsd

b)

geprezen

c)

prijsde

d)

prees

3.

Wat is de correcte vorm die in de zin past?

Het meisje ... (scheppen) twee bollen ijs op voor mij.

a)

schepte

b)

schiep

c)

geschept

d)

geschapen

4.

Wat is de correcte vorm die in de zin past?

God heeft de wereld ... (scheppen).

a)

schepte

b)

schiep

c)

geschept

d)

geschapen

5.

Wat is de correcte vorm die in de zin past?

De vogel ... (scheren) langs het raam van ons lokaal. We schrokken allemaal.

a)

scheerde

b)

schoor

c)

gescheerd

d)

geschoren

6.

Wat is de correcte vorm die in de zin past?

'Heb jij je broer ... (slaan)?' vroeg mama.

a)

sloeg

b)

slaagde

c)

geslagen

d)

geslaagd

7.

Wat is de correcte vorm die in de zin past?

Papa heeft zich al ... (scheren) vandaag. Hij heeft nu enkel stoppeltjes op zijn baard.

a)

scheerde

b)

schoor

c)

gescheerd

d)

geschoren

8.

Wat is de correcte vorm die in de zin past?

De leerlingen van het tweede jaar ... (slagen) allemaal voor het proefwerk Nederlands

a)

slaagden

b)

sloegen

c)

geslagen

d)

geslaan

9.

Wat is de correcte vorm die in de zin past?

De wonde ... (zweren) nogal, dus de verpleegster moest het nogal goed verzorgen.

a)

zweerde

b)

zwoer

c)

gezworen

d)

gezweerd

10.

Wat is de correcte vorm die in de zin past?

De koning heeft de eed ... (zweren) op de nationale feestdag.

a)

zweerde

b)

zwoer

c)

gezworen

d)

gezwoerd

11.

Vervoeg de infinitief in de juiste tijd (vt, tt of vd).

  1. Het bouwbedrijf BAM (tobben) de afgelopen tijd over de jaarcijfers van 2014.



(a)  

12.

Vervoeg de infinitief in de juiste tijd (vt, tt of vd).

  1. Het bedrijf heeft in de eerste negen maanden een kleine brutowinst van 2,7 miljoen euro (behalen).



(a)  

13.

Vervoeg de infinitief in de juiste tijd (vt, tt of vd).

  1. De omzet steeg met ruim 3 procent naar 5,2 miljard euro, maar volgens sommige analisten heeft het bedrijf te vroeg (juichen).



(a)  

14.

Laatst werd Roemer.... door een agent.

a)

bekeuren

b)

bekeurt

c)

bekeurd

15.

De dokter ...de ziekte nu met een medicijn.

a)

bestrijdt

b)

bestrijd

c)

bestreed

16.

Vorig jaar ........ Thomas in Nice een paar vrienden.

a)

ontmoet

b)

ontmoeten

c)

ontmoette

17.

.......jij straks de kippenpootjes?

a)

braad

b)

braadde

c)

braadt

18.

Sven heeft zich op Valentijnsdag .....voor zijn vriendin.

a)

uitgeslooft

b)

uitgesloofd

c)

slooft zich uit

19.

Silke .........gisteren 50 euro onder haar vrienden.

a)

verlote

b)

verloot

c)

verlootte

20.

Jelle heeft een spannend avontuur (beleven)

a)

beleeft

b)

beleefd

c)

beleefdt

21.

Femke en Timen hebben alle trappen van het Drachtster ....

a)

geschropt

b)

geschrobd

c)

geschrobt

22.

Het nieuwe programma kan op mijn computer niet worden ...

a)

geopent

b)

geopend

c)

geopendt

23.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(VD - vouwen)

De kleine kleuter heeft een mooi vogeltje (a)   .

24.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(VD - organiseren)

Mijn oom heeft een bijeenkomst voor Kom Op Tegen Kanker (a)   .

25.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(VD - verheugen)

De directeur heeft zich (a)   op zijn pensioen.

26.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(VD - hoesten)

De vuilnisman heeft de hele nacht (a)   .

27.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.


(VD - pruttelen)

De pannen met soep hadden lang (a)   .

28.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in. LET OP! Lees je zin aandachtig om te bepalen welke tijd je moet gebruiken.


(vergeten)

Mijn broer (a)   zijn zwembroek, toen hij ging zwemmen!

29.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in. LET OP! Lees je zin aandachtig om te bepalen welke tijd je moet gebruiken.


(verwaarlozen)

De oude man heeft zijn moestuin (a)   .

30.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in. LET OP! Lees je zin aandachtig om te bepalen welke tijd je moet gebruiken.


(onthouden)

Als Mark boodschappen doet, (a)   hij alleen wat lekker is.

31.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in. LET OP! Lees je zin aandachtig om te bepalen welke tijd je moet gebruiken.


(zijn)

Het verbaast me dat jij echt piloot bent (a)   .

32.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in. LET OP! Lees je zin aandachtig om te bepalen welke tijd je moet gebruiken.


(besteden)

Jij (a)   elke week meer geld dan je verdient.

33.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.

De scheidsrechter heeft de match ... (afgelasten) door de regen.

(a)  

34.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.

Heb jij die zware kast in de vrachtwagen ... (heffen)?

(a)  

35.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.

Mijn zus heeft heel hard ... (lijden) onder het overlijden van mijn grootvader.

(a)  

36.

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord in.

Op reis stelden we vast dat mijn paspoort niet meer ... (gelden). Ik moest het laten vernieuwen.

(a)  

37.

Wat is de juiste vervoeging van het werkwoord?

Heb jij de toets goed ... (kunnen)?

a)

gekunnen

b)

gekund

c)

gekond

d)

gekunt

38.

Wat is de juiste vervoeging van het werkwoord?

Mijn vader ... (graven) een diepe put om een boom te planten.

a)

graafde

b)

graafte

c)

groef

d)

gekunt

39.

Wat is de juiste vervoeging van het werkwoord?

De leerkracht ... (bevelen) me dat ik recht moest zitten op mijn stoel.

a)

beveelde

b)

beval

c)

beviel

d)

bevolen

40.

Wat is de juiste vervoeging van het werkwoord?

Het ... (vriezen) enorm hard vorige nacht.

a)

vriezde

b)

vriesde

c)

vroor

41.

Noteer het voltooid deelwoord.

In Nederland wordt vaker ........(pinnen).

a)

gepint

b)

gepind

42.

Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring .....(werpen).

a)

gewerpt

b)

gewerpen

c)

geworpen

d)

geworpt

43.

De docent had alle fouten .......(doorstrepen).

a)

gedoorstreept

b)

doorgestrepen

c)

doorgestreept

44.

De stallen worden binnenkort ....... (slopen).

a)

gesloopt

b)

gesloopd

45.

Yasmine heeft zijn haar blauw ........(verven).

a)

gevervd

b)

gevervt

c)

geverfd

d)

geverft

46.

Vorige week heb ik met mijn oma in 's-Hertogenbosch ......(lunchen).

a)

geluncht

b)

gelunchet

c)

gelunched

d)

gelunchd

47.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord of een persoonsvorm?

De N279 is een aantal jaren geleden verbreed.

a)

voltooid deelwoord

b)

persoonsvorm

48.

Is het onderstreepte woord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?

Jasmijn herkanst morgen haar toets van Nederlands.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

49.

Schrijf het werkwoord in de onvoltooid verleden tijd. Kijk goed naar het onderwerp.

Hij (steken) de pen terug in zijn pennenzak.

(a)  

50.

Gisteren (leiden) hij een groep toeristen uit Hongkong rond.

(a)