Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

qerwt

Total questions: 39

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Chlorofyl absorbeert een hoger percentage van ________ en ________ licht.

a)

groen en paars

b)

rood en blauw

c)

geel en oranje

d)

blauw en groen

2.

De plant staat in de zon en heeft genoeg water. De muis heeft reserves genoeg voor het experiment. Kan de muis blijven leven?

a)

ja

b)

nee

3.

De plant staat in de zon en heeft genoeg water. De muis heeft genoeg reserves voor het experiment. Kan de plant blijven leven?

a)

ja

b)

nee

4.

De plant maakt voor de mensen en dieren een heel belangrijke stof.

Dit is:

a)

koolstofdioxide

b)

water

c)

licht

d)

zuurstof

5.

De mens maakt voor de mensen en dieren een heel belangrijke stof.

Dit is:

a)

koolstofdioxide

b)

water

c)

licht

d)

zuurstof

6.

Het proces waarbij suiker gemaakt wordt in de plant heet ..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

7.

Het proces waarbij suiker verbruikt wordt in de plant heet ..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

8.

In welke delen kan deze plant zuurstof maken?

a)

in de bladeren en de bladstelen

b)

in de wortels en de bladstelen

c)

in de bladeren en de wortels

d)

in alle zichtbare delen

9.

Je ziet op deze afbeelding een wandelend blad in de aanvalshouding. Zij staat in het licht. Zij eet bladeren. Stel er is geen voedsel voor haar, zou zij zich zelf dan in leven kunnen houden met haar eigen lichaam?

a)

ja, zij kan zelf fotosynthese doen

b)

nee, zij kan alleen verbranding doen

c)

ja, want zij kan zowel fotosynthese als verbranding doen

10.

De energie die wij krijgen als we plantaardig voedsel eten komt eigenlijk van ...

a)

het water

b)

de koolstofdioxide

c)

de zon

d)

het bladgroen

11.

De koolstofdioxide die wij maken als we energie verbruiken om te bewegen bijvoorbeeld komt van ...

a)

het water

b)

het suiker

c)

de zon

d)

het bladgroen

12.

Dit is een voorbeeld van een _____ cel.

a)

prokaryote

b)

eukaryote

13.

Benoem het celorganel met nummer 4

a)

Golgi complex

b)

Vacuole

c)

Mitochondrien

d)

ER

14.

Wat zijn de twee belangrijkste verschillen tussen een plantaardige cel en een dierlijke cel?

a)

Plantaardige cellen hebben een celwand en chloroplasten, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

b)

Plantaardige cellen hebben een celkern en een grote vacuole, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

c)

Plantaardige cellen hebben geen mitochondriën en cytoplasma, terwijl dierlijke cellen dat wel hebben.

d)

Er zijn geen verschillen tussen beiden.

15.

Noem de functie van chloroplasten

a)

Hier vindt fotosynthese plaats.

b)

Het geven van kleur aan bloemen, rijpe vruchten en bladeren.

c)

Dient als opslagruimte voor reservevoedsel.

16.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

Lysosoom

b)

Chloroplast

c)

RuwER

d)

Mitochondriën

17.

Wat zijn de groene stipjes in de cellen?

a)

Vacuole

b)

Chloroplast

c)

Mitochondriën

18.

Wat is de functie van een mitochondrium? (Meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

energiemotor

b)

fotosynthese

c)

aanmaak van ATP

d)

transport van stoffen in een cel

19.

Wat is de functie van lysosomen?

a)

afbreken van stoffen

b)

energiemotor

c)

vervoer van stoffen in een cel

d)

fotosynthese

20.

Wanneer je thuiskomt na een lange dag op school doet de geur van frietjes je watertanden. Dit is een voorbeeld van _____.

a)

osmose

b)

diffusie

21.

Kijk goed naar de afbeelding. Wat is de naam van nummer 9?

a)

Golgi apparaat

b)

Mitochondrium

c)

Lysosoom

d)

Celkern

22.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

23.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

24.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan fotosynthese doen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

25.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel is cel nummer 4?

a)

bacterie

b)

schimmel

c)

plant

d)

dier

26.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

27.

Je ziet hier cellen. Kunnen deze cellen fotosynthese doen?

a)

ja

b)

nee

28.

Bacteriën bestaan uit meerdere cellen

a)

juist

b)

onjuist

29.

Dieren hebben celwanden om de cellen

a)

Juist

b)

Onjuist

30.

In de zee leven algen, die bij de planten worden gerekend. Welk kenmerk van de cellen van algen wordt gebruikt om ze bij de planten te rekenen?

a)

Celwand

b)

Celkern

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celmembraan

31.
Wat is de functie van de celkern?
a)
geeft volume aan de cel
b)
geeft stevigheid aan de cel 
c)
regelt de gebeurtenissen in de cel 
d)
heeft geen doel
32.
Welke cel is de enige cel zonder celwand en met alleen een celmembraan?
a)
een bacterie
b)
een schimmel
c)
een plant
d)
een dier
33.

Prokaryoten hebben geen celkern

a)

Waar

b)

Niet waar

34.

Prokaryoten zijn altijd eencellige organismen.

a)

Juist

b)

Onjuist

35.

Eukaryoten hebben altijd een..

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Nooit een celkern

d)

Soms een celkern en soms niet

36.

Wat is waar over een dier?

Een dier heeft:

a)

geen celwand – wel een celkern –

wel bladgroenkorrels

b)

geen celwand – wel een celkern – geen

bladgroenkorrels

c)

een celwand – wel een celkern –

geen bladgroenkorrels

d)

een celwand – geen celkern –

geen bladgroenkorrels

37.

Als een DNA-molecuul voor 29% uit guanine bestaat, hoeveel cytosine zal het dan bevatten?

a)
29%
b)
58%
c)
21%
d)
I have no idea.
38.

Het hele proces van overschrijven van DNA op mRNA en het uiteindelijke vormen van een functioneel eiwit noem je...

a)

transcriptie

b)

translatie

c)

eiwitsynthese

d)

exocytose

39.

Wat is nummer 2?

a)

het endoplasmatisch reticulum

b)

de ribosomen

c)

de celkern

d)

het kernmembraan