wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TL3 Thema1 organen en cellen

Total questions: 63

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Stofwisseling is een levenskenmerk. Wat zijn voorbeelden van stofwisseling?

a)

ademen en groeien

b)

groeien en ontwikkelen

c)

waarnemen en bewegen

d)

ademen en uitscheiden

2.

In een organisme komen onder andere orgaanstelsels, cellen, weefsels en organen voor. Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?

a)

weefsels-cellen- orgaanstelsels-organen

b)

weefsels-organen-orgaanstelsels-cellen

c)

cellen-organen-weefsels-orgaanstelsels

d)

cellen-weefsels-organen-orgaanstelsels

3.

Nummer 5 in de afbeelding van de torso is..

a)

een long

b)

de lever

c)

de maag

d)

de dikke darm

4.

In cellen regelt de .. alles wat er in de cel gebeuren moet.

a)

vacuole

b)

cytoplasma

c)

celkern

d)

celmembraan

5.

Een plantaardige cel is onder andere verschillende van een dierlijke cel door de aanwezigheid van ..

a)

celplasma

b)

bladgroenkorrels

c)

celkern

d)

celmembraan

6.

Planten zijn heel belangrijke organismen. Zij zijn in staat om zuurstof en voeding in de vorm van glucose te maken. Dit proces heet..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

7.

Een hond krijgt puppy's. Dit verschijnsel hoort bij het levenskenmerk ..

a)

ontwikkelen

b)

groeien

c)

voortplanten

d)

bewegen

8.

Tot welk levenskenmerk hoort 'bewegen'?

a)

Ademhalen

b)

Uitscheiden

c)

Reageren op prikkels

d)

Groei

e)

Voeden

9.

Welke levenskenmerken horen bij stofwisseling?

a)

Ademhalen

b)

Bewegen

c)

Groei

d)

Voeden

e)

Uitscheiden

10.

Ella ziet een paard gras eten.


Ziet Ella een levenskenmerk bij dit paard?

a)

Ja.

b)

Nee.

11.

Bij welke organismen komt het levenskenmerk 'reageren op prikkels' voor?

a)

Alleen bij dieren.

b)

Alleen bij planten.

c)

Bij alle organismen.

12.

Max ziet een hond rennen.


Ziet Max een levenskenmerk bij deze hond?

a)

Ja.

b)

Nee.

13.

Welke levensfase komt er na puber?

a)

volwassene

b)

adolescent

c)

peuter

d)

baby

14.

Tot welke levensfasen behoor je als je tussen de 4 en de 6 jaar oud bent?

a)

peuter

b)

kleuter

c)

schoolkind

15.

Wat is groei?

a)

Het groter en zwaarder worden van een organisme

b)

Het langer worden van een organisme

c)

Het groter worden van een organisme

16.

Pubers hebben vaak het gevoel dat ze bij een groep willen horen. Wat voor soort ontwikkeling is dit?

a)

lichamelijke ontwikkeling

b)

geestelijke ontwikkeling

c)

motorische ontwikkeling

d)

groei

17.

Welke levensfase duurt tot je ongeveer 65 bent?

a)

Bejaarde

b)

Volwassene

c)

Puber

d)

Adolescent

18.

Welke volgorde van levensfasen klopt?

a)

Baby - peuter - kleuter - schoolkind

b)

Baby - kleuter - peuter - schoolkind

c)

Peuter - baby - schoolkind - kleuter

19.

Dit is een voorbeeld van een _____.

a)

cel

b)

weefsel

c)

orgaan

d)

orgaanstelsel

20.

Dit is een voorbeeld van een _____.

a)

cel

b)

weefsel

c)

orgaan

d)

orgaanstelsel

21.

Dit is een voorbeeld van een _____.

a)

cel

b)

weefsel

c)

orgaan

d)

orgaanstelsel

22.

Dit is een voorbeeld van een _____.

a)

cel

b)

weefsel

c)

orgaan

d)

orgaanstelsel

23.

Dit is een voorbeeld van een _____.

a)

cel

b)

weefsel

c)

orgaan

d)

orgaanstelsel

24.

Dit is een voorbeeld van een _____.

a)

cel

b)

weefsel

c)

orgaan

d)

orgaanstelsel

25.

Welke van deze onderdelen hebben dierlijke cellen niet?

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Celwand

26.

Cellen zijn plat

a)

Waar

b)

Niet waar

27.

Wat is het celmembraan?

a)

Dat is hetzelfde als de celwand

b)

Dat bestaat niet

c)

Dat regelt alles wat er in de cel gebeurt

d)

Een dun vlies om het celplasma

28.

Waar pak je een microscoop aan vast?

a)

De statief

b)

De tubus

c)

De oculair

d)

De tafel

29.

Wat is tussencelstof?

a)

Een stof die tussen de cellen van weefsels zit

b)

Een stof die tussen verschillende weefsels zit

c)

Een ander woord voor weefsel

d)

Een orgaan

30.

Waar in een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?

a)

Celmembraan

b)

Celkern

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

31.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

32.
wat veroorzaakt de gele kleur van de paprika?
a)
Plastiden
b)
Bladgroenkorrels
c)
Zetmeelkorrels
d)
Kleurstofkorrels
33.

Lange dunne draden in de celkern noemen we

a)

chromosomen

b)

DNA

c)

Basen

d)

genen

34.

Je oogkleur erf je van je ouders, dit noem je een

a)

erfelijkheid

b)

overerving

c)

erfelijke eigenschap

d)

chromosoom

35.

Een ander woord voor mitose =

a)

Reductiedeling

b)

gewone celdeling

c)

speciale celdeling

d)

celdeling

36.

Wat is het nut van mitose?

a)

Het maken van (nieuwe) geslachtscellen

b)

Het maken van (nieuwe) lichaamscellen

c)

Het vernietigen van oude en beschadigde cellen

d)

Het verdelen van cellen door je lichaam

37.

In welke fase worden de chromosomen zichtbaar doordat ze zich spiraliseren en verdwijnt de kernmembraan?

a)

Fase 1

b)

Fase 2

c)

Fase 3

d)

Fase 4

e)

Fase 5

38.

Na een gewone celdeling bij een mens bevat elke dochtercel...

a)

23 chromosomen

b)

46 chromosomen

c)

48 chromosomen

d)

24 chromosomen

39.

Waardoor wordt een dochtercel na de mitose net zo groot als de moedercel?

a)

Doordat elke chromosoom een kopie maakt van zichzelf.

b)

Doordat het cytoplasma in de dochtercel toeneemt.

c)

Doordat scheiding van het cytoplasma plaatsvindt.

d)

Doordat de chromosomen in het midden van de cel gaan liggen.

40.

Waar precies bevinden zich de chromosomen in het lichaam van een mens?

a)

In het lichaam

b)

In de spieren

c)

In de cel

d)

In de celkern

41.

Marieke heeft blauwe ogen. De oogkleur is een erfelijke eigenschap. Welke stof in een lichaamscel bevat de informatie voor deze eigenschap?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

DNA

d)

Eiwit

42.

Een mens heeft 46 chromosomen in de kern van een levercel.

Hoeveel chromosomenPAREN komen dan voor in een spiercel van deze persoon?

a)

46 chromosomenparen

b)

23 chromosomenparen

c)

92 chromosomenparen

d)

2 chromosomenparen

43.

Wat ontstaat er bij de deling van een moedercel?

a)

een kindercel

b)

een dochtercel

c)

een zooncel

d)

een nakomelingcel

44.

Wie bepaalt het geslacht van het kind?

a)

Vader

b)

Moeder

45.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

46.

Welk deel van je DNA is afkomstig van je moeder?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

47.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van een mens na reductiedeling?

a)

32

b)

64

c)

46

d)

23

48.

Hoeveel chromosomen heeft een geslachtscel van een mens?

a)

0

b)

23

c)

32

d)

46

e)

64

49.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

50.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

51.

Wat is een ander woord voor de meiose?

a)

Mitose

b)

Deling

c)

Reductiedeling

52.

Kan elke cel in het lichaam de meiose doen?

a)

ja

b)

nee

53.

Nadat mitose heeft plaatsgevonden, zijn de nieuwe cellen:

a)

identiek

b)

half identiek en half verschillend

c)

verschillend

d)

allemaal gestrekt

54.
a)

Dit is mitose

b)

Dit is meiose

55.
Beantwoord de volgende vragen met behulp van deze gegevens:
een bladcel van een erwtenplant bevat 14 chromosomen;
een pootcel van een kater bevat 38 chromosomen;
een niercel van een mens bevat 46 chromosomen.
Hoeveel chromosomen bevat een staartcel van een kater?
a)
14
b)
38
c)
72
d)
46
56.

Waar is dit een foto van ?

a)

Chromosomen

b)

zaadcellen

c)

eicellen

d)

DNA

57.

Hoeveel chromosoom zitten er in een geslachtscel van de mens?

a)

23

b)

46

58.

Nummer 11 verwijst naar

a)

statief

b)

Voet

c)

Tubus

d)

Microscoop

59.

Nummer 7 verwijst naar

a)

Objectief

b)

Lens

c)

Oculair

d)

Tubus

60.
Als ik kijk door een oculair van 10x en een objectief van 20x, dan heb ik een totale vergroting van 10 x 20 = 200x.
a)
Juist
b)
Onjuist
61.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
62.
Welk orgaan valt niet onder het verteringsstelsel?
a)
dikke darm
b)
dunne darm
c)
hart
d)
maag
63.
Opnemen van zuurstof en afgeven van koolstofdioxide
a)
Ademhalingsstelsel
b)
bloedvatenstelsel
c)
verteringsstelsel
d)
zenuwstelsel