wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

GW - Woordenschat boek 1

Total questions: 21

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Wat benadrukt cultureel relativisme?

a)

Elke cultuur is gelijkwaardig aan een andere cultuur.

b)

Cultuur is alleen kunst en kunstmanifestaties.

c)

Cultuur is de gemeenschappelijke kennis van een groep.

2.

Wat is culturele identiteit?

a)

Het geheel van gemeenschappelijke patronen en gebruiken.

b)

De filter waardoorheen cultuur doorgegeven wordt.

c)

De sociale exclusie door digitale kloof.

3.

Wat is cultuur in de sociologie?

a)

Alle vormen van kunst.

b)

Gemeenschappelijke kennis, waarden, symbolen en rituelen.

c)

De filter waardoorheen cultuur doorgegeven wordt.

4.

Wat is cultuuroverdracht?

a)

De overdracht van cultuur door oudere groepsleden.

b)

De sociale exclusie door digitale kloof.

c)

Het geheel van gemeenschappelijke patronen.

5.

Wat is determinisme?

a)

Een filosofie die stelt dat de mens geen vrije wil heeft.

b)

Een onderzoek waarbij de proefpersonen niet weten.

c)

Een somatotype met een fragiele lichaamsbouw.

6.

Wat is een ectomorf type?

a)

Een somatotype met een fragiele en magere lichaamsbouw.

b)

Een somatotype met zachte lichaamsrondingen.

c)

Een persoon met meer slijm dan bloed.

7.

Wat is empirisch onderzoek?

a)

Onderzoek gebaseerd op ervaring of proefneming.

b)

Onderzoek dat alleen op berekening is gebaseerd.

c)

Onderzoek dat niet op ervaring is gebaseerd.

8.

Wat is enculturatie?

a)

Het overnemen van opvattingen uit je eigen cultuur.

b)

De sociale exclusie door digitale kloof.

c)

Een onderzoek dat wordt opgezet om een verband te onderzoeken.

9.

Wat is genderdysforie?

a)

Een aandoening waarbij iemands sekse niet overeenkomt met zijn genderidentiteit.

b)

Een onderzoek waarbij de proefpersonen niet weten.

c)

Een somatotype dat gekenmerkt wordt door zachte lichaamsrondingen.

10.

Wat is het play-stadium in de ontwikkeling van een kind?

a)

Een fase waarin kinderen alleen spelen.

b)

Een fase waarin kinderen gedragspatronen van anderen overnemen.

c)

Een fase waarin kinderen niet met anderen willen spelen.

11.

Wat is een primaire groep?

a)

Een grote groep met onpersoonlijke relaties.

b)

Een kleine groep met persoonlijke relaties.

c)

Een groep die alleen online bestaat.

12.

Wat is sociale cohesie?

a)

De gehechtheid tussen leden van een groep.

b)

De afstand tussen leden van een groep.

c)

De competitie tussen leden van een groep.

13.

Wat is sociale identiteit?

a)

Het bewustzijn van iemand om tot een bepaalde groep te behoren.

b)

De manier waarop iemand zich kleedt.

c)

De sociale status van een persoon.

14.

Wat is een steekproef?

a)

Een onderzochte groep mensen die een goede afspiegeling is van de hele te onderzoeken bevolking.

b)

Een test die op korte tijd veel informatie verwerft.

c)

Een cultuur die afwijkt van de hoofdcultuur.

d)

Een experiment dat in de echte wereld wordt uitgevoerd.

15.

Wat betekent symbolisch geweld?

a)

Het opdringen van dominante culturele symbolen.

b)

Een constante meetfout in een meetinstrument.

c)

Een instrument om informatie te verwerven.

d)

Een manier om personen te classificeren.

16.

Wat is temperament?

a)

Het aangeboren reactiepatroon dat gedrag bepaalt.

b)

Een persoonlijkheidstype op basis van constitutie.

c)

Een experiment met een controlegroep.

d)

Een taboe dat als ongepast wordt beschouwd.

17.

Wat is een taboe?

a)

Iets wat als ongepast wordt beschouwd.

b)

Een vorm van socialisatie via een medium.

c)

Een test om informatie te verwerven.

d)

Een manier om te classificeren.

18.

Wat is validiteit in onderzoek?

a)

De geldigheid van het onderzoek.

b)

Een experiment dat in de echte wereld wordt uitgevoerd.

c)

Een temperamentstype.

d)

Een persoonlijkheidstype.

19.

Wat is een wetenschappelijke test?

a)

Een instrument om op korte tijd veel informatie te verwerven.

b)

Een experiment met een controlegroep.

c)

Een cultuur die afwijkt van de hoofdcultuur.

d)

Een manier om personen te classificeren.

20.

Wat is het zelf volgens Carl Rogers?

a)

De kern van de persoonlijkheid.

b)

Een temperamentstype.

c)

Een test om informatie te verwerven.

d)

Een taboe.

21.

Wat is een zuiver experiment?

a)

Een experiment met een experimentele en een controlegroep.

b)

Een test die op korte tijd veel informatie verwerft.

c)

Een cultuur die afwijkt van de hoofdcultuur.

d)

Een manier om te classificeren.