wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

vh2 H1 Landschappen par. 1-6

Total questions: 40

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Stollingsgesteente dat gekenmerkt wordt door vlekjes.

(a)  

2.

Gebied met een hoogte van tussen de 200 en 500 meter of meer boven zeeniveau.

(a)  

3.

Gebied met een hoogte van 1500 meter of meer boven zeeniveau.

(a)  

4.

Vlak gebied met een hoogte onder de 200 meter.

(a)  

5.

Gebied met een hoogte tussen 500 en 1500 meter boven zeeniveau.

(a)  

6.

Gesteente dat ontstaat wanneer lagen sediment worden samengeperst.

(a)  

7.

Gesteente dat ontstaat wanneer vloeibaar magma hard wordt.

(a)  

8.

Verwering waarbij de samenstelling van het gesteente verandert als gevolg van de werking door zuurstof en vocht.

(a)  

9.

Gesteente dat ontstaat door het samenpersen van kalkhoudende resten van zeedieren.

(a)  

10.

Verwering waarbij gesteente verbrokkelt zonder dat de samenstelling verandert.

(a)  

11.

Hoogteverschillen in het landschap.

(a)  

12.

Het verbrokkelen van gesteente onder invloed van het weer en de werking van planten.

(a)  

13.

Het begin van de rivier, oftewel het bovenste deel dat meestal in de bergen stroomt

(a)  

14.

De uitschurende werking van stromend water, wind of ijs

(a)  

15.

Door rivierwater afgeronde stenen

(a)  

16.

Microscopisch kleine korreltjes die ontstaan als gevolg van verwering

(a)  

17.

Het langs een helling naar beneden bewegen van gesteente onder invloed van zwaartekracht

(a)  

18.

De kleine korreltjes gesteente die nog met het blote oog te zien zijn en ontstaan door verwering

(a)  

19.

Het laagste deel van een rivier, net voordat het water de zee instroomt

(a)  

20.

Nieuw land in zee dat ontstaat door sedimentatie op de plek waar een rivier in zee uitmondt

(a)  

21.

Door de wind opgewaaide zandheuvel

(a)  

22.

Vlak gebied met een hoogteligging onder de 500 meter

(a)  

23.

Het middelste deel van de rivier (tussen de bovenloop en benedenloop)

(a)  

24.

Sedimentgesteente dat ontstaat uit samengeperste klei

(a)  

25.

Het blijven liggen van verbrokkeld gesteente

(a)  

26.

De grens tussen land en water waar zand zich ophoopt

(a)  

27.

Ondiepe plaats in zee

(a)  

28.

Een mix van sedimenten (klei, leem, zand en grind) die is meegevoerd onder een gletsjer.

(a)  

29.

Fijnkorrelig zand waarbij de meeste deeltjes kleiner zijn dan 0,063 mm.

(a)  

30.

Het gebied dat afwatert op een rivier en haar zijrivieren.

(a)  

31.

Heuvels die ontstaan door de werking van gletsjers op land.

(a)  

32.

Groot en zwaar rotsblok dat met het ijs meegekomen is.

(a)  

33.

Gebied buiten de dijk dat niet beschermd wordt tegen water.

(a)  

34.

Polder in een drooggemalen meer.

(a)  

35.

Pomp waarmee polders worden drooggepompt.

(a)  

36.

Stuk land dat bij vloed (in de Waddenzee) niet meer overstroomd.

(a)  

37.

Stuk land, omgeven door dijken, waar de waterstand geregeld kan worden.

(a)  

38.

Door de mens opgeworpen heuvel als bescherming tegen overstromingen.

(a)  

39.

Grondsoort die ontstaat door de opeenhoping van dode plantenresten.

(a)  

40.

Onbegroeide delen van de Waddenzee die twee keer oer dag droogvallen.

(a)