wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling les 1 2 3

Total questions: 52

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Met een digitale kaart kan je inzoomen.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

Welke twee kaartsoorten kun je vinden in de atlas?

Klik er twee aan!

a)

Themakaart

b)

Kleurenkaart

c)

Overzichtskaart

d)

Atlas

3.

Dit is een voorbeeld van een:

a)

Themakaart

b)

Overzichtskaart

c)

Kleurenkaart

4.

Dit is een voorbeeld van een:

a)

Themakaart

b)

Overzichtskaart

c)

Kleurenkaart

5.

Waar vind je de bladwijzers van een atlas?

a)

Voorin

b)

Achterin

6.

Een namenregister of landenregister vind ik voorin of achterin de atlas?

a)

Voorin

b)

Achterin

7.

Bij kaartvakken staan er cijfers en letters naast de kaart.

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Waar vind je de bladwijzers van een atlas?

a)

Voorin

b)

Achterin

9.

Wat is er te zien op deze foto uit de atlas?

a)

Algemene legenda

b)

Trefwoorden register

c)

Bladwijzer

d)

Topografisch register

10.

De algemene legenda vind ik voorin of achterin de atlas?

a)

Voorin

b)

Achterin

11.

Wat is er te zien op deze foto uit de atlas?

a)

Algemene legenda

b)

Trefwoorden register

c)

Bladwijzer

d)

Topografisch register

12.

Een thematische kaart gaat over een onderwerp, bijvoorbeeld het klimaat.

a)

waar

b)

niet waar

13.

In een overzichtskaart is altijd een thema dat wordt behandeld

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

In een overzichtskaart wordt GEEN thema behandeld, er worden namelijk steden en landen afgebeeld.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Er zijn 3 registers welk register moet je gebruiken als je het klimaat in een gebied wilt opzoeken

a)

Landenregister

b)

Namenregister

c)

Zakenregister/Trefwoordenregister

16.

Er zijn 3 registers welk register moet je gebruiken als je Barendrecht wilt opzoeken

a)

Landenregister

b)

Namenregister

c)

Zakenregister/trefwoordenregister

17.

Er zijn 3 registers welk register moet je gebruiken als je Flevoland wil opzoeken

a)

Namenregister

b)

Landenregister

c)

Zakenregister/trefwoordregister

18.

Voorin de Atlas zit een L (a)   dit is erg handig. Hierdoor kan je namelijk opzoeken dat bijvoorbeeld de zee een blauwe kleur heeft.

19.

Wat is het verschil tussen een thematische kaart en een overzichtskaart?

a)

Een thematische kaart heeft nooit een titel, een overzichtskaart wel.

b)

Een thematische kaart gaat over een onderwerp, een overzichtskaart geeft je een overzicht van een bepaald gebied.

c)

Een thematische kaart heeft altijd verschillende kleuren, een overzichtskaart niet.

d)

Op een thematische kaart staan nooit symbolen, op een overzichtskaart wel.

20.

Als er geen noordpijl op de kaart staat is het noorden:

a)

Onder aan de kaart

b)

Onbekend

c)

Boven aan de kaart

21.

De titel van een kaart gaat over:

a)

Onderwerp & titel

b)

Alleen onderwerp

c)

Alleen titel

d)

De tekst die bij een kaart staat

22.

Welk begrip hoort bij de uitleg: Een getal dat laat zien hoeveel het gebied verkleind is.

a)

Legenda

b)

Schaal

c)

Uitzoomen

d)

Aardas

23.

Als je een berg opzoekt in de atlas kijk je:

a)

In het namenregister

b)

Op de eerste bladzijde

c)

Op de kaart van de himalaya

d)

Op de laatste bladzijde

24.

Wat kun je vinden in algemene inhoud?

a)

Je vindt hier een lijst met de betekenis van alles in de atlas.

b)

Je kunt de bladzijde en titel van de kaart aflezen.

c)

Je kunt hier de namen van alle landen in de atlas vinden.

25.

Als je een plaats zoekt waarvan je ongeveer weet waar hij ligt, gebruik je..

a)

Het trefwoordenregister

b)

De bladwijzer achterin de atlas

c)

Het register voor topografische namen

d)

De inhoudsopgave

26.

Als je de titel van een kaart weet en je zoekt de bladzijde, kijk je in..

a)

Het trefwoordenregister

b)

De bladwijzer achterin de atlas

c)

Het register voor topografische namen

d)

De inhoudsopgave

27.

Als je een symbooltje op de kaart niet begrijpt kijk je in..

a)

het register

b)

de legenda

c)

de bladwijzer

d)

de inhoudsopgave

28.

Als je wilt kijken hoeveel neerslag (regen) er in een bepaald gebied valt, welke soort kaart gebruik je dan?

a)

Thematische kaart

b)

Overzichtskaarten

c)

Regenkaarten

d)

Geografische kaarten

29.

Om de bevolkingsdichtheid van een bepaald gebied te meten deel je..

a)

Het aantal inwoners door de totale oppervlakte

b)

De totale oppervlakte door het aantal inwoners

c)

de bevolkingsdichtheid door de totale oppervlakte

d)

Het aantal inwoners door de bevolkingsdichtheid

30.

Wat voor type kaart is de bovenstaande kaart?

a)

Geografische kaart

b)

overzichtskaart

c)

thematische kaart

d)

ansichtkaart

31.

Welk schaal niveau hoort bij de kaart hiernaast?

a)

Lokaal

b)

Regionaal

c)

Nationaal

d)

Continentaal

32.

Welk schaal niveau hoort bij de kaart hiernaast?

a)

Regionaal

b)

Nationaal

c)

Continentaal

d)

Mondiaal

33.

Welk schaal niveau hoort bij de kaart hiernaast?

a)

Lokaal

b)

Regionaal

c)

Continentaal

d)

Mondiaal

34.

Welk schaal niveau hoort bij de kaart hiernaast?

a)

Lokaal

b)

Regionaal

c)

Nationaal

d)

Continentaal

35.

Welk schaal niveau hoort bij de kaart hiernaast?

a)

Regionaal

b)

Nationaal

c)

Continentaal

d)

Mondiaal

36.

Van lokaal naar regionaal, naar nationaal, naar continentaal heet inzoomen/uitzoomen?

a)

Inzoomen

b)

Uitzoomen

37.

Van continentaal naar nationaal, naar regionaal, naar lokaal heet inzoomen/uitzoomen?

a)

Inzoomen

b)

Uitzoomen

38.

Is de kaart hiernaast een overzichtskaart of een thematische kaart?

a)

Overzichtskaart

b)

Thematische kaart

39.

Is de kaart hiernaast een overzichtskaart of een thematische kaart?

a)

Overzichtskaart

b)

Thematische kaart

40.

Welke woorden horen bij het kaartje hiernaast?

a)

Overzichtskaart, lokaal schaal niveau, je ziet Gelderland

b)

Thematische kaart, regionaal schaal niveau, je ziet Gelderland

c)

Overzichtskaart, regionaal schaal niveau, je ziet Gelderland

d)

Thematische kaart, nationaal schaal niveau, je ziet Gelderland

41.

Welke woorden horen bij het kaartje hiernaast?

a)

Thematische kaart, nationaal schaal niveau, je ziet Nederland

b)

Overzichtskaart, nationaal schaal niveau, je zie Nederland

c)

Thematische kaart, continentaal schaal niveau, je zie Nederland

d)

Overzichtskaart, lokaal schaal niveau, je ziet Nederland

42.

Wat kun je op een overzichtskaart zien?

a)

Informatie over één bepaald onderwerp in een gebied.

b)

Details zoals wegen, rivieren en huizen.

c)

Informatie over het klimaat.

d)

Informatie over het bodemgebruik.

43.

Welk van de onderstaande kenmerken hoort bij een thematische kaart?

a)

Het geeft veel details van een gebied.

b)

Het geeft een overzicht van het gebied.

c)

Het toont informatie over één bepaald onderwerp in een gebied.

d)

Het toont verschillende soorten onderwerpen in een gebied.

44.

Peter onderzoekt de armoede in de wereld. Welk schaalniveau is dit?

a)

Mondiaal schaalniveau

b)

Internationaal schaalniveau

c)

Nationaal schaalniveau

d)

Regionaal schaalniveau

e)

Lokaal schaalniveau

45.

Wanneer je kijkt naar een streek of provincie dan kijk je op ...

a)

Mondiaal schaalniveau

b)

Internationaal schaalniveau

c)

Nationaal schaalniveau

d)

Regionaal schaalniveau

e)

Lokaal schaalniveau

46.

Welk niveau hoort bij Gelderland?

a)

Mondiaal schaalniveau

b)

Internationaal schaalniveau

c)

Nationaal schaalniveau

d)

Regionaal schaalniveau

e)

Lokaal schaalniveau

47.

Wat is een legenda?

a)

Een lijst met de betekenis van alles in de boek.

b)

Een lijst met de betekenis van alles in een atlas.

c)

Een lijst waarin je kunt vinden waar alles staat in een atlas.

48.

Waar vind je de noordpijl als die niet op de kaart staat?

a)

Boven aan de kaart

b)

Onder aan de kaart

c)

zijkant

49.

Waar in de atlas vindt je de legenda?

a)

In/naast de kaart

b)

Voorin de atlas

c)

Achterin de atlas

50.
Wat mist er op deze kaart?
a)
Legenda
b)
Noordpijl
c)
Schaal
d)
Titel
51.
Waar of niet waar?
Als je een kleiner gebied wilt bekijken met meer detail, moet je inzoomen.
a)
Waar
b)
Niet waar
52.

Een kaart heeft een schaal van 1: 100.000. Hoeveel kilometer is dat in werkelijkheid?

a)

1 km

b)

10 km

c)

15 km

d)

100 km