wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

RSG 5V 4.2 Vragen over Prijselasticiteit

Total questions: 67

Worksheet time: 45mins

Name
Class
Date
1.

Wat is prijselasticiteit van de vraag?

a)

De verandering van de prijs door de vraag

b)

De relatieve verandering van de vraag door een prijsverandering

c)

De verandering van de omzet door de prijs

d)

De totale vraag naar een product

2.

Wat is het gevolg van een prijsdaling voor normale goederen?

a)

De vraag stijgt

b)

De vraag daalt

c)

De prijs daalt

d)

De omzet daalt

3.

Wat is het substitutie-effect?

a)

Consumenten kopen meer van een product door inkomensstijging

b)

Consumenten vervangen duurdere producten door goedkopere

c)

De prijs van een product stijgt door hogere vraag

d)

Consumenten kopen minder van een product als de prijs daalt

4.

Wat is het inkomenseffect?

a)

De verandering van de prijs door de vraag

b)

De verandering in koopkracht door een prijsverandering

c)

De verandering van de vraag door inkomensstijging

d)

De invloed van concurrerende producten

5.

Wat is de formule voor prijselasticiteit van de vraag?

a)

Ev = % Δ P / % Δ Qv

b)

Ev = % Δ Qv / % Δ P

c)

Ev = Qv / P

d)

Ev = P / Qv

6.

Bij een prijselasticiteit van Ev = -1,25, wat gebeurt er als de prijs met 10% stijgt?

a)

De vraag daalt met 12,5%

b)

De vraag daalt met 10%

c)

De vraag stijgt met 1,25%

d)

De omzet blijft gelijk

7.

Als de prijs stijgt van €2 naar €3 en de vraag daalt van 6 naar 5, wat is de prijselasticiteit?

a)

-0,33

b)

-0,5

c)

-1,5

d)

-2

8.

Wat is het effect op de omzet als de prijselasticiteit van de vraag negatief is en de prijs stijgt?

a)

De omzet daalt

b)

De omzet stijgt

c)

De omzet blijft gelijk

d)

De omzet fluctuert

9.

Als de prijselasticiteit Ev = -0,5 is, wat betekent dit?

a)

De vraag reageert sterk op prijsveranderingen

b)

De vraag is volkomen inelastisch

c)

De vraag is inelastisch

d)

De vraag is elastisch

10.

Wat is een voorbeeld van een product met een inelastische vraag?

a)

Luxe auto's

b)

Sigaretten

c)

Televisies

d)

Schoenen

11.

Wat is een kruiselings verband?

a)

Het effect van de prijs van één product op de vraag naar datzelfde product

b)

Het effect van de prijs van één product op de vraag naar een ander product

c)

Het effect van de vraag op de prijs van een product

d)

De relatie tussen vraag en aanbod

12.

Wat zijn substitutiegoederen?

a)

Goederen die elkaar aanvullen

b)

Goederen die elkaar vervangen

c)

Goederen die niet met elkaar te maken hebben

d)

Goederen die altijd in dezelfde hoeveelheid worden gekocht

13.

Wat gebeurt er met de vraag naar complementaire goederen als de prijs van het ene goed stijgt?

a)

De vraag naar het complementaire goed stijgt

b)

De vraag naar het complementaire goed daalt

c)

De vraag blijft gelijk

d)

De prijs van het complementaire goed stijgt

14.

Wat gebeurt er met de vraag naar het complementaire goed als de prijs van het ene goed stijgt?

a)

De vraag naar het complementaire goed stijgt

b)

De vraag naar het complementaire goed daalt

c)

De vraag blijft gelijk

d)

De prijs van het complementaire goed stijgt

15.

Een voorbeeld van complementaire goederen is:

a)

Brood en jam

b)

Cola en chips

c)

Auto's en benzine

d)

Fietsen en scooters

16.

Wat is inkomenselasticiteit van de vraag?

a)

De verandering van de vraag door prijsverandering

b)

De verandering van de vraag door inkomensverandering

c)

De verandering van het inkomen door vraag

d)

De totale vraag naar luxe goederen

17.

Wat betekent een inkomenselasticiteit Ey = 1,5?

a)

De vraag daalt bij inkomensstijging

b)

Luxe goederen

c)

Primaire goederen

d)

Inferieure goederen

18.

Wat is een voorbeeld van een inferieur goed?

a)

Luxe vakanties

b)

Merkkleding

c)

Instant maaltijden

d)

Gezond voedsel

19.

Wat gebeurt er met de vraag naar primaire goederen als het inkomen stijgt?

a)

De vraag daalt

b)

De vraag stijgt

c)

De vraag blijft gelijk

d)

De vraag fluctueert

20.

Wat betekent het als de prijselasticiteit Ev = -2?

a)

De vraag reageert sterk op prijsveranderingen

b)

De vraag is inelastisch

c)

De vraag is volkomen inelastisch

d)

De vraag is constant

21.

Wat gebeurt er met de omzet als de prijs van een elastisch product stijgt?

a)

De omzet stijgt

b)

De omzet daalt

c)

De omzet blijft gelijk

d)

De omzet fluctueert

22.

Als de prijselasticiteit Ev = -1 is, wat betekent dat voor de omzet bij een prijsverhoging?

a)

De omzet daalt

b)

De omzet stijgt

c)

De omzet blijft gelijk

d)

De omzet fluctueert

23.

Wat is de betekenis van een negatieve prijselasticiteit?

a)

De vraag daalt bij prijsverhoging

b)

De vraag stijgt bij prijsverhoging

c)

De vraag is constant

d)

De vraag fluctueert

24.

Waarom is de prijselasticiteit van de vraag niet constant?

a)

Door veranderingen in het aanbod

b)

Door veranderingen in de vraaglijn

c)

Door de prijs en hoeveelheid

d)

Door externe factoren

25.

Wat gebeurt er met de prijselasticiteit naarmate de prijs stijgt?

a)

De elasticiteit neemt altijd toe

b)

De elasticiteit verandert langs de vraaglijn

c)

De elasticiteit blijft constant

d)

De elasticiteit daalt altijd

26.

Als de prijs stijgt van €6 naar €7 en de vraag daalt van 2 naar 1, wat is dan de prijselasticiteit?

a)

-1,5

b)

-2,0

c)

-3,0

d)

-4,0

27.

Wat kunnen bedrijven doen met de kennis van prijselasticiteit?

a)

Hun prijzen verhogen zonder gevolgen

b)

Hun marketingstrategieën aanpassen

c)

Onbeperkt produceren

d)

Hun omzet voorspellen zonder analyses

28.

Welke van de volgende producten is waarschijnlijk het meest elastisch?

a)

Basisvoedsel

b)

Luxe goederen

c)

Medicijnen

d)

Brandstof

29.

Welke producten is waarschijnlijk het meest elastisch?

a)

Basisvoedsel

b)

Luxe goederen

c)

Medicijnen

d)

Brandstof

30.

Wat is een belangrijke factor bij het bepalen van de prijselasticiteit?

a)

Het aantal concurrerende producten

b)

De merknaam van het product

c)

De verpakking van het product

d)

De locatie van de verkoop

31.

Wat kan een ondernemer doen om de vraag naar een product te stimuleren als de prijs stijgt?

a)

De prijs verlagen

b)

De kwaliteit verbeteren

c)

Meer adverteren

d)

Meer distributiekanalen openen

32.

Wat laat een vraaglijn zien?

a)

De relatie tussen vraag en aanbod

b)

De relatie tussen prijs en hoeveelheid gevraagde producten

c)

De totale omzet van een product

d)

De verhouding tussen kosten en prijzen

33.

Wat gebeurt er als de vraaglijn verschuift naar rechts?

a)

De vraag daalt

b)

De vraag stijgt

c)

De prijs daalt

d)

De prijs stijgt

34.

Wat is het effect van een verhoging van het inkomen op luxe goederen?

a)

De vraag daalt

b)

De vraag stijgt

c)

De vraag blijft gelijk

d)

De prijs daalt

35.

Wat is de kans dat de vraag naar een inferieur goed stijgt bij inkomensverhoging?

a)

De vraag stijgt

b)

De vraag daalt

c)

De vraag blijft gelijk

d)

De vraag fluctueert

36.

Wat kan een verandering in de prijs van een substituut veroorzaken?

a)

Een daling in de vraag naar het originele product

b)

Een stijging in de vraag naar het originele product

c)

Geen effect op de vraag

d)

Een prijsdaling van het originele product

37.

Waarom is het belangrijk voor bedrijven om de prijselasticiteit te begrijpen?

a)

Om hun productiecapaciteit te maximaliseren

b)

Om hun prijsstrategie te optimaliseren

c)

Om hun werknemers te betalen

d)

Om te voldoen aan regelgeving

38.

Wat is een voorbeeld van een product dat inelastisch is?

a)

Luxe reizen

b)

Koffie

c)

Televisies

d)

Modetrends

39.

Welke van de volgende factoren beïnvloedt de prijselasticiteit niet?

a)

Beschikbaarheid van substituten

b)

Type product

c)

Verpakking van het product

d)

Inkomensniveau van consumenten

40.

Wat kan er gebeuren als de prijs van een inferieur goed daalt?

a)

De vraag stijgt

b)

De vraag daalt

c)

De vraag blijft gelijk

d)

De prijs stijgt

41.

Wat is de betekenis van de term 'verzadigings-inkomen'?

a)

Het inkomen dat nodig is om basisbehoeften te dekken

b)

Het inkomen boven een bepaald niveau dat de vraag naar luxe goederen beïnvloedt

c)

Het inkomen dat de totale omzet maximaliseert

d)

Het inkomen dat geen invloed heeft op de vraag

42.

Wat kunnen bedrijven doen als ze merken dat de vraag naar hun product elastisch is?

a)

Prijzen verhogen

b)

Prijzen verlagen

c)

Productkwaliteit verlagen

d)

Minder adverteren

43.

De vraag veranderd met ..%

(a)  

44.

De vraag verandert met ..%

(a)  

45.

De prijs is veranderd met ..%

(a)  

46.

Dit product is .....

a)

Prijselastisch

b)

Prijsinelastisch

c)

Niet elastisch niet inelastisch

47.

Om de omzet te laten stijgen, moet de prijs ....

a)

omhoog

b)

omlaag

c)

de kun je niet weten

48.

Dit product is ...

a)

elastisch

b)

inelastisch

c)

niet elastisch niet inelastisch

49.

Bekijk de volgende formules:

1 => PE = %ΔQ/%Δp

2 => IE = %ΔQ/%ΔI

a)

Formule 1 geeft het Prijselasticiteitscijfer, Formule 2 geeft het Inkomenselasticiteitscijfer

b)

Beide formules zijn verkeerd

c)

Formule 1 geeft het Inkomenselasticiteitscijfer, Formule 2 geeft het Prijselasticiteitscijfer

d)

Formule 1 berekent het consumentensurplus en formule 2 berekent het vraagoverschot

50.

Wat meet de inkomenselasticiteit van de vraag (Ey)?

a)

De verandering van het inkomen

b)

De verandering van de prijs

c)

De verandering van de vraag door een inkomensverandering

d)

De verandering van het aanbod

51.

Wat is de formule voor Ey?

a)

%ΔP / %ΔQ

b)

%ΔQ / %ΔY

c)

%ΔY / %ΔQ

d)

%ΔQ / %ΔP

52.

Wat betekent een Ey van 1,5?

a)

De vraag daalt bij inkomensstijging

b)

De vraag stijgt met 1,5% bij 1% inkomensstijging

c)

De vraag stijgt met 1,5% bij 10% inkomensstijging

d)

De vraag stijgt met 15% bij 10% inkomensstijging

53.

Wat gebeurt er met de vraag naar een product als Ey > 1 en het inkomen stijgt?

a)

De vraag daalt

b)

De vraag blijft gelijk

c)

De vraag stijgt relatief sterker

d)

De prijs stijgt

54.

Wat zijn luxe goederen?

a)

Goederen met Ey < 0

b)

Goederen met Ey tussen 0 en 1

c)

Goederen met Ey > 1

d)

Goederen met Ey = 0

55.

Wat zijn inferieure goederen?

a)

Goederen met Ey > 1

b)

Goederen met Ey tussen 0 en 1

c)

Goederen met Ey < 0

d)

Goederen met Ey = 0

56.

Wat betekent een Ey van -0,5?

a)

De vraag stijgt bij inkomensstijging

b)

De vraag daalt bij inkomensstijging

c)

De vraag blijft gelijk

d)

De prijs daalt

57.

Wat is een voorbeeld van een primair goed?

a)

Brood

b)

iPad

c)

Dure auto

d)

Champagne

58.

Wat is een voorbeeld van een inferieur goed?

a)

AH Excellent

b)

AH Basic

c)

Biologische producten

d)

Dure wijn

59.

Wat gebeurt er met de vraag naar luxe goederen als het inkomen daalt?

a)

De vraag stijgt

b)

De vraag daalt

c)

De vraag blijft gelijk

d)

De prijs stijgt

60.

Wat betekent het als Ey = 0?

a)

De vraag verandert niet bij inkomensverandering

b)

De vraag stijgt

c)

De vraag daalt

d)

Het inkomen blijft gelijk

61.

Wat is het drempelinkomen bij luxe goederen?

a)

Het inkomen waarbij de vraag daalt

b)

Het inkomen waarbij de vraag begint te stijgen

c)

Het inkomen waarbij de prijs stijgt

d)

Het inkomen waarbij de vraag stopt

62.

Waarom is Ey belangrijk voor bedrijven?

a)

Om de prijs te bepalen

b)

Om het effect van inkomensveranderingen op de vraag te begrijpen

c)

Om de belasting te berekenen

d)

Om de productie te verlagen

63.

Wat kan een bedrijf doen als Ey hoog is?

a)

De prijs verlagen

b)

De productie verlagen

c)

De marketing richten op hogere inkomens

d)

De prijs van andere producten verlagen

64.
De kruisprijselasticiteit van de vraag naar product X en de prijs van product Y is groter dan nul. De goederen X en Y zijn...
a)
luxe goederen.
b)
primaire goederen.
c)
substitutiegoederen.
d)
complementaire goederen.
65.

Op een markt is de volgende ontwikkeling waarneembaar die het gevolg is van een verandering van het (besteedbaar) inkomen van consumenten. Hierover twee beweringen.

I: De vraaglijn verschuift naar rechts, dan is er altijd sprake van een toename van het inkomen.

II: De vraaglijn verschuift naar rechts, dan kan er nooit sprake zijn van een inferieur goed.

a)

Beide beweringen zijn juist.

b)

Bewering I is juist, bewering II is onjuist.

c)

Bewering II is juist, bewering I is onjuist.

d)

Beide beweringen zijn onjuist.

66.

Op een markt is de volgende ontwikkeling waarneembaar die het gevolg is van een prijsontwikkeling op een andere markt. Hierover twee beweringen die de ontwikkeling verklaren:

I: Het goed op de andere markt is een complementair goed dat in prijs is gedaald.

II: Het goed op de andere markt is een substitutiegoed dat in prijs is gestegen.

a)

Beide beweringen zijn juist.

b)

Bewering I is juist, bewering II is onjuist.

c)

Bewering II is juist, bewering I is onjuist.

d)

Beide beweringen zijn onjuist.

67.

In de volgende afbeelding zien we een functie die het verband tussen inkomen (I) en vraag (Qv) naar een product beschrijft. Om welk type goed gaat het hier?

a)

Een luxe goed.

b)

Een inferieur goed.

c)

Een noodzakelijk goed.

d)

Een inelastisch goed.