wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

RSG 5H 4.3 Overheidsingrijpen

Total questions: 85

Worksheet time: 48mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer is er sprake van marktfalen?

a)

Bij perfecte concurrentie

b)

Bij negatieve of positieve externe effecten

c)

Bij voldoende aanbod

d)

Bij constante prijzen

2.

Wat zijn externe effecten?

a)

Gevolgen van productie die niet in de prijs zijn verwerkt

b)

Gevolgen van consumentengedrag

c)

Veranderingen in de vraag

d)

Veranderingen in het aanbod

3.

Wat kan de overheid doen bij marktfalen?

a)

Niets

b)

Minimumprijzen instellen

c)

Maximaal productie verhogen

d)

De markt sluiten

4.

Wat is een voorbeeld van een minimumprijs?

a)

Huurprijzen

b)

Europese landbouwbeleid

c)

Medicijnen

d)

Loonbelasting

5.

Wat gebeurt er als een minimumprijs wordt ingesteld boven de marktprijs?

a)

Er ontstaat een vraagoverschot

b)

Er ontstaat een aanbodoverschot

c)

Er is geen effect

d)

De vraag neemt toe

6.

Wat is het effect van een maximumprijs op de markt?

a)

Verhoogt het aanbod

b)

Verhoogt de vraag

c)

Vermindert de vraag

d)

Verhoogt de producentenwinst

7.

Wat is een voorbeeld van een markt met maximumprijzen?

a)

Agrarische producten

b)

Sociale huurwoningen

c)

Luxe goederen

d)

Elektronica

8.

Wat is het effect van een maximumprijs die onder de marktprijs ligt?

a)

Vraagoverschot ontstaat

b)

Aanbodoverschot ontstaat

c)

Vraag en aanbod blijven gelijk

d)

Producenten verdienen meer

9.

Wat kan een vraagoverschot leiden tot?

a)

Verhoogde productie

b)

Wachtlijsten

c)

Lagere prijzen

d)

Meer aanbod

10.

Wat is het doel van belastingheffing door de overheid?

a)

Verhogen van de vraag

b)

Internaliserende van negatieve externe effecten

c)

Verlaging van de prijzen

d)

Vermindering van het aanbod

11.

Wat gebeurt er als de overheid een belasting invoert?

a)

De aanbodlijn verschuift naar rechts

b)

De aanbodlijn verschuift naar links

c)

De vraaglijn verschuift naar links

d)

De vraaglijn verschuift naar rechts

12.

Wat is de nieuwe aanbodfunctie na het invoeren van een belasting van €6?

a)

Qa = 0,4P - 6

b)

Qa = 0,4P - 8,4

c)

Qa = 0,5P - 1

d)

Qa = -0,4P + 7

13.

Wat is het effect van een subsidie op de aanbodlijn?

a)

De aanbodlijn verschuift naar links

b)

De aanbodlijn verschuift naar rechts

c)

De vraaglijn verschuift naar links

d)

De vraaglijn verschuift naar rechts

14.

Wat is een voorbeeld van een positieve externe effect?

a)

Verontreiniging

b)

Onderwijs

c)

Roken

d)

Vervuiling

15.

Wat is het doel van een subsidie?

a)

Verhogen van de belastinginkomsten

b)

Stimuleren van consumptie

c)

Verlagen van de vraag

d)

Verminderen van de productie

16.

Wat is het effect van een subsidie van €2 per product?

a)

De prijs voor de consument stijgt

b)

De prijs voor de consument daalt

c)

Het aanbod daalt

d)

De vraag daalt

17.

Wat is het resultaat van een belasting voor consumenten?

a)

De prijzen stijgen

b)

De prijzen dalen

c)

De prijzen blijven gelijk

d)

Het aanbod neemt toe

18.

ltaat van een belasting voor consumenten?

a)

De prijzen stijgen

b)

De prijzen dalen

c)

De prijzen blijven gelijk

d)

Het aanbod neemt toe

19.

Wat is de rol van de overheid bij marktfalen?

a)

Niets doen

b)

Ingrijpen om welvaart te verbeteren

c)

De markt volledig reguleren

d)

Concurrentie bevorderen

20.

Wat is de definitie van surplus in de economie?

a)

Het totale aanbod op de markt

b)

Het verschil tussen vraag en aanbod

c)

Het verschil tussen betalingsbereidheid en prijs

d)

De totale winst van producenten

21.

Wat gebeurt er bij een prijsverhogende belasting?

a)

De vraag stijgt

b)

De vraag daalt

c)

De productie neemt toe

d)

Het aanbod stijgt

22.

Wat is het effect van een belasting op producenten?

a)

Ze ontvangen minder na belasting

b)

Hun winst neemt toe

c)

Hun aanbod neemt toe

d)

Hun prijzen dalen

23.

Hoeveel procent van de belasting kan op consumenten worden afgewenteld?

a)

Altijd 100%

b)

Afhankelijk van de marktsituatie

c)

Nooit

d)

Altijd 0%

24.

Wat gebeurt er met de welvaart als het totale surplus afneemt?

a)

De welvaart neemt toe

b)

De welvaart blijft gelijk

c)

De welvaart neemt af

d)

De welvaart is niet beïnvloedbaar

25.

Wat is de impact van een subsidie op de producent?

a)

Producenten krijgen minder voor hun producten

b)

Producenten ontvangen meer door de subsidie

c)

Producenten worden ontmoedigd

d)

Producenten moeten meer belasting betalen

26.

Wat wordt bedoeld met 'oneerlijke concurrentie'?

a)

Te veel aanbieders op de markt

b)

Goedkopere producenten uit het buitenland

c)

Slechte productkwaliteit

d)

Te hoge prijzen

27.

Wat is een gevolg van een aanbodoverschot?

a)

Producenten verhogen hun prijzen

b)

Overheid moet het overschot opkopen

c)

Vraag neemt toe

d)

Vraag daalt niet

28.

Wat is de functie van minimumprijzen?

a)

Verlagen van het aanbod

b)

Beschermen van consumenten

c)

Beschermen van producenten

d)

Verhogen van belastinginkomsten

29.

Wat is de doelstelling van maximumprijzen?

a)

Verhogen van de koopkracht

b)

Verminderen van de productie

c)

Verlagen van de belasting

d)

Verhogen van het aanbod

30.

Wat gebeurt er met de vraag als een maximumprijs wordt ingesteld?

a)

De vraag stijgt

b)

De vraag daalt

c)

De vraag blijft gelijk

d)

De vraag fluctuates

31.

Wat is het effect van belasting op de consumentenprijs?

a)

De prijs daalt

b)

De prijs stijgt

c)

De prijs blijft gelijk

d)

De prijs fluctueert

32.

Wat zijn belastingontvangsten?

a)

Het geld dat aan de consumenten wordt betaald

b)

Het geld dat de overheid ontvangt door belastingen

c)

Het geld dat producenten ontvangen

d)

Het geld dat verloren gaat in de markt

33.

Wat is het resultaat van een subsidie voor consumenten?

a)

De prijs stijgt

b)

De prijs daalt

c)

De prijs blijft gelijk

d)

De prijs fluctueert

34.

Wat gebeurt er met de consument bij een prijsverhogende belasting?

a)

Ze betalen minder

b)

Ze betalen meer

c)

Ze betalen gelijk

d)

Ze betalen niets

35.

Wat is het effect van overheidsingrijpen op de marktevenwicht?

a)

Het verandert de vraag

b)

Het verandert het aanbod

c)

Het verandert de prijs alleen

d)

Het heeft geen effect

36.

Wat is een resultaat van het opkopen van overschotten door de overheid?

a)

Verlaagde belastingdruk

b)

Hogere belastingdruk

c)

Lagere prijzen voor consumenten

d)

Hogere productie

37.

Wat is de definitie van het consumentensurplus?

a)

Het verschil tussen ontvangen prijs en de bereidheid te betalen

b)

Het verschil tussen productieprijs en verkoopprijs

c)

Het totale inkomen van producenten

d)

De totale belastinginkomsten

38.

Wat zijn de mogelijke gevolgen van een prijsverlagende subsidie?

a)

Lagere vraag

b)

Hogere vraag en aanbod

c)

Geen effect

d)

Lagere productie

39.

Hoe beïnvloedt een belasting de producentenwinst?

a)

Verhoogt de producentenwinst

b)

Vermindert de producentenwinst

c)

Heeft geen effect

d)

Verandert de winst niet

40.

Wat is de rol van lobbygroepen in overheidsbesluiten?

a)

Beïnvloeden van belastingtarieven

b)

Beïnvloeden van beleid

c)

Beïnvloeden van prijsstelling

d)

Beïnvloeden van aanbod

41.

Wat is een voorbeeld van een negatieve externe effect?

a)

Vaccinaties

b)

Roken

c)

Onderwijs

d)

Sport

42.

Wat gebeurt er als een belasting te hoog is?

a)

Vraag neemt toe

b)

Vraag neemt af

c)

Aanbod neemt toe

d)

Aanbod blijft gelijk

43.

Wat is de functie van de overheid bij marktfalen?

a)

Ondersteuning van monopolies

b)

Reguleren van de markt

c)

Verhogen van prijzen

d)

Verminderen van concurrentie

44.

Wat gebeurt er met het producentensurplus na het instellen van een belasting?

a)

Het neemt toe

b)

Het neemt af

c)

Het blijft gelijk

d)

Het fluctueert

45.

Wat gebeurt er met de prijs na een subsidie?

a)

De prijs stijgt

b)

De prijs daalt

c)

De prijs blijft gelijk

d)

De prijs fluctueert

46.

Wat is het effect van een subsidie op de vraag naar een product?

a)

De vraag neemt af

b)

De vraag neemt toe

c)

De vraag blijft gelijk

d)

De vraag fluctueert

47.

Wat is de functie van belastingen in de economie?

a)

Alleen om de overheid te financieren

b)

Om externe effecten te internaliseren

c)

Om de prijzen te verhogen

d)

Om monopolies te creëren

48.

Wat gebeurt er bij het instellen van een minimumprijs?

a)

Er ontstaat een vraagoverschot

b)

Er ontstaat een aanbodoverschot

c)

De marktprijs daalt

d)

De vraag neemt af

49.

Wat is het gevolg van een maximumprijs op een noodzakelijk product?

a)

Meer productie

b)

Vraagoverschot

c)

Minder vraag

d)

Hogere prijzen

50.

Wat is de impact van overheidsingrijpen op de consument?

a)

Verhoogde belastingdruk

b)

Verminderde belastingdruk

c)

Gelijke prijzen

d)

Hogere koopkracht

51.

Wat is een mogelijke reden voor overheidsfalen?

a)

Goede regulering

b)

Politieke corruptie

c)

Hogere belastinginkomsten

d)

Verbetering van markten

52.

Wat is het effect van een subsidie voor de consument?

a)

Hogere prijzen

b)

Lagere prijzen

c)

Gelijke prijzen

d)

Fluctuerende prijzen

53.

Wat kan de overheid doen om negatieve externe effecten te verminderen?

a)

Niets

b)

Belasting heffen

c)

Subsidies geven

d)

Prijzen verlagen

54.

Wat gebeurt er met de markt bij een belastingheffing?

a)

Vraag en aanbod blijven gelijk

b)

Aanbodlijn verschuift naar links

c)

Vraaglijn verschuift naar rechts

d)

Marktprijs blijft gelijk

55.

Wat is de rol van overheidsingrijpen bij marktfalen?

a)

Het creëren van monopolieposities

b)

Het verbeteren van de welvaart

c)

Het verhogen van de prijzen

d)

Het verminderen van concurrentie

56.

Wat is het gevolg van een maximumprijs op de markt?

a)

Een aanbodoverschot

b)

Een vraagoverschot

c)

Stabiliteit van de prijzen

d)

Hogere kosten voor producenten

57.

Hoe bereken je het aanbodoverschot bij een minimumprijs?

a)

Aanbod minus vraag bij de minimumprijs

b)

Vraag minus aanbod bij de minimumprijs

c)

Gemiddelde prijs minus kosten

d)

Totale kosten gedeeld door de hoeveelheid

58.

Hoe arceer je het aanbodoverschot in een grafiek?

a)

Door het gebied onder de vraaglijn aan te geven

b)

Door het gebied boven de aanbodlijn aan te geven

c)

Door het gebied tussen de aanbod- en vraaglijn bij de minimumprijs te markeren

d)

Door de totale opbrengst te berekenen

59.

Bij welke prijs is er geen aanbodoverschot of vraagoverschot?

a)

Bij de minimumprijs

b)

Bij de maximumprijs

c)

Bij de evenwichtsprijs

d)

Bij een prijsverhoging

60.

Welke van de volgende stellingen over een minimumprijs is waar?

a)

De overheid verhoogt de vraag

b)

Het zorgt voor een tekort aan producten

c)

Het kan leiden tot een overschot van aanbod

d)

Het verlaagt de productie

61.

Wat is een direct gevolg van een maximumprijs op de markt?

a)

Stijgende prijzen

b)

Toenemende productie

c)

Tekorten in de beschikbaarheid van producten

d)

Verminderde vraag

62.

Wat houdt het arceren van surplus in?

a)

Het markeren van verloren omzet

b)

Het aanduiden van winst voor producenten

c)

Het visualiseren van veranderingen in welvaart door overheidsingrijpen

d)

Het berekenen van belastingverliezen

63.

Waarom zou een overheid ervoor kiezen om een maximumprijs in te voeren?

a)

Om een overschot aan aanbod te creëren

b)

Om consumenten te beschermen tegen hoge prijzen

c)

Om producenten te stimuleren

d)

Om de inflatie te verlagen

64.

Wat is een voorbeeld van een situatie waarbij een minimumprijs is ingesteld?

a)

Maximaliseren van export

b)

Bescherming van landbouwinkomsten

c)

Reguleren van luchtvaarttarieven

d)

Beperken van technologieprijzen

65.

Wat is een efficiënte marktvorm?

a)

Een marktvorm waar helemaal geen overschotten zijn

b)

Een marktvorm waar geen vraagoverschot is

c)

Een marktvorm waar geen aanbodoverschot is

d)

Een marktvorm waarbij het totale surplus maximaal is

66.

Waarom voert de overheid een minimumprijs in?

a)

Om de consumenten te beschermen tegen hoge prijzen

b)

Om producenten te beschermen tegen lage prijzen

c)

Om de belastinginkomsten te verhogen

d)

Om de concurrentie te verminderen

67.

Wat is de functie van consumenten- en producentensurplus?

a)

Het meten van de totale verkoop

b)

Het bepalen van de marktstructuur

c)

Het aangeven van de voordelen voor consumenten en producenten

d)

Het berekenen van de belastinginkomsten

68.

Wat is een mogelijke kostenpost voor de overheid bij een minimumprijs?

a)

Belastinginkomsten

b)

Kosten voor het opkopen van het aanbodoverschot

c)

Subsidies aan consumenten

d)

Verlies van producenten

69.

Wat is een efficiënte marktvorm?

a)

Een marktvorm waar helemaal geen overschotten zijn

b)

Een marktvorm waar geen vraagoverschot is

c)

Een marktvorm waar geen aanbodoverschot is

d)

Een marktvorm waarbij het totale surplus maximaal is

70.

Een minimumprijs veroorzaakt een aanbodtekort

a)

Dit is juist

b)

Dit is onjuist

71.

Een maximumprijs heeft alleen effect beneden de evenwichtsprijs

a)

Dit is juist

b)

Dit is onjuist

72.

Waarom stelt de overheid normaliter een minimumprijs in?

a)

Om producenten te beschermen tegen een te lage prijs bij vrije marktwerking

b)

Om consumenten te beschermen tegen een te hoge prijs bij vrije marktwerking

73.

Negatieve externe effecten zijn negatieve gevolgen van productie of consumptie voor de welvaart van anderen, zonder dat de producent of consument daarvoor een vergoeding betaalt.

a)

JUIST

b)

ONJUIST

74.

Negatieve externe effecten zijn negatieve gevolgen van productie of consumptie voor de welvaart van anderen zonder dat de producent of consument daarvoor een vergoeding betaalt. Een voorbeeld van negatieve externe effecten bij veeteelt / vleesproductie:

a)

JUIST

b)

ONJUIST

75.
  • Negatief extern effect: een vermindering van de welvaart door milieuvervuiling (CO2 en methaan uitstoot, luchtvervuiling, verontreiniging water, geluidsoverlast)

a)

JUIST

b)

ONJUIST

76.

Als een extern effect is geïnternaliseerd of “intern gemaakt”, is er niet langer sprake van een extern effect. Het internaliseren van een negatief extern effect wil zeggen dat de producent of consument moet betalen voor de negatieve gevolgen (bijvoorbeeld via boetes of belastingen).

a)

JUIST

b)

ONJUIST

77.

Positieve externe effecten zijn positieve gevolgen van productie of consumptie voor de welvaart van anderen zonder dat daarvoor wordt betaald.

a)

JUIST

b)

ONJUIST

78.

Een voorbeeld van positieve externe effecten bij het plaatsen van zonnepanelen:

  • Positief: er is sprake van een toename van de welvaart doordat het milieu verbetert en klimaatverandering wordt tegengegaan door minder gebruik van fossiele brandstoffen

  • Extern: de maatschappelijke opbrengsten van het effect zijn niet in de prijs van de zonnepanelen verwerkt

a)

JUIST

b)

ONJUIST

79.
Deze afbeelding schetst de situatie op de graanmarkt.
Maak de volgende opmerking af: "Door het instellen van een minimumprijs van € 210 ontstaat er een ....I... en dit bedraagt ...II..... miljoenen ton graan."
a)
I = vraagoverschot; II = 90
b)
I = vraagoverschot; II = 45
c)
I = aanbodoverschot; II = 45
d)
I = aanbodoverschot; II = 90
80.
Deze afbeelding schetst de situatie op de graanmarkt. De overheid stelt een minimumprijs in van € 210 per ton graan. De overheid dwingt met een quotum af dat producenten niet meer produceren dan er door vragers gekocht wordt.
Door het instellen van de minimumprijs treedt er welvaartsverlies op dit is vlak ..I.. en vindt er een verschuiving van surplus plaats tussen consumenten en producenten, dit is vlak ..II...
a)
I = K, II = M
b)
I = L, II = K
c)
I = M, II = L
d)
I = L, II = M
81.

Deze afbeelding schetst de situatie op de graanmarkt. De overheid besluit in te grijpen met een minimumprijs van € 210 en het aanbodoverschot op te kopen. De opkoopkosten bedragen dan ....

a)

2.700

b)

5.400

c)

18.900

d)

37.800

82.

De accijns per kg is:

a)

€ 2,-

b)

€ 4,-

c)

€ 5,50

d)

€ 5,33

83.

Het surplus voor de overheid is

a)

De blauwe driehoek

b)

De rode driehoek

c)

De oranje driehoek

d)

De groene rechthoek

84.

Welke van de volgende afbeeldingen (gemaakt door leerlingen) laat de afname van het consumentensurplus bij een heffing correct zien? De prijs voor invoering van de heffing bedroeg €5.

a)

Steffie

b)

Eva

c)

Victor

d)

Tim

85.
Wat is het directe gevolg van een subsidie in het volgende marktmodel?
a)
De vraaglijn verschuift naar rechts.
b)
De vraaglijn verschuift naar links.
c)
De aanbodlijn verschuift naar rechts.
d)
De aanbodlijn verschuift naar links.