wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

RSG 5H 4.4 Volkomen currentie en kosten

Total questions: 60

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de marktvorm met de meeste concurrentie?

a)

Monopolie

b)

Volkomen concurrentie

c)

Oligopolie

d)

Monopolistische concurrentie

2.

Welke van de volgende kenmerken hoort bij volkomen concurrentie?

a)

Beperkt aantal aanbieders

b)

Homogene goederen

c)

Hoge toetredingsbarrières

d)

Individuele invloed op prijs

3.

Wat betekent het als de prijs op de markt 'gegeven' is?

a)

Producenten kunnen de prijs beïnvloeden

b)

De prijs varieert sterk

c)

De markt bepaalt de prijs

d)

Er is geen vraag naar goederen

4.

Wat zijn homogeen goederen?

a)

Goederen die als verschillend worden ervaren

b)

Goederen die identiek zijn

c)

Goederen met hoge variabele kosten

d)

Goederen die niet verhandeld worden

5.

Wat houdt een transparante markt in?

a)

Onbekende prijzen

b)

Alle partijen zijn op de hoogte van prijzen

c)

Slechte informatievoorziening

d)

Alleen aanbieders hebben informatie

6.

Wat betekent vrije toe- en uittreding?

a)

Beperkte toegang tot de markt

b)

Iedereen kan de markt betreden of verlaten

c)

Hoge kosten om de markt te betreden

d)

Monopolistische praktijken

7.

Wat is de prijs-afzetlijn van een producent in volkomen concurrentie?

a)

Lijn met stijgende prijs

b)

Horizontale lijn

c)

Lijn met dalende prijs

d)

Geen lijn

8.

Wat gebeurt er als de kosten per product dalen voor aanbieders?

a)

Vraag neemt af

b)

Aanbodlijn verschuift naar links

c)

Aanbodlijn verschuift naar rechts

d)

Er is geen verandering

9.

Hoe bereken je de totale opbrengst (TO)?

a)

TO = P + q

b)

TO = P / q

c)

TO = P × q

d)

TO = q - P

10.

Wat is de gemiddelde opbrengst (GO)?

a)

Totale kosten gedeeld door afzet

b)

Totale opbrengst gedeeld door afzet

c)

Verkoopprijs per product

d)

Totale variabele kosten

11.

Wat zijn totale kosten (TK)?

a)

TK = TVK + TCK

b)

TK = TVK - TCK

c)

TK = TVK × TCK

d)

TK = TVK / TCK

12.

Wat zijn variabele kosten?

a)

Kosten die constant blijven

b)

Kosten die veranderen met de afzet

c)

Kosten die onafhankelijk zijn van productie

d)

Kosten die stijgen met de prijs

13.

Wat zijn constante kosten?

a)

Kosten die met de afzet toenemen

b)

Kosten die constant blijven ongeacht de afzet

c)

Kosten die afnemen met de productie

d)

Kosten die fluctueren met de vraag

14.

Wat betekent break-even punt?

a)

Maximale winst

b)

Geen winst, geen verlies

c)

Verlies van productie

d)

Lage vraag

15.

Wat is de formule voor break-even afzet?

a)

BEA = TCK / (P - GVK)

b)

BEA = P × GVK

c)

BEA = TO - TK

d)

BEA = TVK + TCK

16.

Hoe bereken je de break-even omzet?

a)

BEO = BEA × P

b)

BEO = TO - TK

c)

BEO = TCK / P

d)

BEO = P × GVK

17.

Wat is het effect van een toename van aanbieders in volkomen concurrentie?

a)

Prijs stijgt

b)

Prijs daalt

c)

Vraag neemt af

d)

Totale kosten stijgen

18.

Wat betekent marginale opbrengst (MO)?

a)

Totale kosten van extra product

b)

Opbrengst van extra verkocht product

c)

Gemiddelde opbrengst per product

d)

Totale opbrengst minus kosten

19.

Wat gebeurt er als MO groter is dan MK?

a)

Totale winst neemt af

b)

Totale winst blijft gelijk

c)

Totale winst neemt toe

d)

Winst wordt negatief

20.

Wat gebeurt er in de lange termijn in een markt van volkomen concurrentie?

a)

Aantal aanbieders neemt af

b)

Aantal aanbieders neemt toe tot geen winst

c)

Prijzen stijgen aanzienlijk

d)

Aanbieders verlaten de markt

21.

Wat zijn proportioneel variabele kosten?

a)

Kosten die constant blijven

b)

Kosten die procentueel stijgen of dalen

22.

Wat zijn proportioneel variabele kosten?

a)

Kosten die constant blijven

b)

Kosten die evenredig stijgen met afzet

c)

Kosten die dalen met meer productie

d)

Kosten die fluctueren

23.

Wat zijn progressief variabele kosten?

a)

Kosten die constant zijn

b)

Kosten die minder dan evenredig stijgen

c)

Kosten die meer dan evenredig stijgen

d)

Kosten die niet variëren

24.

Wat zijn degressief variabele kosten?

a)

Kosten die meer dan evenredig stijgen

b)

Kosten die constant zijn

c)

Kosten die minder dan evenredig stijgen

d)

Kosten die gelijk blijven

25.

Wat is de formule voor de gemiddelde totale kosten (GTK)?

a)

GTK = GVK + GCK

b)

GTK = TVK / q

c)

GTK = TCK × q

d)

GTK = TO / TK

26.

Wat is de breakeven analyse?

a)

Analyse van de totale opbrengsten

b)

Analyse van kosten en opbrengsten

c)

Analyse van winstmaximalisatie

d)

Analyse van marktaandeel

27.

Hoe ziet de grafiek van de GO eruit in volkomen concurrentie?

a)

Stijgend

b)

Dalend

c)

Horizontaal

d)

U-vormig

28.

Wat is het belangrijkste doel van een ondernemer in volkomen concurrentie?

a)

Minimale kosten

b)

Maximale winst

c)

Maximale productie

d)

Marktleider worden

29.

Wat zijn marginale kosten?

a)

Totale kosten verminderen

b)

Extra kosten van één extra product

c)

Kosten per product verhogen

d)

Gemiddelde kosten berekenen

30.

Wat betekent het als MO = MK?

a)

Winst is maximaal

b)

Verlies is maximaal

c)

Prijs is te laag

d)

Vraag is te hoog

31.

Wat is een monopolie?

a)

Veel aanbieders

b)

Één aanbieder

c)

Twee aanbieders

d)

Vijf aanbieders

32.

Wat is het belangrijkste verschil tussen volkomen concurrentie en monopolie?

a)

Aantal vragers

b)

Aantal aanbieders

c)

Prijsbeïnvloeding

d)

Marktwerking

33.

Wat houdt oligopolie in?

a)

Eén aanbieder en veel vragers

b)

Veel aanbieders en vragers

c)

Weinig aanbieders die de prijs kunnen beïnvloeden

d)

Volledige concurrentie

34.

Wat is een kenmerk van monopolistische concurrentie?

a)

Homogene goederen

b)

Veel aanbieders met verschillende producten

c)

Één aanbieder

d)

Geen toetredingsbarrières

35.

Wat is een voorbeeld van een markt die dicht bij volkomen concurrentie komt?

a)

Huizenmarkt

b)

Aandelenmarkt

c)

Telecommunicatiemarkt

d)

Voedselmarkt

36.

Wat is een risico van een monopolie?

a)

Lage prijzen

b)

Hoge kwaliteit

c)

Minder keuze voor consumenten

d)

Meer concurrentie

37.

Wat gebeurt er met de prijs in een monopolie?

a)

De prijs wordt door de markt bepaald

b)

De aanbieder bepaalt de prijs (prijszetter)

c)

De prijs fluctueert sterk

d)

De prijs is constant

38.

Wat is een van de nadelen van oligopolie?

a)

Veel concurrentie

b)

Prijsafspraken tussen aanbieders

c)

Volledige transparantie

d)

Vrije toegang tot de markt

39.

Wat is een voorwaarde voor vrije toetreding tot de markt?

a)

Hoge investeringen

b)

Duidelijke regels

c)

Geen toetredingsbarrières

d)

Strenge overheidseisen

40.

Wat is het gevolg van een sterke concurrentie in een markt?

a)

Lagere prijzen voor consumenten

b)

Hogere prijzen voor consumenten

c)

Meer monopolies

d)

Minder aanbod

41.

Stel dat de prijs van een product stijgt, wat gebeurt er dan meestal?

a)

Vraag stijgt

b)

Vraag daalt

c)

Aanbod daalt

d)

Aanbod stijgt

42.

Wat gebeurt er als de totale kosten stijgen zonder dat de verkoopprijs verandert?

a)

Winst stijgt

b)

Winst daalt

c)

Break-even punt stijgt

d)

Break-even punt daalt

43.

Wat zijn totale variabele kosten als de afzet toeneemt?

a)

Stijgen

b)

Dalen

c)

Blijven gelijk

d)

Worden negatief

44.

Hoe beïnvloeden hogere variabele kosten de break-even afzet?

a)

Break-even afzet daalt

b)

Break-even afzet stijgt

c)

Geen effect

d)

Break-even afzet verdwijnt

45.

Wat is het effect van toetreding van nieuwe aanbieders op de marktprijs?

a)

Prijs stijgt

b)

Prijs daalt

c)

Prijs blijft gelijk

d)

Prijs fluctueert

46.

Wat is de gemiddelde totale kosten (GTK) als je de totale kosten en afzet kent?

a)

GTK = TK + q

b)

GTK = TK - q

c)

GTK = TK / q

d)

GTK = q / TK

47.

Wat betekent het als de totale opbrengsten gelijk zijn aan de totale kosten?

a)

De onderneming maakt winst

b)

De onderneming maakt verlies

c)

De onderneming break-even

d)

De onderneming heeft geen afzet

48.

Wat is een belangrijke strategie voor bedrijven in volkomen concurrentie?

a)

Innovatie om kosten te verlagen

b)

Prijsverhogingen

c)

Monopolistische praktijken

d)

Klantenbinding

49.

Wat is het resultaat van voortdurende prijsverlaging door concurrenten?

a)

Hogere totale kosten

b)

Verlies van marktaandeel

c)

Lagere winsten

d)

Hogere vraag

50.

Hoeveelheid geproduceerd door een onderneming in een monopolie?

a)

Gemiddeld

b)

Maximale

c)

Optimale

d)

Minimale

51.

Hoeveel aanbieders zijn er in een oligopolie?

a)

Één

b)

Weinig

c)

Veel

d)

Geen

52.

Wat is een van de kenmerken van monopolistische concurrentie?

a)

Geen verschil tussen producten

b)

Een aanbieder

c)

Veel aanbieders

d)

Exclusieve rechten

53.

Hoe kan een bedrijf in een oligopolie zijn prijs beïnvloeden?

a)

Door samenwerking met andere aanbieders

b)

Door te innoveren

c)

Door kosten te verlagen

d)

Door hun producten te diversifiëren

54.

Wat betekent het als een markt efficiënt is?

a)

Kosten zijn laag

b)

Hulpbronnen worden optimaal benut

c)

Er is geen concurrentie

d)

Er zijn veel aanbieders

55.

Wat is een mogelijke oorzaak van een marktfalen?

a)

Concurrentie

b)

Externe effecten

c)

Hoge vraag

d)

Laag aanbod

56.

Wat gebeurt er met de gemiddelde opbrengst (GO) als de verkoopprijs stijgt?

a)

GO stijgt

b)

GO daalt

c)

GO blijft gelijk

d)

GO fluctueert

57.

Wat is een voordeel van volkomen concurrentie voor consumenten?

a)

Hogere prijzen

b)

Meer keuze

c)

Lagere prijzen

d)

Minder kwaliteit

58.

Wat betekent het als de vraag toeneemt bij een vaste prijs?

a)

Aanbod daalt

b)

Prijs stijgt

c)

Vraag overschrijdt aanbod

d)

Markt blijft stabiel

59.

Wat is het gevolg van monopolistische concurrentie voor prijzen?

a)

Prijzen zijn constant

b)

Prijzen fluctueren

c)

Prijzen stijgen snel

d)

Prijzen dalen snel

60.

Wat is het doel van de break-even analyse?

a)

Maximaliseren van kosten

b)

Vaststellen van de minimale afzet

c)

Vergroten van de marktaandeel

d)

Bepalen van winstgevendheid

Similar Resources on Wayground