Font size
WorksheetsA2. Game On: 'om ... te + inf'
Total questions: 10
Worksheet time: 20mins
Maak één zin van de twee zinnen.
Hij draagt een bril. Hij leest de tekst.
(a)
Maak één zin van de twee zinnen.
Ze wil een nieuw scherm. Ze speelt computerspelletjes.
(a)
Maak één zin van de twee zinnen.
Hij speelt elke dag. Hij wordt de beste.
(a)
Maak één zin van de twee zinnen.
De leraar gebruikt het bord. De leraar legt de grammatica uit.
(a)
Maak één zin van de twee zinnen.
Hij neemt zijn tijd. Hij vult het formulier in.
(a)
Vertaal.
Il utilise la souris pour cliquer sur le lien (de link).
(a)
Vertaal.
Pour mieux comprendre le cours, elle étudie à la maison.
(a)
Vertaal.
Elle utilise les boutons (knoppen) pour controler le jeu.
(a)
Vertaal.
Ils utilisent la connection pour mieux collaborer (samenwerken).
(a)
Vertaal.
Bryan utilise son argent pour acheter un nouveau jeu.
(a)
