Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica woordsoorten - herhaling klas 1

Total questions: 103

Worksheet time: 56mins

Name
Class
Date
1.

Benoem het onderstreepte woord.

Ik parkeer de auto in de garage

a)

ZN

b)

LW

c)

VZ

d)

BN

2.

Benoem het onderstreepte woord.

Ik heb een appel gegeten.

a)

HWW

b)

ZN

c)

VZ

d)

BN

3.

Benoem het onderstreepte woord.

Heb je haar nieuwe kapsel al gezien?

a)

BN

b)

PERS. VNW

c)

BEZ. VNW

d)

ZN

4.

Benoem het onderstreepte woord.

Heb je haar nieuwe kapsel al gezien?

a)

BN

b)

BEZ. VNW

c)

ZN

d)

VZ

5.

Benoem het onderstreepte woord.

Heb je haar nieuwe kapsel al gezien?

a)

BEZ.VNW

b)

VZ

c)

BN

d)

PERS. VNW

6.

Benoem het onderstreepte woord.

De strenge directrice loopt op hoge hakken.

a)

ZWW

b)

HWW

c)

ZN

d)

BN

7.

Benoem het onderstreepte woord.

De strenge directrice loopt op hoge hakken

a)

VZ

b)

BN

c)

BEZ. VNW

d)

ZN

8.

Benoem het onderstreepte woord.

De strenge directrice heeft op hoge hakken gelopen.

a)

HWW

b)

ZN

c)

ZWW

d)

VZ

9.

Benoem het onderstreepte woord.

De strenge directrice heeft op hoge hakken gelopen.

a)

ZWW

b)

HWW

c)

ZN

d)

BN

10.

Hij maakt ook de moeilijke opdrachten in zijn schrift.


Welk woordsoort?


Hij

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

e)

persoonlijk voornaamwoord

11.

Hij maakt ook de moeilijke opdrachten in zijn schrift.


Welk woordsoort?


de

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

e)

persoonlijk voornaamwoord

12.

Hij maakt ook de moeilijke opdrachten in zijn schrift.


Welk woordsoort?


moeilijke

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

e)

persoonlijk voornaamwaard

13.

Hij maakt ook de moeilijke opdrachten in zijn schrift.


Welk woordsoort?


opdracht

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

e)

persoonlijk voornaamwoord

14.

De docent zegt dat ook tegen hen.


Welk woordsoort?


De

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

persoonlijk voornaamwoord

15.

De docent zegt dat ook tegen hen.


Welk woordsoort?


docent

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

persoonlijk voornaamwoord

16.

De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.


Welk woordsoort?


naast

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

persoonlijk voornaamwoord

17.

De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.


Welk woordsoort?


zijn

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

persoonlijk voornaamwoord

18.

De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.


Welk woordsoort?


brug

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

persoonlijk voornaamwoord

19.

De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.


Welk woordsoort?


onder

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

persoonlijk voornaamwoord

20.

Dat kleine hondje had haar bal onder de trap laten vallen.


Welk woordsoort?


haar

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

aanwijzend voornaam woord

21.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


jonge

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

bijvoeglijk naamwoord

22.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


zijn

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

bijvoeglijk naamwoord

23.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


naar

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

bijvoeglijk naamwoord

24.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


De

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

bijvoeglijk naamwoord

25.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


vader

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

bijvoeglijk naamwoord

26.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


bos

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

bijvoeglijk naamwoord

27.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: zondag

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Bijwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Hulpwerkwoord

28.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: zie

a)

Hulpwerkwoord

b)

Koppelwerkwoord

c)

Zelfstandig werkwoord

d)

Zelfstandig naamwoord

29.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: het

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bepaald lidwoord

c)

Onbepaald lidwoord

d)

Hulpwerkwoord

30.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: Duitse

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Bijwoord

31.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: Frans

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Bijwoord

32.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: herken

a)

Hulpwerkwoord

b)

Zelfstandig werkwoord

c)

Koppelwerkwoord

d)

Vragend voornaamwoord

33.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: snelle

a)

Bepaald lidwoord

b)

Onbepaald lidwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Bijvoeglijk naamwoord

34.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: bij

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Vragend voornaamwoord

c)

Bijwoord

d)

Voorzetsel

35.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: zijn

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijwoord

c)

Bezittelijk voornaamwoord

d)

Voorzetsel

36.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: ons

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Bijwoord

37.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: is

a)

Bepaald lidwoord

b)

Onbepaald lidwoord

c)

Hulpwerkwoord

d)

Zelfstandig werkwoord

38.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: afgeleid

a)

Hulpwerkwoord

b)

Zelfstandig werkwoord

c)

Koppelwerkwoord

d)

Bijwoord

39.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: kan

a)

Hulpwerkwoord

b)

Zelfstandig werkwoord

c)

Koppelwerkwoord

d)

Bijwoord

40.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: nog

a)

Voorzetsel

b)

Bijwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Lidwoord

41.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: herkennen

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Hulpwerkwoord

c)

Zelfstandig werkwoord

d)

Koppelwerkwoord

42.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: hij

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Persoonlijk voornaamwoord

d)

Bezittelijk voornaamwoord

43.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: was

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Hulpwerkwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Koppelwerkwoord

44.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: zaten

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Zelfstandig werkwoord

c)

Koppelwerkwoord

d)

Hulpwerkwoord

45.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: overdag

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijwoord

c)

Voorzetsel

d)

Aanwijzend voornaamwoord

46.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: daar

a)

Voorzetsel

b)

Bijwoord

c)

Zelfstandig naamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

47.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: verzamelen

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijwoord

c)

Zelfstandig werkwoord

d)

Voorzetsel

48.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: ze

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Voorzetsel

d)

Aanwijzend voornaamwoord

49.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: tegen

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Bijwoord

c)

Voorzetsel

d)

Vragend voornaamwoord

50.

Kies de juiste woordsoort bij het woord: ontleend

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Zelfstandig werkwoord

c)

Bijwoord

d)

Voorzetsel

51.

In Vlissingen kocht Karel drie paar sokken - hoeveel eigennamen staan er in deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

52.

Geef mij eens dat blauwe boek - welke woorden in deze zin zijn een zelfstandig naamwoord?

a)

Geef

b)

eens

c)

blauwe

d)

boek

53.

Welke uitspraken over het zelfstandig naamwoord zijn juist?

a)

Een eigennaam is ook een zn

b)

Voor een zn kun je meestal de, het of een schrijven

c)

Een zn heeft meestal een enkelvoud en een meervoud

d)

roos (de bloem) is een zn, Roos is een eigennaam

54.

Waar of niet waar: in de zin Van het winkelen werd ik moe is het woordje 'het' een lidwoord

a)

Waar

b)

Niet waar

55.

Het leek hem een heel leuke vent. Hoeveel lidwoorden telt deze zin? Typ het getal.

(a)  

56.

De nylon tas. Waar of niet waar: 'nylon' is een voorbeeld van een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord dat niet eindigt op -en

a)

Waar

b)

Niet waar

57.

De .......... meid. (serieus). 1) Wat voor soort woord is dit, en 2) wat is de juiste spelling in deze zin?

a)

1) Bijvoeglijk naamwoord, 2) serieus

b)

1) Zelfstandig naamwoord, 2) serieuze

c)

1) Bijvoeglijk naamwoord, 2) serieuze

d)

1) Zelfstandig naamwoord, 2) serieus

58.

Het ......... beeld. (hout). Wat is de juiste spelling van dit bijvoeglijk naamwoord in deze zin?

a)

Hout

b)

Houten

c)

Houte

59.

Waar of niet waar: als een zin slechts één werkwoord bevat, is dit altijd een zelfstandig werkwoord.

a)

Waar

b)

Niet waar

60.

Petra zou morgen graag met ons naar school willen fietsen. Hoeveel hulpwerkwoorden telt deze zin? Typ het getal

(a)  

61.

Waar of niet waar: bij een zin met meerdere werkwoorden, staat het zelfstandig werkwoord meestal vooraan.

a)

Waar

b)

Niet waar

62.

Hij mag zijn geld vrij besteden

a)

hij = PERS. VNW, zijn = BEZ. VNW

b)

hij = ZN, zijn = HWW

c)

hij = BEZ. VNW, zijn = PSV

63.

Zij hebben hebben het met hun blote handen verdiend.

a)

zij = PERS. VNW, hun = PERS. VNW

b)

zij = PERS. VNW, hun = BEZ. VNW

c)

zij = BEZ. VNW, hun = BEZ. VNW

d)

zij = BEZ. VNW , hun = PERS. VNW

64.

Tijdens een lang weekend kunnen we ons goed ontspannen.

Wat zijn de BIJWOORDEN in deze zin?

a)

tijdens, lang, goed

b)

lang, goed

c)

goed

65.

Soms zijn we ontzettend lui!

Wat zijn de BIJWOORDEN in deze zin?

a)

soms, ontzettend, lui

b)

soms, ontzettend

c)

soms

66.

Vandaag hebben de lieve leerlingen heel hard gewerkt.

Wat zijn de BIJWOORDEN in deze zin?

a)

vandaag, lieve, heel, hard

b)

lieve, heel, hard

c)

vandaag, heel, hard

d)

lieve, hard, vandaag

67.

Persoonlijk of bezittelijk?

Dat is onze keuze!

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

68.

Persoonlijk of bezittelijk?

Dat huis is van ons.

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

69.

Persoonlijk of bezittelijk?

Dat is ons huis.

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

70.

Persoonlijk of bezittelijk?

Jullie actie was niet slim!

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

71.

Persoonlijk of bezittelijk?

Jullie weten niet wat het antwoord is.

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

72.

Zelfstandig of bezittelijk voornaamwoord?

Haar haar is heerlijk zacht.

a)

zelfstandig

b)

bezittelijk

73.

De drie lidwoorden zijn...

a)

hij, hem, zij

b)

in, op, onder

c)

de, het, een

74.

Namen zoals Piet, Ajax en Milka...

a)

zijn altijd

bijvoeglijke naamwoorden

b)

zijn altijd zelfstandige naamwoorden

75.

Woorden zoals Nederlandse, Franse, Duitse en Friese....

a)

altijd

bijvoeglijk

b)

altijd

zelfstandig

76.

De politie denkt dat mijn oudste broer lid is van een criminele bende.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden bevat deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

77.

De politie denkt dat mijn oudste broer lid is van een criminele bende.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden bevat deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

78.

Volgens mij is die lopende man de dief.

Wat is in deze zin het werkwoord?

(a)  

79.

De gelopen afstand was in totaal 14 kilometer.

Wat is in deze zin het bijvoeglijk naamwoord?

(a)  

80.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden zijn er in de volgende zin?

De verzorger geeft de kluif aan de tijger.

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

81.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden zitten er in de volgende zin?

De krolse kat krabt de krullen van de trap.

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

82.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden staan er in de volgende zin?

De vliegende vieze vis vliegt de vogel achterna.


a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

83.

Een bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord.

a)

Waar

b)

Niet waar

84.

Wat is de juiste volgorde?

De dierentuin heeft een nieuwe apensoort ontdekt.

a)

lw zn bn ww lw bn zn

b)

lw zn ww lw bn zn

c)

lw zn ww lw bn zn ww

d)

lw bn hw lw bn zn ww

85.
Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zegt van welke materiaal iets gemaakt is.
a)
Juist
b)
Onjuist
86.
Bijvoeglijk naamwoorden kunnen ook achter een zelfstandig naamwoord staan.
a)
Juist
b)
Onjuist
87.
''Maria schrijft het huiswerk van Pieter over''.
Het werkwoord in de vorige zin is:
a)
Schrijft
b)
Schrijft over
88.
Het lidwoord ''een'' is een bepaald lidwoord.
a)
Juist
b)
Onjuist
89.
De lidwoorden: ''de'' en ''het'' zijn allebei een bepaalde lidwoord.
a)
Juist
b)
Onjuist
90.
Een zelfstandig naamwoord is een woord voor: mens, dier, plant, ding of gevoel.
a)
Juist
b)
Onjuist
91.
Een eigennaam zoals ''Jan'' is een ...
a)
Bijvoeglijk naamwoord
b)
Bijwoord
c)
Zelfstandig naamwoord
d)
Werkwoord
92.
De lidwoorden de, het, een bestaan uit bepaalde en onbepaalde lidwoorden.
a)
Juist
b)
Onjuist
93.

Woordsoorten zijn hetzelfde als zinsdelen.

a)

juist

b)

fout

94.

Hoeveel lidwoorden bestaan er?

(a)  

95.

Een bijvoeglijk naamwoord (bn) zegt iets over een...

a)

een andere bn

b)

een lw

c)

een ww

d)

een zn

96.

Als een woord iets over een bn zegt, is het een bn
Bijvoorbeeld: heel veel snoepjes: heel is een bn.

a)

waar

b)

niet waar

97.

Het regent in het hele land. Wat zijn de bepaalde lidwoorden?

a)

het, het

b)

de eerste 'het'

c)

de tweede 'het'

d)

geen lidwoorden in deze zin

98.

Welk soort zelfstandige naamwoorden zijn Maud, Nesta en Jolan?

(a)  

99.

Een zelfstandig naamwoord (zn) kun je altijd in het meervoud zetten.

a)

waar

b)

niet waar

100.

Als 'een' 1 is, dan is het geen onbepaald lidwoord.

a)

waar

b)

niet waar

101.

Welk lidwoord is onbepaald?

a)

de

b)

het

c)

een

d)

geen

102.

Belgische wafels - Belgische is een eigennaam.

a)

waar

b)

niet waar

103.

Welk woord is een soortnaam?

a)

Marie

b)

geit

c)

Kerstmis

d)

Amsterdam