WorksheetsGrammatica woordsoorten - herhaling klas 1
Total questions: 103
Worksheet time: 56mins
Benoem het onderstreepte woord.
Ik parkeer de auto in de garage
ZN
LW
VZ
BN
Benoem het onderstreepte woord.
Ik heb een appel gegeten.
HWW
ZN
VZ
BN
Benoem het onderstreepte woord.
Heb je haar nieuwe kapsel al gezien?
BN
PERS. VNW
BEZ. VNW
ZN
Benoem het onderstreepte woord.
Heb je haar nieuwe kapsel al gezien?
BN
BEZ. VNW
ZN
VZ
Benoem het onderstreepte woord.
Heb je haar nieuwe kapsel al gezien?
BEZ.VNW
VZ
BN
PERS. VNW
Benoem het onderstreepte woord.
De strenge directrice loopt op hoge hakken.
ZWW
HWW
ZN
BN
Benoem het onderstreepte woord.
De strenge directrice loopt op hoge hakken
VZ
BN
BEZ. VNW
ZN
Benoem het onderstreepte woord.
De strenge directrice heeft op hoge hakken gelopen.
HWW
ZN
ZWW
VZ
Benoem het onderstreepte woord.
De strenge directrice heeft op hoge hakken gelopen.
ZWW
HWW
ZN
BN
Hij maakt ook de moeilijke opdrachten in zijn schrift.
Welk woordsoort?
Hij
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Hij maakt ook de moeilijke opdrachten in zijn schrift.
Welk woordsoort?
de
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Hij maakt ook de moeilijke opdrachten in zijn schrift.
Welk woordsoort?
moeilijke
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
persoonlijk voornaamwaard
Hij maakt ook de moeilijke opdrachten in zijn schrift.
Welk woordsoort?
opdracht
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
De docent zegt dat ook tegen hen.
Welk woordsoort?
De
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
aanwijzend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
De docent zegt dat ook tegen hen.
Welk woordsoort?
docent
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
aanwijzend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.
Welk woordsoort?
naast
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.
Welk woordsoort?
zijn
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.
Welk woordsoort?
brug
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.
Welk woordsoort?
onder
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
Dat kleine hondje had haar bal onder de trap laten vallen.
Welk woordsoort?
haar
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
aanwijzend voornaam woord
De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.
Welk woordsoort?
jonge
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.
Welk woordsoort?
zijn
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.
Welk woordsoort?
naar
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.
Welk woordsoort?
De
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.
Welk woordsoort?
vader
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.
Welk woordsoort?
bos
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: zondag
Aanwijzend voornaamwoord
Bijwoord
Zelfstandig naamwoord
Hulpwerkwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: zie
Hulpwerkwoord
Koppelwerkwoord
Zelfstandig werkwoord
Zelfstandig naamwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: het
Zelfstandig naamwoord
Bepaald lidwoord
Onbepaald lidwoord
Hulpwerkwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: Duitse
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Bijwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: Frans
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Bijwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: herken
Hulpwerkwoord
Zelfstandig werkwoord
Koppelwerkwoord
Vragend voornaamwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: snelle
Bepaald lidwoord
Onbepaald lidwoord
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: bij
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Bijwoord
Voorzetsel
Kies de juiste woordsoort bij het woord: zijn
Zelfstandig naamwoord
Bijwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Voorzetsel
Kies de juiste woordsoort bij het woord: ons
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Bijwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: is
Bepaald lidwoord
Onbepaald lidwoord
Hulpwerkwoord
Zelfstandig werkwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: afgeleid
Hulpwerkwoord
Zelfstandig werkwoord
Koppelwerkwoord
Bijwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: kan
Hulpwerkwoord
Zelfstandig werkwoord
Koppelwerkwoord
Bijwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: nog
Voorzetsel
Bijwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Lidwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: herkennen
Zelfstandig naamwoord
Hulpwerkwoord
Zelfstandig werkwoord
Koppelwerkwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: hij
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: was
Zelfstandig naamwoord
Hulpwerkwoord
Zelfstandig naamwoord
Koppelwerkwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: zaten
Aanwijzend voornaamwoord
Zelfstandig werkwoord
Koppelwerkwoord
Hulpwerkwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: overdag
Zelfstandig naamwoord
Bijwoord
Voorzetsel
Aanwijzend voornaamwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: daar
Voorzetsel
Bijwoord
Zelfstandig naamwoord
Vragend voornaamwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: verzamelen
Zelfstandig naamwoord
Bijwoord
Zelfstandig werkwoord
Voorzetsel
Kies de juiste woordsoort bij het woord: ze
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Voorzetsel
Aanwijzend voornaamwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: tegen
Zelfstandig naamwoord
Bijwoord
Voorzetsel
Vragend voornaamwoord
Kies de juiste woordsoort bij het woord: ontleend
Zelfstandig naamwoord
Zelfstandig werkwoord
Bijwoord
Voorzetsel
In Vlissingen kocht Karel drie paar sokken - hoeveel eigennamen staan er in deze zin?
1
2
3
4
Geef mij eens dat blauwe boek - welke woorden in deze zin zijn een zelfstandig naamwoord?
Geef
eens
blauwe
boek
Welke uitspraken over het zelfstandig naamwoord zijn juist?
Een eigennaam is ook een zn
Voor een zn kun je meestal de, het of een schrijven
Een zn heeft meestal een enkelvoud en een meervoud
roos (de bloem) is een zn, Roos is een eigennaam
Waar of niet waar: in de zin Van het winkelen werd ik moe is het woordje 'het' een lidwoord
Waar
Niet waar
Het leek hem een heel leuke vent. Hoeveel lidwoorden telt deze zin? Typ het getal.
(a)
De nylon tas. Waar of niet waar: 'nylon' is een voorbeeld van een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord dat niet eindigt op -en
Waar
Niet waar
De .......... meid. (serieus). 1) Wat voor soort woord is dit, en 2) wat is de juiste spelling in deze zin?
1) Bijvoeglijk naamwoord, 2) serieus
1) Zelfstandig naamwoord, 2) serieuze
1) Bijvoeglijk naamwoord, 2) serieuze
1) Zelfstandig naamwoord, 2) serieus
Het ......... beeld. (hout). Wat is de juiste spelling van dit bijvoeglijk naamwoord in deze zin?
Hout
Houten
Houte
Waar of niet waar: als een zin slechts één werkwoord bevat, is dit altijd een zelfstandig werkwoord.
Waar
Niet waar
Petra zou morgen graag met ons naar school willen fietsen. Hoeveel hulpwerkwoorden telt deze zin? Typ het getal
(a)
Waar of niet waar: bij een zin met meerdere werkwoorden, staat het zelfstandig werkwoord meestal vooraan.
Waar
Niet waar
Hij mag zijn geld vrij besteden
hij = PERS. VNW, zijn = BEZ. VNW
hij = ZN, zijn = HWW
hij = BEZ. VNW, zijn = PSV
Zij hebben hebben het met hun blote handen verdiend.
zij = PERS. VNW, hun = PERS. VNW
zij = PERS. VNW, hun = BEZ. VNW
zij = BEZ. VNW, hun = BEZ. VNW
zij = BEZ. VNW , hun = PERS. VNW
Tijdens een lang weekend kunnen we ons goed ontspannen.
Wat zijn de BIJWOORDEN in deze zin?
tijdens, lang, goed
lang, goed
goed
Soms zijn we ontzettend lui!
Wat zijn de BIJWOORDEN in deze zin?
soms, ontzettend, lui
soms, ontzettend
soms
Vandaag hebben de lieve leerlingen heel hard gewerkt.
Wat zijn de BIJWOORDEN in deze zin?
vandaag, lieve, heel, hard
lieve, heel, hard
vandaag, heel, hard
lieve, hard, vandaag
Persoonlijk of bezittelijk?
Dat is onze keuze!
persoonlijk
bezittelijk
Persoonlijk of bezittelijk?
Dat huis is van ons.
persoonlijk
bezittelijk
Persoonlijk of bezittelijk?
Dat is ons huis.
persoonlijk
bezittelijk
Persoonlijk of bezittelijk?
Jullie actie was niet slim!
persoonlijk
bezittelijk
Persoonlijk of bezittelijk?
Jullie weten niet wat het antwoord is.
persoonlijk
bezittelijk
Zelfstandig of bezittelijk voornaamwoord?
Haar haar is heerlijk zacht.
zelfstandig
bezittelijk
De drie lidwoorden zijn...
hij, hem, zij
in, op, onder
de, het, een
Namen zoals Piet, Ajax en Milka...
zijn altijd
bijvoeglijke naamwoorden
zijn altijd zelfstandige naamwoorden
Woorden zoals Nederlandse, Franse, Duitse en Friese....
altijd
bijvoeglijk
altijd
zelfstandig
De politie denkt dat mijn oudste broer lid is van een criminele bende.
Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden bevat deze zin?
1
2
3
4
De politie denkt dat mijn oudste broer lid is van een criminele bende.
Hoeveel zelfstandige naamwoorden bevat deze zin?
1
2
3
4
Volgens mij is die lopende man de dief.
Wat is in deze zin het werkwoord?
(a)
De gelopen afstand was in totaal 14 kilometer.
Wat is in deze zin het bijvoeglijk naamwoord?
(a)
Hoeveel zelfstandige naamwoorden zijn er in de volgende zin?
De verzorger geeft de kluif aan de tijger.
2
3
4
5
Hoeveel zelfstandige naamwoorden zitten er in de volgende zin?
De krolse kat krabt de krullen van de trap.
2
3
4
5
Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden staan er in de volgende zin?
De vliegende vieze vis vliegt de vogel achterna.
1
2
3
4
Een bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord.
Waar
Niet waar
Wat is de juiste volgorde?
De dierentuin heeft een nieuwe apensoort ontdekt.
lw zn bn ww lw bn zn
lw zn ww lw bn zn
lw zn ww lw bn zn ww
lw bn hw lw bn zn ww
Het werkwoord in de vorige zin is:
Woordsoorten zijn hetzelfde als zinsdelen.
juist
fout
Hoeveel lidwoorden bestaan er?
(a)
Een bijvoeglijk naamwoord (bn) zegt iets over een...
een andere bn
een lw
een ww
een zn
Als een woord iets over een bn zegt, is het een bn
Bijvoorbeeld: heel veel snoepjes: heel is een bn.
waar
niet waar
Het regent in het hele land. Wat zijn de bepaalde lidwoorden?
het, het
de eerste 'het'
de tweede 'het'
geen lidwoorden in deze zin
Welk soort zelfstandige naamwoorden zijn Maud, Nesta en Jolan?
(a)
Een zelfstandig naamwoord (zn) kun je altijd in het meervoud zetten.
waar
niet waar
Als 'een' 1 is, dan is het geen onbepaald lidwoord.
waar
niet waar
Welk lidwoord is onbepaald?
de
het
een
geen
Belgische wafels - Belgische is een eigennaam.
waar
niet waar
Welk woord is een soortnaam?
Marie
geit
Kerstmis
Amsterdam
