wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H5 Elektriciteit 2hGL

Total questions: 17

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de eenheid van elektrische spanning?

a)

Volt (V)

b)

Ampère (A)

c)

Watt (W)

d)

kiloWattuur (kWh)

2.

Welke grootheid hoort bij Ampère? (A)

a)

Spanning

b)

Stroomsterkte

c)

Vermogen

d)

Energie

3.

Watt is de eenheid van vermogen?

a)

Ja

b)

Nee

4.

Met welke formule bereken je vermogen?

a)

P = U x I

b)

P = U / I

c)

P = U + I

d)

P = U - I

5.

Een magnetron gebruikt een spanning van 230 V en een stroomsterkte van 4 A. Het vermogen is dus (230 x 4 =) 1020 W. Klopt dit?

a)

Nee, het moet 1020 V zijn.

b)

Nee, het is (230 / 4 =) 57,25 W

c)

Ja dit klopt

6.

Wat is de eenheid van capaciteit?

a)

Ampère-uur (Ah)

b)

Ampère (A)

c)

Volt (V)

d)

Wattuur (Wh)

7.

Je koopt een powerbank met een capaciteit van 10 000 mAh (milli ampère-uur). Hoeveel Ah (ampère-uur) is dit?

a)

10 000 000

b)

1000

c)

100

d)

10

8.

Met welke formule bereken je capaciteit?

a)

C = I / t

b)

C = I x t

c)

C = I + t

d)

C = I - t

9.

Capaciteit bereken je met de formule C = I x t. Hoe schrijf je deze formule om om stroomsterkte te berekenen?

a)

I = C / t

b)

I = t / C

c)

I = C x t

10.

Je laadt met je powerbank van 10 Ah je telefoon op. De powerbank kan in totaal een telefoon voor 5 uur opladen. Hoeveel stroom levert de powerbank tijdens het opladen?

a)

5 A

b)

2 A

c)

10 A

d)

1 A

11.

Een lamp heeft een hoog rendement. Wat betekent dit?

a)

Veel energie gaat verloren aan warmte.

b)

Weinig energie gaat verloren aan warmte.

c)

De lamp brandt heel fel.

d)

De lamp brandt zwak.

12.

Een lamp gebruikt een vermogen van 20 W, en heeft een rendement van 25%. Hoeveel van het vermogen wordt omgezet in licht?

a)

25 W

b)

5 W

c)

2,5 W

d)

0,8 W

13.

Wat is de eenheid van energiegebruik?

a)

Ampère-uur (Ah)

b)

Watt (W)

c)

kiloWattuur (kWh)

d)

kiloWatt (kW)

14.

Met welke formule bereken je energiegebruik?

a)

E = P + t

b)

E = P - t

c)

E = P x t

d)

E = P / t

15.

Een oven van 3000 W staat 1 uur aan. Het energiegebruik is dus (3000 x 1 =) 3000 kWh. Klopt dit?

a)

Nee, je moet tijd eerst omrekenen naar seconden.

b)

Nee, je moet W eerst omrekenen naar kW.

c)

Ja dit klopt.

16.

Een magnetron van 1 kW staat 2 minuten aan. Het energiegebruik is dus 2 kWh. Klopt dit?

a)

Nee, je moet tijd in minuten eerst omrekenen naar uren.

b)

Nee, je moet kW eerst omrekenen naar W.

c)

Ja dit klopt.

17.

Een oven, magnetron, airfryer en waterkoker staan tegelijk aan. Ineens gaat het licht uit en stoppen alle apparaten. Wat is hier gebeurt?

a)

Het werd te warm in de keuken waardoor de stroom uitging.

b)

De apparaten gebruikten te veel stroom waardoor de zekering is doorgebrand.

c)

De vegetarische bitterballen waren klaar.