wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 cellen tkb

Total questions: 37

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Welke van deze onderdelen hebben dierlijke cellen niet?

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Celwand

2.

Wat is celplasma?

a)

Hier zit alle erfelijke informatie van een organisme

b)

Dit beschermt de cel

c)

Het is vloeistof met opgeloste stoffen

d)

Dat bestaat niet

3.

Cellen zijn plat

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Dierlijke cellen hebben bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Wat is het celmembraan?

a)

Dat is hetzelfde als de celwand

b)

Dat bestaat niet

c)

Dat regelt alles wat er in de cel gebeurt

d)

Een dun vlies om het celplasma

6.

Wat is een orgaan?

a)

Een deel van een organisme met een eigen taak

b)

Je verteringsstelsel

c)

Je ademhalingsstelsel

d)

Een cel

7.

Een stengel is een orgaan van een plant

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Wat zijn de drie functies van wortels?

a)

Reservevoedsel opslaan

b)

Zuurstof opnemen

c)

De plant vastzetten aan de grond

d)

Water opnemen

9.
wat veroorzaakt de gele kleur van de paprika?
a)
Plastiden
b)
Bladgroenkorrels
c)
Zetmeelkorrels
d)
Kleurstofkorrels
10.

Welk onderdeel van de cel regelt wat er in de cel gebeurd?

a)

Celkern

b)

Kernmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Bladgroenkorrels

11.

Bij een onderzoek van het darmslijmvlies van een patiënt worden behalve slijmvliescellen ook cellen van onverteerde plantenresten aangetroffen.

Enkele delen in en om een cel kunnen zijn: celkern, celmembraan en celwand.

Welk van deze delen heeft een plantencel wel, maar een cel uit het darmslijmvlies niet?

a)

een celkern

b)

een celmembraan

c)

een celwand

12.

Bij dierlijke cellen zorgt de celwand voor stevigheid

a)

goed

b)

fout

13.

Waar in een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?

a)

Celmembraan

b)

Celkern

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

14.

Waar in een plantencel zit het celmembraan?

a)

Aan de buitenkant van het cytoplasma

b)

Aan de buitenkant van de celwand

c)

Tegen de vacuole aan

d)

Aan de buitenkant tegen de celkern

15.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

16.

De celkern is aangegeven met

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

7

17.

Dit is een cel van een ...

a)

Schimmel

b)

Dier

c)

Plant

d)

Bacterie

18.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

19.

Je ziet hier cellen. Kunnen deze cellen fotosynthese doen?

a)

ja

b)

nee

20.

Wat is waar over een dier?

Een dier heeft:

a)

geen celwand – wel een celkern –

wel bladgroenkorrels

b)

geen celwand – wel een celkern – geen

bladgroenkorrels

c)

een celwand – wel een celkern –

geen bladgroenkorrels

d)

een celwand – geen celkern –

geen bladgroenkorrels

21.

DNA bevindt zich in ..

a)

de celkern

b)

in een vacuole

c)

in de celwand

d)

in de celmembraan

22.

In de dwarsdoorsnede van de torso is nummer 4 ...

a)

het hart

b)

de long

c)

de ruggewervel

d)

de slokdarm

23.

Als we praten over een maag, is dat dan een ..

a)

organisme?

b)

orgaan?

c)

cel?

d)

weefsel?

24.

Je ziet hier cellen van een organisme. Welke soort cellen zie je?

a)

dierlijke cellen

b)

plantaardige cellen

25.

Welke onderdelen hebben een plantencel wel maar een dierlijke cel niet? (er zijn meer antwoorden goed)

a)

celmembraan

b)

bladgroenkorrels

c)

celwand

d)

mitochondriën

e)

vacuole

26.

In de groene delen van een plant kan fotosynthese plaatsvinden.

a)

Waar

b)

Niet waar

27.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

28.
Dochtercellen ontvangen alle erfelijke eigenschappen van de moedercel.
a)
Waar
b)
Niet waar
29.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

30.

Nummer 5 in de afbeelding van de torso is..

a)

een long

b)

de lever

c)

de maag

d)

de dikke darm

31.

3 is het

a)

cytovlasma

b)

cytoklasma

c)

cytoplasma

d)

cytospalma

32.

16 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

33.

11 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

34.

18 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

35.

14 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

36.

15 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

37.
Cellen kunnen verschillende vormen hebben.
a)
Juist
b)
Onjuist