Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

bloedsomloop 2vwo

Total questions: 19

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de belangrijkste functie van het bloedvatenstelsel?

a)

Het opslaan van bloed voor noodgevallen.

b)

Het transporteren van zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen door het lichaam.

c)

Het produceren van zuurstof en glucose.

d)

Het aanmaken van nieuwe cellen voor weefselherstel.

2.

Waar stroomt zuurstofarm bloed als eerste het hart binnen?

a)

De longslagader.

b)

De rechterhartkamer.

c)

De linkerboezem.

d)

De rechterboezem.

3.

Wat gebeurt er met het bloed in de haarvaten rondom de longblaasjes?

a)

Het bloed wordt volledig gefilterd en verlaat het lichaam.

b)

Het bloed blijft zuurstofarm en verandert niet.

c)

Het bloed geeft koolstofdioxide af en neemt zuurstof op.

d)

Het bloed neemt koolstofdioxide op en geeft zuurstof af.

4.

Wat gebeurt er in de grote bloedsomloop?

a)

Koolzuurgas wordt opgenomen in de longen.

b)

Zuurstofrijk bloed wordt naar het hele lichaam gepompt.

c)

Zuurstofarm bloed wordt naar de longen gestuurd.

d)

Het bloed keert terug naar de longader.

5.

Waar wordt zuurstofrijk bloed vanuit de linkerkamer naartoe gepompt?

a)
  • Naar de grote bloedsomloop.


b)

Naar de kleine bloedsomloop.

6.

Welke bloedvaten voeren zuurstofrijk bloed terug naar het hart?

a)

De holle ader.

b)

De kransslagader.

c)

De longslagader.

d)

De longader.

7.

Wat is de functie van de aorta?

a)

Het vervoert zuurstofrijk bloed vanuit de linkerkamer naar het hele lichaam.

b)

Het vervoert zuurstofarm bloed naar de longen.

c)

Het voert afvalstoffen af naar de nieren.

d)

heeft geen functie binnen de bloedsomloop

8.

Welke bloedvaten zorgen voor de uitwisseling van stoffen zoals zuurstof en koolstofdioxide?

a)

De aorta.

b)

Aders.

c)

Slagaders.

d)

Haarvaten.

9.

Welke typen bloedvaten bestaan er in het lichaam?

a)

Alleen aorta’s en longslagaders.

b)

Slagaders, aders en haarvaten.

c)

Alleen slagaders en aders.

d)

Alleen haarvaten en lymfevaten.

10.

Wat gebeurt er met bloed nadat het zuurstof heeft afgegeven aan een deel van het lichaam?

a)

Het bloed stroomt via de aders terug naar het hart.

b)

Het bloed blijft in de haarvaten achter.

c)

Het bloed gaat direct terug naar de longen zonder door het hart te gaan.

d)
  • Het bloed verlaat het lichaam via de huid.

11.

Waarom is de wand van een slagader dik en elastisch?

a)

Omdat het bloed in slagaders altijd zuurstofarm is.

b)

Omdat er kleppen in slagaders zitten.

c)


Om de hoge druk van het bloed dat door het hart wordt gepompt te weerstaan.

d)

Om het bloed te filteren voordat het de organen bereikt.

12.

Wat is de functie van kleppen in de aders?

a)

Ze zorgen ervoor dat bloed sneller stroomt.

b)

Ze reguleren de zuurstofopname van het bloed.

c)

Ze filteren afvalstoffen uit het bloed.

d)

Ze voorkomen dat bloed terugstroomt tijdens de pauze van het hart.

13.

Wat is de functie van witte bloedcellen?

a)

Ze beschermen het lichaam tegen ziekteverwekkers.

b)

Ze vervoeren zuurstof door het lichaam.

c)

Ze zorgen ervoor dat het bloed niet stolt.

d)
  • Ze reguleren de bloeddruk in de slagaders.

14.

Wat is de rol van bloedplaatjes in het bloed?

a)

Ze beschermen het lichaam tegen virussen.

b)

Ze zorgen voor het zuurstoftransport.

c)

ze vervoeren voedingsstoffen naar de cellen.

d)

Ze zijn belangrijk voor de bloedstolling

15.

Waarom zijn de wanden van haarvaten slechts één laag dik?

a)

Omdat de bloeddruk in haarvaten te laag is voor dikkere wanden.

b)

Zodat stoffen gemakkelijk kunnen uitwisselen tussen het bloed en de cellen.

c)

Om te voorkomen dat het bloed stolt in de haarvaten.

d)

Omdat haarvaten geen zuurstof of voedingsstoffen vervoeren.

16.

Wat gebeurt er tijdens de diastole in de hartcyclus?

a)

De kamers trekken samen en persen bloed naar de slagaders.

b)

De hartkleppen sluiten om bloed terugstroom te voorkomen.

c)

De kamers en boezems ontspannen, en bloed stroomt vanuit de aders de boezems en kamers in.

d)

De boezems trekken samen en persen bloed naar de kamers.

17.

Wat gebeurt er tijdens de boezemsystole?

a)

De boezemspieren trekken samen en persen bloed van de boezems naar de kamers.

b)

De kamers trekken samen en persen bloed naar de slagaders.

c)

De hartkleppen tussen boezems en kamers sluiten door de druk.

d)

De kamers ontspannen en vullen zich met bloed.

18.

Wat zijn de drie fasen van een hartslag in volgorde?

a)

Kamersystole, diastole, boezemsystole.

b)

Boezemsystole, kamersystole, diastole.

c)

Diastole, kamersystole, boezemsystole.

d)

Diastole, boezemsystole, kamersystole.

19.

Waarom is de diastole belangrijk in de hartcyclus?

a)

Het zorgt ervoor dat de kamers en boezems zich vullen met bloed voor de volgende samentrekking.

b)

Het pompt bloed direct naar de slagaders.

c)

Het sluit de hartkleppen om bloedverlies te voorkomen.

d)

Het opent de longslagaderkleppen om zuurstof op te nemen.