Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V1 H3.1, 3.2 en 3.3

Total questions: 50

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Wat gebeurde er in 509 voor Chr. in Rome?

a)

Rome werd een republiek

b)

Rome werd een monarchie

c)

Rome werd een tirannie

d)

Rome werd een aristocratie

2.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'vergadering die de Romeinse republiek bestuurde'

(a)  

3.

Wie zaten er in de Romeinse senaat?

a)

Edelen

b)

Leden van rijke en belangrijke Romeinse families

c)

Mensen van adel

d)

Leden van rijke en adellijke Romeinse families

4.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Belangrijkste bestuurder en legeraanvoerder in de Romeinse republiek'

(a)  

5.

Door wie werden de Romeinse consuls gekozen?

a)

Door het volk

b)

Door de senaat

c)

Door het Romeinse volk

d)

Door de koning

6.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

' Het recht om een beslissing tegen te houden'

(a)  

7.

Welke delen van de wereld hebben de Romeinen veroverd?

a)

Delen van Noord-Afrika

b)

Delen van het Midden-Oosten

c)

Delen van Europa

d)

Delen van Amerika

8.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Groot gebied dat ongeveer van 300 voor Christus tot 1450 na Christus heeft bestaan. Toen het rijk rond 200 na Christus op zijn grootst was, omvatte het delen van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten

(a)  

9.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Groot rijk, waarin verschillende volken onder één bestuur zijn gebracht'

(a)  

10.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Romeinse burgers hadden bepaalde voorrechten, zoals het recht om niet zonder proces te worden veroordeeld'

(a)  

11.

Waarom hadden de Romeinen zoveel succes met hun veroveringen?

a)

Ze hadden een goed georganiseerd leger

b)

De Romeinen hadden veel geld.

c)

De Romeinen behandelden hun verslagen vijanden goed, waardoor de verslagen volken zich als Romein gingen voelen

d)

De vijanden van de Romeinen konden niet goed vechten.

12.

Waarom vonden de overwonnen volken het waarschijnlijk niet zo erg dat ze verloren hadden van de Romeinen?

a)

Ze mochten hun eigen godsdienst en cultuur houden

b)

De Romeinen beschermden ze tegen vijandelijke aanvallen

c)

De leiders mochten meepraten over de Romeinse politiek

d)

De niet-Romeinen konden ook burgerrecht krijgen

13.

Waarom werd het steeds moeilijker om het Romeinse Rijk als republiek te bestuderen?

a)

Er waren veel conflicten tussen arme en rijke Romeinen

b)

Het Rijk werd te groot

c)

De senaat kon niet goed beslissingen nemen

d)

Sommige legeraanvoerders kregen heel veel macht

14.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Alleenheerser'

(a)  

15.

Wie was de eerste dictator van het Romeinse Rijk?

a)

Julius Caesar

b)

Augustus

c)

Nero

d)

Romus

16.

Wie was de eerste keizer van het Romeinse Rijk?

a)

Julius Caesar

b)

Augustus

c)

Nero

d)

Ovidius

17.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Lange periode van rust en vrede in het Romeinse Rijk in de 1e en 2e eeuw'

(a)  

18.

Waar zorgde de pax romana voor?

a)

Nieuwe wegen en bruggen

b)

Nieuwe steden

c)

Meer welvaart

d)

Onrust

19.

Waar of niet waar?

In het Romeinse Rijk woonden de meeste mensen op het platteland?

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Waardoor werd de groep vrije boeren steeds kleiner vanaf de 2e eeuw voor Christus?

a)

De boeren moesten meevechten in het Romeinse leger, waardoor hun families in geldnood kwamen en het land moesten verkopen.

b)

De meeste mensen wilden geen boer meer zijn.

c)

De boeren moesten meevechten in het Romeinse leger, waardoor ze allemaal dood gingen.

21.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'iemand die veel grond bezit en daardoor erg rijk en machtig is'

(a)  

22.

Waar of niet waar?

De Romeinse grootgrondbezitters kochten de grond van de verarmde boeren en stichtten daar grote landbouwbedrijven.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Een Romeinse burger die arm was en afhankelijk was van de steun van de rijken en de machtigen'

(a)  

24.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Groep van rijkste en machtigste personen in een samenleving'

(a)  

25.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Show waarbij beroepskrijgers in speciaal gebouwde stadions op leven en dood met elkaar en met wilde dieren vochten'

(a)  

26.

Waardoor groeiden de Romeinse steden heel hard in de eerste twee eeuwen voor Chr.?

a)

Er gingen weinig mensen dood

b)

In de stad was meer te doen

c)

In de stad konden hun kinderen naar school.

d)

De boeren trokken weg van het platteland, omdat er in de stad wel werk was.

27.

Hoe voorkwam de elite dat de proletariërs in opstand zouden komen?

a)

Door voedsel uit te delen

b)

Door voor goed drinkwater te zorgen

c)

Door verschillende soorten vermaak, zoals de gladiatorenspelen

d)

Door geld te geven aan de proletariërs

28.

Waar of niet waar?

De Romeinse slaven hadden geen enkel recht

a)

Waar

b)

Niet waar

29.

Waar of niet waar?

De Romeinen hadden zoveel slaven, doordat er veel krijgsgevangenen waren door de vele oorlogen.

a)

Waar

b)

Niet waar

30.

Waar waren vrouwen verantwoordelijk voor bij de Romeinen?

a)

Het huishouden

b)

Het opvoeden van kleine kinderen

c)

Geld verdienen als je arm was

d)

Geld verdienen.

31.

Waarom namen de Romeinen zoveel van de Griekse cultuur over?

a)

Ze waren onder de indruk van de Griekse cultuur

b)

Ze vonden de Grieken heel slim

c)

Ze vonden hun eigen cultuur stom

d)

Ze vonden de Griekse cultuur geschikt voor zichzelf

32.

Wat namen de Romeinen over van de Grieken?

a)

Hun architectuur

b)

Hun beeldhouwkunst

c)

Hun dichtkunst

d)

Hun godsdienst

e)

Hun gewoontes

33.

Waar of niet waar?

De Romeinen hadden ook hun eigen gewoontes, zoals het vereren van hun keizers als goden, de toga en gladiatorengevechten

a)

Waar

b)

Niet waar

34.

Waar staan de Romeinen om bekend?

a)

Hun architectuur

b)

Toneelstukken

c)

Romeins recht

d)

Hun ingenieurs

35.

Hoe verspreidde de Grieks-Romeinse cultuur zich?

a)

Door de veroveringen van de Romeinen

b)

Via brieven

c)

Doordat de plaatselijke bevolking met de Romeinen ging handelen

d)

Via paard en wagen

36.

Wat nam de plaatselijke bevolking over van de Romeinen?

a)

Kleding

b)

De taal (Latijn)

c)

De goden

d)

Producten zoals aardewerk, sieraden en olijfolie

e)

Het bestuur

37.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Verzameling volken die oorspronkelijk in het gebied van Duitsland en Nederland leefden, zoals de Friezen en Bataven'

(a)  

38.

Wat is geen plaatselijke bevolkingsgroep in het Romeinse Rijk?

a)

Galliërs

b)

Kelten

c)

Friezen

d)

Bataven

e)

Byzantijnen

39.

Welke problemen had het Romeinse Rijk in de 4e eeuw?

a)

Het leger was te klein om het enorme rijk te verdedigen

b)

De bevolking moest veel belasting betalen voor het leger

c)

Soldaten voelen zich meer verbonden met hun generaal dan met de keizer

d)

De keizers regeerden niet altijd goed

e)

De Romeinen wilden niet meer in het leger vechten

40.

Wat gebeurde er in 395?

a)

Het Romeinse Rijk valt uiteen

b)

Het West-Romeinse Rijk valt

c)

Het Oost-Romeinse Rijk valt

41.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Deel van het Romeinse Rijk dat vanaf de 4e eeuw vanuit Italië werd bestuurd en in 476 ten onder ging'

(a)  

42.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Deel van het Romeinse Rijk dat vanaf de 4e eeuw vanuit Constantinopel werd bestuurd. Dit rijk bleef bestaan tot 1453.

(a)  

43.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Grote verplaatsing van volken vanuit Noord- en Oost-Europa naar het zuiden en westen in de 4e en 5e eeuw.

(a)  

44.

Wat was de oorzaak van de volksverhuizingen in de 4e en 5e eeuw?

a)

Ze wilden het Romeinse Rijk plunderen

b)

Ze wilden graag bij het Romeinse Rijk horen

c)

De Hunnen verdreven de volken

d)

De Germanen verdreven de volken

45.

Wat is het gevolg van de volksverhuizingen?

a)

De verschillende volken komen in het West-Romeinse rijk wonen, waardoor uiteindelijk het West-Romeinse rijk valt.

b)

De verschillende volken komen in het West-Romeinse Rijk wonen

c)

Het West-Romeinse Rijk wordt sterker en bestaat nog 1000 jaar

d)

De nieuwe volken nemen het Romeinse Rijk over en leveren de nieuwe keizer

46.

Wat gebeurde er in 476?

a)

Het Romeinse Rijk valt uiteen

b)

Het West-Romeinse Rijk valt

c)

Het Oost-Romeinse Rijk valt

47.

Welk begrip past bij deze omschrijving?

'Het Oost-Romeinse Rijk

(a)  

48.

Waar of niet waar?

De Byzantijnen verdienden veel geld met de handel

a)

Waar

b)

Niet waar

49.

Waarom is het best gek dat de mensen in het Oost-Romeinse Rijk zich nog steeds Romeinen noemden?

a)

Rome was niet meer de hoofdstad

b)

Ze waren geen Romeinen

c)

Ze spraken Grieks in plaats van Latijn

d)

Het Romeinse rijk bestond niet meer

50.

Waar of niet waar?

De Byzantijnen veroverden veel gebied, maar verloren ook weer veel gebied

a)

Waar

b)

Niet waar