Font size
WorksheetsConjugaisons chapitre 2
Total questions: 45
Worksheet time: 23mins
OTT : Hij (a) (liegen) altijd wanneer hij onder druk staat.
OTT : Wij (a) (roddelen) nooit over onze vrienden.
OTT : Zij (a) (verbergen) haar emoties als ze zenuwachtig is.
OTT : Wat (a) jij (zeggen) over dat incident?
OTT : Ik (a) (leven) voor de muziek en de kunst.
Futur : Zij _____ (vertellen) morgen het volledige verhaal _____.
(a)
Futur : Hij _____ (afleiden) de waarheid uit hun woorden ______.
(a)
Futur : Wij _____ (samenleven) in vrede en harmonie ______.
(a)
Conditionnel : Als hij eerlijk was, _____ hij niet _____ (bedriegen).
(a)
Conditionnel : Jullie _____ (haten) dit plan _____ als jullie de details wisten.
(a)
Contionnel : Als ik meer tijd had, _____ ik (lezen) dat boek _____.
(a)
Imparfait : Hij (a) (knipperen) met zijn ogen toen hij schrok.
Imparfait : Wij (a) (wegkijken) als we niet wilden reageren.
Imparfait : Jullie (a) (horen) het nieuws al lang geleden.
Imparfait : Ik (a) (friemelen) aan mijn pen tijdens de les.
Imparfait : Zij (a) (spieken) altijd bij examens.
Passé composé : Hij ____ (verzinnen) een excuus ____ om niet te komen.
(a)
Passé composé : Wij _____ (betrappen) hem op een leugen _____.
(a)
Passé composé : Ik _____ (kwetsen) haar gevoelens _____ zonder het te willen.
(a)
Passé composé : Zij _____ (vernemen) het slechte nieuws gisteren _____.
(a)
Passé composé : Jullie _____ (winnen) de wedstrijd _____, gefeliciteerd!
(a)
Plus-que-parfait : Jullie _____ (bepraten) dit al eerder _____, toch?
(a)
Plus-que-parfait : Jules _____ (storen) hem niet _____, omdat hij sliep.
(a)
Plus-que-parfait : Ik _____ (aanraken) iets _____ wat ik niet had moeten aanraken.
(a)
OTT - Hij (a) (doen alsof) hij niets weet.
OTT - Jij (a) (geloven) alles wat je op internet leest.
Futur : Hij ____ (ontmaskeren) de waarheid in de komende aflevering _____.
(a)
Conditionnel : Wij _____ (friemelen) minder _____ als we niet zo nerveus waren.
(a)
Imparfait : Wij (a) (liegen) niet, zelfs niet toen het moeilijk werd.
Imparfait : Jullie (a) (wrijven) over je gezicht om wakker te blijven.
Imparfait : Hij (a) (ademen) rustig, ondanks de stress.
Passé composé : Marie _____ (verbergen) haar geheim voor iedereen ______.
(a)
Passé composé : Wij _____ (geven) hem een kans _____.
(a)
Passé composé : Jullie (a) (zien) wat er werkelijk is gebeurd.
Plus-que-parfait : Hij _____ (roddelen) over haar _____ voordat hij de waarheid kende.
(a)
Plus-que-parfait : Wij _____ (zeggen) hem _____ wat hij moest doen, maar hij luisterde niet.
(a)
OTT : Jij (a) (beweren) de waarheid te kennen.
Imparfait : Maxime (a) (bedriegen) zijn vriendin.
Imparfait : Marie en Maxime (a) (alsof doen) te slapen.
Passé composé : Jij _____ tijdens het spel ______ (valsspelen).
(a)
Imparfait : Jullie (a) (haten) mensen die logen.
OTT : Ik (a) (slikken) vaker als ik zenuwachtig ben.
OTT : Ik _____ het antwoord _____ (afleiden).
(a)
Passé composé : Ik _____ je leugen _____ (ontmaskeren) !
(a)
Imparfait : Hij _____ zijn neus _____ (aanraken).
(a)
