wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Conjugaisons chapitre 2

Total questions: 45

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

OTT : Hij (a)   (liegen) altijd wanneer hij onder druk staat.

2.

OTT : Wij (a)   (roddelen) nooit over onze vrienden.

3.

OTT : Zij (a)   (verbergen) haar emoties als ze zenuwachtig is.

4.

OTT : Wat (a)   jij (zeggen) over dat incident?

5.

  1. OTT : Ik (a)   (leven) voor de muziek en de kunst.

6.

Futur : Zij _____ (vertellen) morgen het volledige verhaal _____.

(a)  

7.

Futur : Hij _____ (afleiden) de waarheid uit hun woorden ______.

(a)  

8.

Futur : Wij _____ (samenleven) in vrede en harmonie ______.

(a)  

9.

Conditionnel : Als hij eerlijk was, _____ hij niet _____ (bedriegen).

(a)  

10.

Conditionnel : Jullie _____ (haten) dit plan _____ als jullie de details wisten.

(a)  

11.

  1. Contionnel : Als ik meer tijd had, _____ ik (lezen) dat boek _____.



(a)  

12.

Imparfait : Hij (a)   (knipperen) met zijn ogen toen hij schrok.

13.

Imparfait : Wij (a)   (wegkijken) als we niet wilden reageren.

14.

Imparfait : Jullie (a)   (horen) het nieuws al lang geleden.

15.

Imparfait : Ik (a)   (friemelen) aan mijn pen tijdens de les.

16.

Imparfait : Zij (a)   (spieken) altijd bij examens.

17.

Passé composé : Hij ____ (verzinnen) een excuus ____ om niet te komen.

(a)  

18.

Passé composé : Wij _____ (betrappen) hem op een leugen _____.

(a)  

19.

Passé composé : Ik _____ (kwetsen) haar gevoelens _____ zonder het te willen.

(a)  

20.

Passé composé : Zij _____ (vernemen) het slechte nieuws gisteren _____.

(a)  

21.

Passé composé : Jullie _____ (winnen) de wedstrijd _____, gefeliciteerd!

(a)  

22.

Plus-que-parfait : Jullie _____ (bepraten) dit al eerder _____, toch?

(a)  

23.

Plus-que-parfait : Jules _____ (storen) hem niet _____, omdat hij sliep.

(a)  

24.

  1. Plus-que-parfait : Ik _____ (aanraken) iets _____ wat ik niet had moeten aanraken.



(a)  

25.

OTT - Hij (a)   (doen alsof) hij niets weet.

26.

OTT - Jij (a)   (geloven) alles wat je op internet leest.

27.

Futur : Hij ____ (ontmaskeren) de waarheid in de komende aflevering _____.

(a)  

28.

Conditionnel : Wij _____ (friemelen) minder _____ als we niet zo nerveus waren.

(a)  

29.

Imparfait : Wij (a)   (liegen) niet, zelfs niet toen het moeilijk werd.

30.

Imparfait : Jullie (a)   (wrijven) over je gezicht om wakker te blijven.

31.

Imparfait : Hij (a)   (ademen) rustig, ondanks de stress.

32.

Passé composé : Marie _____ (verbergen) haar geheim voor iedereen ______.

(a)  

33.

Passé composé : Wij _____ (geven) hem een kans _____.

(a)  

34.

Passé composé : Jullie (a)   (zien) wat er werkelijk is gebeurd.

35.

Plus-que-parfait : Hij _____ (roddelen) over haar _____ voordat hij de waarheid kende.

(a)  

36.

Plus-que-parfait : Wij _____ (zeggen) hem _____ wat hij moest doen, maar hij luisterde niet.

(a)  

37.

OTT : Jij (a)   (beweren) de waarheid te kennen.

38.

Imparfait : Maxime (a)   (bedriegen) zijn vriendin.

39.

Imparfait : Marie en Maxime (a)   (alsof doen) te slapen.

40.

Passé composé : Jij _____ tijdens het spel ______ (valsspelen).

(a)  

41.

Imparfait : Jullie (a)   (haten) mensen die logen.

42.

OTT : Ik (a)   (slikken) vaker als ik zenuwachtig ben.

43.

OTT : Ik _____ het antwoord _____ (afleiden).

(a)  

44.

Passé composé : Ik _____ je leugen _____ (ontmaskeren) !

(a)  

45.

Imparfait : Hij _____ zijn neus _____ (aanraken).

(a)