wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling Kerstmis (RT)

Total questions: 130

Worksheet time: 1hrs 13mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het onderstreepte woord?

Kerstmis is de tijd van het jaar waarin gezelligheid en warmte centraal staan.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

2.

Wat is het onderstreepte woord?

Kerstmis is de tijd van het jaar waarin gezelligheid en warmte centraal staan.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

3.

Wat is het onderstreepte woord?

Kerstmis is de tijd van het jaar waarin gezelligheid en warmte centraal staan.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

4.

Wat is het onderstreepte woord?

In de huiskamer brandt de kerstboom met twinkelende lichtjes en kleurrijke ballen.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

5.

Wat is het onderstreepte woord?

In de huiskamer brandt de kerstboom met twinkelende lichtjes en kleurrijke ballen.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

6.

Wat is het onderstreepte woord?

In de huiskamer brandt de kerstboom met twinkelende lichtjes en kleurrijke ballen.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

7.

WWG of NWG

In de huiskamer brandt de kerstboom met twinkelende lichtjes en kleurrijke ballen.

a)

WWG

b)

NWG

8.

Wat is het onderstreepte woord?

In de huiskamer brandt de kerstboom met twinkelende lichtjes en de kerstballen zijn heel kleurrijk.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

9.

Wat is het onderstreepte woord?

Buiten schaatsen mensen op bevroren vijvers, dik ingepakt in sjaals en mutsen. De winterse kou maakt de vreugde binnen des te groter.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

10.

Wat is het onderstreepte woord?

Buiten schaatsen mensen op bevroren vijvers, dik ingepakt in sjaals en mutsen. De winterse kou maakt de vreugde binnen des te groter.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

11.

Wat is het onderstreepte woord?

Buiten schaatsen mensen op bevroren vijvers, dik ingepakt in sjaals en mutsen. De winterse kou maakt de vreugde binnen des te groter.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

12.

Wat is het onderstreepte woord?

Buiten schaatsen mensen op bevroren vijvers, dik ingepakt in sjaals en mutsen. De winterse kou maakt de vreugde binnen des te groter.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

13.

Wat is het onderstreepte woord?

Het kerstontbijt bestaat uit geurige croissants, zoete jam en dampende koppen thee.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

14.

Wat is het onderstreepte woord?

Het kerstontbijt bestaat uit geurige croissants, zoete jam en dampende koppen thee.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

15.

Wat is het onderstreepte woord?

Het kerstontbijt bestaat uit geurige croissants, zoete jam en dampende koppen thee.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

16.

Wat is het onderstreepte woord?

Het kerstontbijt bestaat uit geurige croissants, zoete jam en dampende koppen thee.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

17.

Wat is het onderstreepte woord?

Het kerstontbijt bestaat uit geurige croissants, zoete jam en dampende koppen thee.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

18.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Het had de hele dag gesneeuwd.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

ADPV

19.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Het had de hele dag gesneeuwd.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

ADPV

20.

WWG OF NWG

Het had de hele dag gesneeuwd.

a)

WWG

b)

NWG

21.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

De kinderen gingen buiten spelen.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

ADPV

22.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

De kinderen gingen buiten spelen.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

ADPV

23.

WWG OF NWG

De kinderen gingen buiten spelen.

a)

WWG

b)

NWG

24.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Daar besloten ze een sneeuwpop te maken.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

ADPV

25.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Daar besloten ze een sneeuwpop te maken.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

ADPV

26.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Moeder had warme chocolademelk klaargezet.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

ADPV

27.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Moeder had warme chocolademelk klaargezet.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

ADPV

28.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Moeder begon het verhaal voor te lezen.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

ADPV

29.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

De kerstboom was prachtig.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

NWD

30.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

De kerstboom was prachtig.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

NWD

31.

WWG of NWG

De kerstboom was prachtig.

a)

WWG

b)

NWG

32.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

De kerstboom was prachtig.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

IMP

e)

NWD

33.

WWG of NWG?

De kerstboom was prachtig.

a)

WWG

b)

NWG

34.

WWG of NWG?

Hij lijkt een beetje op de Kerstman.

a)

WWG

b)

NWG

35.

Welke vorm van het werkwoord staat aangeduid?

Hij lijkt een beetje op de Kerstman.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

ADPV

e)

NWD

36.

Welke vorm van het werkwoord staat aangeduid?

Ik heb besloten om kerstkaarten te versturen.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

ADPV

e)

NWD

37.

Welke vorm van het werkwoord staat aangeduid?

Ik heb besloten om kerstkaarten te versturen.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

ADPV

e)

NWD

38.

Welke vorm van het werkwoord staat aangeduid?

Ik heb besloten om kerstkaarten te versturen.

a)

PV

b)

INF

c)

VD

d)

ADPV

e)

NWD

39.

WWG OF NWG?

Moeder had warme chocolademelk klaargezet.

a)

WWG

b)

NWG

40.

WWG OF NWG?

Daar besloten ze een sneeuwpop te maken.

a)

WWG

b)

NWG

41.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Ebenezer Scrooge is een rijke, maar gierige en kille man.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

42.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Ebenezer Scrooge is een rijke, maar gierige en kille man.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

43.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Ebenezer Scrooge is een rijke, maar gierige en kille man.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

44.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Ebenezer Scrooge is een rijke, maar gierige en kille man.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

45.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Ebenezer Scrooge is een rijke, maar gierige en kille man.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

46.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij houdt niet van Kerstmis en vindt het verspilling van tijd en geld.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

47.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij houdt niet van Kerstmis en vindt het verspilling van tijd en geld.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

48.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij houdt niet van Kerstmis en vindt het verspilling van tijd en geld.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

49.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij houdt niet van Kerstmis en vindt het verspilling van tijd en geld.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

50.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij houdt niet van Kerstmis en vindt het verspilling van tijd en geld.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

51.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij helpt het gezin van Bob Cratchit en wordt een vaderfiguur voor Tiny Tim.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

52.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij helpt het gezin van Bob Cratchit en wordt een vaderfiguur voor Tiny Tim.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

53.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij helpt het gezin van Bob Cratchit en wordt een vaderfiguur voor Tiny Tim.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

54.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij helpt het gezin van Bob Cratchit en wordt een vaderfiguur voor Tiny Tim.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

55.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij helpt het gezin van Bob Cratchit en wordt een vaderfiguur voor Tiny Tim.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

c)

Werkwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

56.

De kerstboom _______ in de woonkamer staat, is prachtig versierd.

a)

Die

b)

dat

57.

Het cadeau ________ onder de boom ligt, is voor mijn zus.

a)

Die

b)

Dat

58.

Lichtjes _______ in de bomen hangen, geven een warme sfeer.

a)

Die

b)

Dat

59.

De chocolademelk _________ oma maakte, smaakt heerlijk.

a)

Die

b)

Dat

60.

Het vuur _________ in de open haard brandt, houdt ons warm.

a)

Die

b)

Dat

61.

Kerstkransen _________ aan de deur hangen, zijn zelfgemaakt.

a)

Die

b)

Dat

62.

________ kerstboom is de mooiste die we ooit hebben gehad.

a)

Deze

b)

Dit

63.

Wat is het onderwerp in de zin?

Onder de kerstboom liggen kleurrijke cadeautjes.

a)

Onder de kerstboom

b)

liggen

c)

kleurrijke cadeautjes

d)

cadeautjes

64.

De kaarsen op __________ tafel geven een warme gloed.

a)

Deze

b)

Dit

65.

_________ jaar vieren we Kerstmis met de hele familie.

a)

Deze

b)

Dit

66.

Kijk naar ________ lichtjes; ze maken de straat zo gezellig!

a)

Deze

b)

Dit

67.

________ kerstverhaal is mijn favoriet om te lezen bij de haard.

a)

Deze

b)

Dit

68.

Wat is het onderwerp in deze zin?

De kinderen versieren de boom met glimmende ballen.

a)

De kinderen

b)

versieren

c)

de boom

d)

met glimmende ballen

e)

de boom met glimmende ballen

69.

Wat is het onderwerp in deze zin?

In de keuken bakt oma heerlijke kerstkoekjes.

a)

oma

b)

In de keuken

c)

de keuken

d)

heerlijke kerstkoekjes

e)

kerstkoekjes

70.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Lekkere geuren vullen het huis tijdens het kerstdiner.

a)

Lekkere geuren

b)

vullen

c)

het huis

d)

tijdens het kerstdiner

e)

het kerstdiner

71.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Iedereen zingt samen kerstliedjes bij het knapperende vuur.

a)

Iedereen

b)

zingt

c)

kerstliedjes

d)

het knapperende vuur

e)

samen

72.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Door de sneeuw lopen mensen met warme chocolademelk in hun handen.

a)

mensen

b)

Door de sneeuw

c)

warme chocolademelk

d)

hun handen

e)

mensen met warme chocolademelk

73.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Vrolijke muziek klinkt overal tijdens de feestdagen.

a)

Vrolijke muziek

b)

muziek

c)

overal

d)

de feestdagen

e)

tijdens de feestdagen

74.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Voor de haard hangt een rij vrolijke kerstsokken.

a)

een rij vrolijke kerstsokken

b)

een rij

c)

vrolijke kerstsokken

d)

de haard

e)

Voor de haard

75.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Op tafel staan prachtige kaarsen die licht geven.

a)

prachtige kaarsen

b)

kaarsen

c)

op tafel

d)

geven

e)

licht

76.

Wat is het onderwerp in deze zin?

De Kerstman brengt cadeautjes voor alle kinderen.

a)

De Kerstman

b)

de kerstman

c)

Kerstman

d)

cadeautjes

e)

alle kinderen

77.

Wat is het onderwerp in deze zin?

De geur van kaneel en dennenhout vult het huis.

a)

De geur van kaneel en dennenhout

b)

De geur

c)

De geur van kaneel

d)

De geur van dennenhout

e)

het huis

78.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

De Kerstman (versieren) zijn slee met lichtjes.

(a)  

79.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Als het sneeuwt, (worden) het landschap prachtig wit.

(a)  

80.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

In de kerk (zingen) het koor prachtige kerstliederen.

(a)  

81.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Hebben) jij al een kerstboom gekocht?

(a)  

82.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

De kinderen (spelen) in de sneeuw naast het huis.

(a)  

83.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Halen) jij de rendieren uit de stal?

(a)  

84.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(sturen) een kerstkaart naar je vrienden en familie.

(a)  

85.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(geven) een warm cadeau aan iemand die het nodig heeft.

(a)  

86.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Op tafel (branden) verschillende kaarsen.

(a)  

87.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(luisteren) naar een prachtig kerstverhaal bij de open haard.

(a)  

88.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

In de keuken (bakken) oma lekkere koekjes en taart.

(a)  

89.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Herkennen) jij de magie van Kerstmis in de lichtjes buiten?

(a)  

90.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Iedereen (genieten) van het feestelijke kerstdiner.

(a)  

91.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Versieren) de kerstboom met glinsterende ballen.

(a)  

92.

Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

(Genieten) van het gezellige kerstdiner.

(a)  

93.

Wat is het onderstreepte woord?

De sneeuwvlokken vallen zachtjes op de grond.

a)

Samenstelling

b)

Afleiding

c)

Grondwoord

94.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

De kinderen spelen in de sneeuw.

a)

Lidwoord

b)

Werkwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

e)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

95.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Hij heeft een sneeuwpop gemaakt.

a)

ADPV

b)

IMP

c)

VD

d)

INF

e)

PV

96.

Wat is het onderstreepte woord?

De kinderen zongen kerstliederen bij de haard.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

97.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

Hij geniet van de feestdagen met zijn familie.

a)

Werkwoord

b)

Lidwoord

c)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

d)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

e)

Bijvoeglijk naamwoord

98.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Ze heeft een mooie kerstkaart geschreven.

a)

VD

b)

INF

c)

IMP

d)

ADPV

e)

PV

99.

Wat is het hoofddoel van dit teksttype?

a)

De lezer informeren

b)

De lezer een verhaal vertellen

c)

De lezer beïnvloeden

d)

De lezer een mening geven

e)

De lezer een instructie geven

100.

Wat is het hoofddoel van dit teksttype?

a)

De lezer informeren

b)

De lezer een verhaal vertellen

c)

De lezer beïnvloeden

d)

De lezer een mening geven

e)

De lezer een instructie geven

101.

Wat is het hoofddoel van dit teksttype?

a)

De lezer informeren

b)

De lezer een verhaal vertellen

c)

De lezer beïnvloeden

d)

De lezer een mening geven

e)

De lezer een instructie geven

102.

Wat is het hoofddoel van dit teksttype?

a)

De lezer informeren

b)

De lezer een verhaal vertellen

c)

De lezer beïnvloeden

d)

De lezer een mening geven

e)

De lezer een instructie geven

103.

Wat is het hoofddoel van dit teksttype?

a)

De lezer informeren

b)

De lezer een verhaal vertellen

c)

De lezer beïnvloeden

d)

De lezer een mening geven

e)

De lezer een instructie geven

104.

Wat is het hoofddoel van dit teksttype?

a)

De lezer informeren

b)

De lezer een verhaal vertellen

c)

De lezer beïnvloeden

d)

De lezer een mening geven

e)

De lezer een instructie geven

105.

Wat is het hoofddoel van dit teksttype?

a)

De lezer informeren

b)

De lezer een verhaal vertellen

c)

De lezer beïnvloeden

d)

De lezer een mening geven

e)

De lezer een instructie geven

106.

Wat is het hoofddoel van dit teksttype?

a)

De lezer informeren

b)

De lezer een verhaal vertellen

c)

De lezer beïnvloeden

d)

De lezer een mening geven

e)

De lezer een instructie geven

107.

Wat is het hoofddoel van dit teksttype?

a)

De lezer informeren

b)

De lezer een verhaal vertellen

c)

De lezer beïnvloeden

d)

De lezer een mening geven

e)

De lezer een instructie geven

108.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

zakelijk, officieel

a)

Uitgebreid

b)

Formeel

c)

Informeel

d)

Laf

109.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

zacht geluid in je keel maken om te laten merken dat je luistert

a)

Reserveren

b)

Hummen

c)

Uitvoeren

d)

Formuleren

110.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

als je niet durft wat je moet doen

a)

Formeel

b)

Laf

c)

Informeel

d)

automatisch

111.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

gevolg van iets

a)

de roof

b)

het effect

c)

het certificaat

d)

De troef

112.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

tot stand brengen

a)

realiseren

b)

garanderen

c)

inspireren

d)

klissen

113.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

een situatie waarbij je niet weet wat te kiezen

a)

een dilemma

b)

de replica

c)

de prooi

d)

de prooi

114.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

waarderen of erkenning hebben voor de waarde, kwaliteit of betekenis van iets

a)

appreciëren

b)

rangschikken

c)

vermijden

d)

Akkoord gaan met

115.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

iets bewust uit de weg gaan of proberen te ontlopen

a)

appreciëren

b)

rangschikken

c)

vermijden

d)

akkoord gaan met

116.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

iets aandachtig bekijken of waarnemen

a)

observeren

b)

akkoord gaan met

c)

rangschikken

d)

vermijden

117.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

een uitleg of weergave van hoe iets eruitziet, werkt, of gebeurt

a)

de beschrijving

b)

de feedback

c)

het fragment

d)

de ordening

118.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

een reactie of terugkoppeling op iemands werk, gedrag of ideeën, bedoeld om te helpen verbeteren

a)

de beschrijving

b)

de feedback

c)

het fragment

d)

de ordening

119.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

een klein deel of stukje van een groter geheel, zoals een tekst, muziekstuk of film

a)

de beschrijving

b)

de feedback

c)

het fragment

d)

de ordening

120.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

duidelijk, tastbaar of direct waarneembaar, zonder ruimte voor twijfel of abstractie

a)

concreet

b)

ingewikkeld

c)

plots

d)

telkens

e)

vermoedelijk

121.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

complex of lastig te begrijpen vanwege veel details of een ingewikkelde structuur

a)

concreet

b)

ingewikkeld

c)

plots

d)

telkens

e)

vermoedelijk

122.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

opeens of onverwacht

a)

concreet

b)

ingewikkeld

c)

plots

d)

telkens

e)

vermoedelijk

123.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

elke keer opnieuw of herhaaldelijk

a)

concreet

b)

ingewikkeld

c)

plots

d)

telkens

e)

vermoedelijk

124.

Welk woord hoort bij deze verklaring?

waarschijnlijk of naar verwachting, gebaseerd op aannames of aanwijzingen

a)

concreet

b)

ingewikkeld

c)

plots

d)

telkens

e)

vermoedelijk

125.

Wat is het onderstreepte woord?

De sneeuw bedekte de straten en maakte alles wit.

a)

Afleiding

b)

Samenstelling

c)

Grondwoord

126.

Wat is het onderstreepte woord?

De sneeuwvlokken vallen zachtjes op de grond.

a)

Afleiding

b)

Samenstelling

c)

Grondwoord

127.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Hij heeft de kerstboom versierd.

a)

VD

b)

IMP

c)

INF

d)

PV

e)

ADPV

128.

Welke woordsoort staat hier aangeduid?

De sneeuwvlokken vallen zachtjes op de grond.

a)

Zelfstandig naamwoord: eigennaam

b)

Lidwoord

c)

Zelfstandig naamwoord: soortnaam

d)

Bijvoeglijk naamwoord

e)

Werkwoord

129.

Wat is het onderstreepte woord?

De kinderen maken een mooie sneeuwpop in de tuin.

a)

Grondwoord

b)

Samenstelling

c)

Afleiding

130.

Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?

Ze speelden buiten in de sneeuw.

a)

ADPV

b)

IMP

c)

PV

d)

INF

e)

VD