Font size
WorksheetsHerhaling Kerstmis (RT)
Total questions: 130
Worksheet time: 1hrs 13mins
Wat is het onderstreepte woord?
Kerstmis is de tijd van het jaar waarin gezelligheid en warmte centraal staan.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Kerstmis is de tijd van het jaar waarin gezelligheid en warmte centraal staan.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Kerstmis is de tijd van het jaar waarin gezelligheid en warmte centraal staan.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
In de huiskamer brandt de kerstboom met twinkelende lichtjes en kleurrijke ballen.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
In de huiskamer brandt de kerstboom met twinkelende lichtjes en kleurrijke ballen.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
In de huiskamer brandt de kerstboom met twinkelende lichtjes en kleurrijke ballen.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
WWG of NWG
In de huiskamer brandt de kerstboom met twinkelende lichtjes en kleurrijke ballen.
WWG
NWG
Wat is het onderstreepte woord?
In de huiskamer brandt de kerstboom met twinkelende lichtjes en de kerstballen zijn heel kleurrijk.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Buiten schaatsen mensen op bevroren vijvers, dik ingepakt in sjaals en mutsen. De winterse kou maakt de vreugde binnen des te groter.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Buiten schaatsen mensen op bevroren vijvers, dik ingepakt in sjaals en mutsen. De winterse kou maakt de vreugde binnen des te groter.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Buiten schaatsen mensen op bevroren vijvers, dik ingepakt in sjaals en mutsen. De winterse kou maakt de vreugde binnen des te groter.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Buiten schaatsen mensen op bevroren vijvers, dik ingepakt in sjaals en mutsen. De winterse kou maakt de vreugde binnen des te groter.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Het kerstontbijt bestaat uit geurige croissants, zoete jam en dampende koppen thee.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Het kerstontbijt bestaat uit geurige croissants, zoete jam en dampende koppen thee.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Het kerstontbijt bestaat uit geurige croissants, zoete jam en dampende koppen thee.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Het kerstontbijt bestaat uit geurige croissants, zoete jam en dampende koppen thee.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Wat is het onderstreepte woord?
Het kerstontbijt bestaat uit geurige croissants, zoete jam en dampende koppen thee.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Het had de hele dag gesneeuwd.
PV
INF
VD
IMP
ADPV
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Het had de hele dag gesneeuwd.
PV
INF
VD
IMP
ADPV
WWG OF NWG
Het had de hele dag gesneeuwd.
WWG
NWG
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
De kinderen gingen buiten spelen.
PV
INF
VD
IMP
ADPV
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
De kinderen gingen buiten spelen.
PV
INF
VD
IMP
ADPV
WWG OF NWG
De kinderen gingen buiten spelen.
WWG
NWG
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Daar besloten ze een sneeuwpop te maken.
PV
INF
VD
IMP
ADPV
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Daar besloten ze een sneeuwpop te maken.
PV
INF
VD
IMP
ADPV
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Moeder had warme chocolademelk klaargezet.
PV
INF
VD
IMP
ADPV
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Moeder had warme chocolademelk klaargezet.
PV
INF
VD
IMP
ADPV
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Moeder begon het verhaal voor te lezen.
PV
INF
VD
IMP
ADPV
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
De kerstboom was prachtig.
PV
INF
VD
IMP
NWD
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
De kerstboom was prachtig.
PV
INF
VD
IMP
NWD
WWG of NWG
De kerstboom was prachtig.
WWG
NWG
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
De kerstboom was prachtig.
PV
INF
VD
IMP
NWD
WWG of NWG?
De kerstboom was prachtig.
WWG
NWG
WWG of NWG?
Hij lijkt een beetje op de Kerstman.
WWG
NWG
Welke vorm van het werkwoord staat aangeduid?
Hij lijkt een beetje op de Kerstman.
PV
INF
VD
ADPV
NWD
Welke vorm van het werkwoord staat aangeduid?
Ik heb besloten om kerstkaarten te versturen.
PV
INF
VD
ADPV
NWD
Welke vorm van het werkwoord staat aangeduid?
Ik heb besloten om kerstkaarten te versturen.
PV
INF
VD
ADPV
NWD
Welke vorm van het werkwoord staat aangeduid?
Ik heb besloten om kerstkaarten te versturen.
PV
INF
VD
ADPV
NWD
WWG OF NWG?
Moeder had warme chocolademelk klaargezet.
WWG
NWG
WWG OF NWG?
Daar besloten ze een sneeuwpop te maken.
WWG
NWG
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Ebenezer Scrooge is een rijke, maar gierige en kille man.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Ebenezer Scrooge is een rijke, maar gierige en kille man.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Ebenezer Scrooge is een rijke, maar gierige en kille man.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Ebenezer Scrooge is een rijke, maar gierige en kille man.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Ebenezer Scrooge is een rijke, maar gierige en kille man.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij houdt niet van Kerstmis en vindt het verspilling van tijd en geld.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij houdt niet van Kerstmis en vindt het verspilling van tijd en geld.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij houdt niet van Kerstmis en vindt het verspilling van tijd en geld.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij houdt niet van Kerstmis en vindt het verspilling van tijd en geld.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij houdt niet van Kerstmis en vindt het verspilling van tijd en geld.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij helpt het gezin van Bob Cratchit en wordt een vaderfiguur voor Tiny Tim.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij helpt het gezin van Bob Cratchit en wordt een vaderfiguur voor Tiny Tim.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij helpt het gezin van Bob Cratchit en wordt een vaderfiguur voor Tiny Tim.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij helpt het gezin van Bob Cratchit en wordt een vaderfiguur voor Tiny Tim.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij helpt het gezin van Bob Cratchit en wordt een vaderfiguur voor Tiny Tim.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Werkwoord
Lidwoord
Bijvoeglijk naamwoord
De kerstboom _______ in de woonkamer staat, is prachtig versierd.
Die
dat
Het cadeau ________ onder de boom ligt, is voor mijn zus.
Die
Dat
Lichtjes _______ in de bomen hangen, geven een warme sfeer.
Die
Dat
De chocolademelk _________ oma maakte, smaakt heerlijk.
Die
Dat
Het vuur _________ in de open haard brandt, houdt ons warm.
Die
Dat
Kerstkransen _________ aan de deur hangen, zijn zelfgemaakt.
Die
Dat
________ kerstboom is de mooiste die we ooit hebben gehad.
Deze
Dit
Wat is het onderwerp in de zin?
Onder de kerstboom liggen kleurrijke cadeautjes.
Onder de kerstboom
liggen
kleurrijke cadeautjes
cadeautjes
De kaarsen op __________ tafel geven een warme gloed.
Deze
Dit
_________ jaar vieren we Kerstmis met de hele familie.
Deze
Dit
Kijk naar ________ lichtjes; ze maken de straat zo gezellig!
Deze
Dit
________ kerstverhaal is mijn favoriet om te lezen bij de haard.
Deze
Dit
Wat is het onderwerp in deze zin?
De kinderen versieren de boom met glimmende ballen.
De kinderen
versieren
de boom
met glimmende ballen
de boom met glimmende ballen
Wat is het onderwerp in deze zin?
In de keuken bakt oma heerlijke kerstkoekjes.
oma
In de keuken
de keuken
heerlijke kerstkoekjes
kerstkoekjes
Wat is het onderwerp in deze zin?
Lekkere geuren vullen het huis tijdens het kerstdiner.
Lekkere geuren
vullen
het huis
tijdens het kerstdiner
het kerstdiner
Wat is het onderwerp in deze zin?
Iedereen zingt samen kerstliedjes bij het knapperende vuur.
Iedereen
zingt
kerstliedjes
het knapperende vuur
samen
Wat is het onderwerp in deze zin?
Door de sneeuw lopen mensen met warme chocolademelk in hun handen.
mensen
Door de sneeuw
warme chocolademelk
hun handen
mensen met warme chocolademelk
Wat is het onderwerp in deze zin?
Vrolijke muziek klinkt overal tijdens de feestdagen.
Vrolijke muziek
muziek
overal
de feestdagen
tijdens de feestdagen
Wat is het onderwerp in deze zin?
Voor de haard hangt een rij vrolijke kerstsokken.
een rij vrolijke kerstsokken
een rij
vrolijke kerstsokken
de haard
Voor de haard
Wat is het onderwerp in deze zin?
Op tafel staan prachtige kaarsen die licht geven.
prachtige kaarsen
kaarsen
op tafel
geven
licht
Wat is het onderwerp in deze zin?
De Kerstman brengt cadeautjes voor alle kinderen.
De Kerstman
de kerstman
Kerstman
cadeautjes
alle kinderen
Wat is het onderwerp in deze zin?
De geur van kaneel en dennenhout vult het huis.
De geur van kaneel en dennenhout
De geur
De geur van kaneel
De geur van dennenhout
het huis
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
De Kerstman (versieren) zijn slee met lichtjes.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
Als het sneeuwt, (worden) het landschap prachtig wit.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
In de kerk (zingen) het koor prachtige kerstliederen.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(Hebben) jij al een kerstboom gekocht?
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
De kinderen (spelen) in de sneeuw naast het huis.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(Halen) jij de rendieren uit de stal?
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(sturen) een kerstkaart naar je vrienden en familie.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(geven) een warm cadeau aan iemand die het nodig heeft.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
Op tafel (branden) verschillende kaarsen.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(luisteren) naar een prachtig kerstverhaal bij de open haard.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
In de keuken (bakken) oma lekkere koekjes en taart.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(Herkennen) jij de magie van Kerstmis in de lichtjes buiten?
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
Iedereen (genieten) van het feestelijke kerstdiner.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(Versieren) de kerstboom met glinsterende ballen.
(a)
Vervoeg het werkwoord in de onvoltooid tegenwoordige tijd.
(Genieten) van het gezellige kerstdiner.
(a)
Wat is het onderstreepte woord?
De sneeuwvlokken vallen zachtjes op de grond.
Samenstelling
Afleiding
Grondwoord
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
De kinderen spelen in de sneeuw.
Lidwoord
Werkwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Hij heeft een sneeuwpop gemaakt.
ADPV
IMP
VD
INF
PV
Wat is het onderstreepte woord?
De kinderen zongen kerstliederen bij de haard.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
Hij geniet van de feestdagen met zijn familie.
Werkwoord
Lidwoord
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Bijvoeglijk naamwoord
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Ze heeft een mooie kerstkaart geschreven.
VD
INF
IMP
ADPV
PV
Wat is het hoofddoel van dit teksttype?
De lezer informeren
De lezer een verhaal vertellen
De lezer beïnvloeden
De lezer een mening geven
De lezer een instructie geven
Wat is het hoofddoel van dit teksttype?
De lezer informeren
De lezer een verhaal vertellen
De lezer beïnvloeden
De lezer een mening geven
De lezer een instructie geven
Wat is het hoofddoel van dit teksttype?
De lezer informeren
De lezer een verhaal vertellen
De lezer beïnvloeden
De lezer een mening geven
De lezer een instructie geven
Wat is het hoofddoel van dit teksttype?
De lezer informeren
De lezer een verhaal vertellen
De lezer beïnvloeden
De lezer een mening geven
De lezer een instructie geven
Wat is het hoofddoel van dit teksttype?
De lezer informeren
De lezer een verhaal vertellen
De lezer beïnvloeden
De lezer een mening geven
De lezer een instructie geven
Wat is het hoofddoel van dit teksttype?
De lezer informeren
De lezer een verhaal vertellen
De lezer beïnvloeden
De lezer een mening geven
De lezer een instructie geven
Wat is het hoofddoel van dit teksttype?
De lezer informeren
De lezer een verhaal vertellen
De lezer beïnvloeden
De lezer een mening geven
De lezer een instructie geven
Wat is het hoofddoel van dit teksttype?
De lezer informeren
De lezer een verhaal vertellen
De lezer beïnvloeden
De lezer een mening geven
De lezer een instructie geven
Wat is het hoofddoel van dit teksttype?
De lezer informeren
De lezer een verhaal vertellen
De lezer beïnvloeden
De lezer een mening geven
De lezer een instructie geven
Welk woord hoort bij deze verklaring?
zakelijk, officieel
Uitgebreid
Formeel
Informeel
Laf
Welk woord hoort bij deze verklaring?
zacht geluid in je keel maken om te laten merken dat je luistert
Reserveren
Hummen
Uitvoeren
Formuleren
Welk woord hoort bij deze verklaring?
als je niet durft wat je moet doen
Formeel
Laf
Informeel
automatisch
Welk woord hoort bij deze verklaring?
gevolg van iets
de roof
het effect
het certificaat
De troef
Welk woord hoort bij deze verklaring?
tot stand brengen
realiseren
garanderen
inspireren
klissen
Welk woord hoort bij deze verklaring?
een situatie waarbij je niet weet wat te kiezen
een dilemma
de replica
de prooi
de prooi
Welk woord hoort bij deze verklaring?
waarderen of erkenning hebben voor de waarde, kwaliteit of betekenis van iets
appreciëren
rangschikken
vermijden
Akkoord gaan met
Welk woord hoort bij deze verklaring?
iets bewust uit de weg gaan of proberen te ontlopen
appreciëren
rangschikken
vermijden
akkoord gaan met
Welk woord hoort bij deze verklaring?
iets aandachtig bekijken of waarnemen
observeren
akkoord gaan met
rangschikken
vermijden
Welk woord hoort bij deze verklaring?
een uitleg of weergave van hoe iets eruitziet, werkt, of gebeurt
de beschrijving
de feedback
het fragment
de ordening
Welk woord hoort bij deze verklaring?
een reactie of terugkoppeling op iemands werk, gedrag of ideeën, bedoeld om te helpen verbeteren
de beschrijving
de feedback
het fragment
de ordening
Welk woord hoort bij deze verklaring?
een klein deel of stukje van een groter geheel, zoals een tekst, muziekstuk of film
de beschrijving
de feedback
het fragment
de ordening
Welk woord hoort bij deze verklaring?
duidelijk, tastbaar of direct waarneembaar, zonder ruimte voor twijfel of abstractie
concreet
ingewikkeld
plots
telkens
vermoedelijk
Welk woord hoort bij deze verklaring?
complex of lastig te begrijpen vanwege veel details of een ingewikkelde structuur
concreet
ingewikkeld
plots
telkens
vermoedelijk
Welk woord hoort bij deze verklaring?
opeens of onverwacht
concreet
ingewikkeld
plots
telkens
vermoedelijk
Welk woord hoort bij deze verklaring?
elke keer opnieuw of herhaaldelijk
concreet
ingewikkeld
plots
telkens
vermoedelijk
Welk woord hoort bij deze verklaring?
waarschijnlijk of naar verwachting, gebaseerd op aannames of aanwijzingen
concreet
ingewikkeld
plots
telkens
vermoedelijk
Wat is het onderstreepte woord?
De sneeuw bedekte de straten en maakte alles wit.
Afleiding
Samenstelling
Grondwoord
Wat is het onderstreepte woord?
De sneeuwvlokken vallen zachtjes op de grond.
Afleiding
Samenstelling
Grondwoord
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Hij heeft de kerstboom versierd.
VD
IMP
INF
PV
ADPV
Welke woordsoort staat hier aangeduid?
De sneeuwvlokken vallen zachtjes op de grond.
Zelfstandig naamwoord: eigennaam
Lidwoord
Zelfstandig naamwoord: soortnaam
Bijvoeglijk naamwoord
Werkwoord
Wat is het onderstreepte woord?
De kinderen maken een mooie sneeuwpop in de tuin.
Grondwoord
Samenstelling
Afleiding
Welke vorm van het werkwoord staat hier aangeduid?
Ze speelden buiten in de sneeuw.
ADPV
IMP
PV
INF
VD
