Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taaldenken thema 3

Total questions: 30

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Welk woord in de volgende zin is een bijvoeglijk naamwoord?

Ik woon in een buitengewoon paleis.

a)

woon

b)

buitengewoon

c)

paleis

d)

een

2.

Welke woorden in de volgende zin zijn bijvoeglijke naamwoorden?

In de enorme hal ligt een zacht tapijt.

a)

enorme

b)

hal

c)

ligt

d)

zacht

e)

tapijt

3.

Welke woorden in de volgende zin zijn bijvoeglijke naamwoorden?

In de enorme hal ligt een zacht tapijt.

a)

enorme

b)

hal

c)

ligt

d)

zacht

e)

tapijt

4.

Welke woorden in de volgende zin zijn bijvoeglijke naamwoorden?

In de tuin groeien tropische planten en lopen wilde dieren.

a)

tuin

b)

dieren

c)

tropische

d)

wilde

e)

planten

5.

Welke bijvoeglijke naamwoorden passen in de zin?

In mijn ....................... kamer hangen ................... schilderijen.

a)

peperdure

b)

sterke

c)

snelle

d)

prachtige

6.

Welke bijvoeglijke naamwoorden passen het beste in de zin?

In de ............................. garage staan ................................... auto´s.

a)

lauwe

b)

donzige

c)

supersnelle

d)

prachtige

7.

Duid de ontbrekende trap van vergelijking aan.

nieuw - nieuwer - ..............

a)

nieuwst

b)

nieuwe

c)

nieuwste

d)

nieuwer

8.

Duid de ontbrekende trap van vergelijking aan.

........ - jonger - jongst

a)

jonge

b)

jongere

c)

jongsten

d)

jong

9.

Welke trap van vergelijking is juist?

a)

licht

lichter

lichterder

b)

lichte

lichter

lichtst

c)

licht

lichter

lichtst

d)

licht

lichtere

lichtste

10.

Welke trap van vergelijking is juist?

a)

tof

toffer

tofst

b)

tof

toffe

toffere

c)

tof

toffer

tofsten

d)

toffe

toffer

tofst

11.

Welke trap van vergelijking is juist?

a)

grote

groter

grootste

b)

groter

groot

grootst

c)

groot

groterder

grootste

d)

groot

groter

grootst

12.

Welke woorden passen bij het volgende bovenliggend begrip?

muziek

a)

noten

b)

instumenten

c)

hamer

d)

verfborstel

13.

Wat is het bovenliggende begrip van volgende woorden?

stofzuigen - borstelen - afwassen - dweilen - afdrogen

a)

werktuigen

b)

muziek

c)

huishouden

d)

fruit

14.

Wat is het bovenliggende begrip van volgende woorden?

kok - afwasser - ober - hulpkok - barman

a)

werktuigen

b)

fruit

c)

huishouden

d)

personeel

15.

Zoek het juiste woord voor:

tussen warm en koud

a)

opsommen

b)

lauw

c)

vervolg

d)

kostbaar

16.

Zoek het juiste woord voor:

na elkaar opnoemen

a)

opsommen

b)

lauw

c)

vervolg

d)

kostbaar

17.

Zoek het juiste woord voor:

het volgende deel

a)

opsommen

b)

lauw

c)

vervolg

d)

kostbaar

18.

Zoek het juiste woord voor:

iets wat heel veel kost

a)

opsommen

b)

lauw

c)

vervolg

d)

kostbaar

19.

Geef het juiste woord voor:

mapje waarin je bankbiljetten en je identiteitskaart bewaart

a)

b)

c)

d)

e)

20.

Geef het juiste woord voor:

gereedschap waarmee je kunt graven of scheppen

a)

b)

c)

d)

e)

21.

Geef het juiste woord voor:

met de staart heen en weer bewegen

a)

b)

c)

d)

e)

22.

Geef het juiste woord voor:

biljet

a)

b)

c)

d)

e)

23.

Geef het juiste woord voor:

leiband

a)

b)

c)

d)

e)

24.

Geef het juiste woord voor:

scooter

a)

b)

c)

d)

e)

25.

Welk woord zoeken we?

Bij de Warmste Week zamelen we geld in voor het ................................................

a)

het huishouden

b)

het goede doel

c)

het personeel

d)

de scooter

26.

Welk woord zoeken we?

Met welk .............................................................. ga jij elke dag naar school?

a)

vervoersmiddel

b)

het goede doel

c)

het personeel

d)

fruit

27.

Welk woord zoeken we?

Ik gaf de ober extra geld omdat hij zijn best deed. Hij krijgt een ................................

a)

biljet

b)

portemonnee

c)

portefeuille

d)

fooi

28.

Welk woord zoeken we?

Wij ............................. kaartjes die we dubbel hebben.

a)

eten

b)

verzamelen

c)

ruilen

d)

verliezen

29.

Wat betekent ‘eigen schuld, dikke bult’?

a)

Iets is je eigen fout.

b)

Je hebt een berg schulden omdat je niet meer kunt betalen.

c)

Je hebt een dikke bult op je hoofd nadat je ergens per ongeluk tegenaan liep.

d)

Je hebt je eigen pijn gedaan.

30.

Wat betekent ‘kostbaar’?

a)

iets waarvoor je je moet schamen

b)

geld dat je extra krijgt omdat je je werk goed gedaan hebt

c)

iets dat voor jou erg belangrijk is

d)

iets wat je moet opeten