wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Stofwisseling in de cel

Total questions: 28

Worksheet time: 1hrs 4mins

Name
Class
Date
1.

In de lichtreacties worden de energierijke elektronen uiteindelijk overgedragen op...

a)

ATP

b)

NADP+

c)

NADPH

d)

ADP

2.

Welke processen doen zich voor tijdens de lichtafhankelijke reacties van de fotosynthese?

a)

Splitsing van H2O, synthese van ATP, reductie van NADPH, vorming van O2, oxidatie van CO2

b)

oxidatie van H2O, reductie van NADP+, fosforylering van ADP, reductie van O2

c)

oxidatie van H20, synthese van ATP, reductie van NADPH, vorming van glucose

d)

Splitsing van H2O, reductie van NADP+, synthese van ATP, vorming van O2

3.

Waar vinden de donkerreacties (Calvin cyclus) plaats?

a)

thylakoïd membraan

b)

lumen

c)

stroma

d)

grana

4.

Bij welke reactieketen van de fotosynthese komt zuurstof vrij?

a)

Calvincyclus (donkerreactie)

b)

Lichtreactie

5.

Is de bij de fotosynthese vrijkomend zuurstofgas afkomstig van CO2 of van H2O?


Is dit zuurstofgas ontstaan bij de lichtreacties of in de Calvincyclus?

a)

het is afkomstig van water en het is ontstaan tijdens de Calvincyclus

b)

het is afkomstig van water en het is ontstaan tijdens de lichtreacties

c)

het is afkomstig van koolstofdioxide en het is ontstaan tijdens de Calvincyclus

d)

het is afkomstig van koolstofdioxide en het is ontstaan tijdens de lichtreacties

6.

Hoeveel maal moet de Calvincyclus worden doorlopen voor de productie van 1 molecuul glucose?

a)

1x

b)

2x

c)

3x

d)

6x

7.

Welk 2 stoffen uit de lichtreactie zijn noodzakelijk voor het verdere verloop van de glucosevorming in een plant?

a)

NADPH & ATP

b)

H2O & CO2

c)

NADP & ADP

8.

Bij welke reactie wordt energie vastgelegd?

a)

ADP + P --> ATP

b)

ATP --> ADP + P

c)

ADP --> ATP + P

d)

ATP + P --> ADP

9.

Hoeveel ATP levert de glycolyse bruto? en hoeveel netto?

a)

bruto 2 netto 4

b)

bruto 4 netto 2

c)

bruto 4 netto 4

d)

bruto 2 netto 2

10.

In welk proces wordt het ATP gemaakt uit NADH?

a)

oxidatieve fosforylering

b)

citroenzuurcyclus

c)

glycolyse

d)

gisting

11.

Hoeveel energie kost de omzetting van 1 pyrodruivenzuur naar 1 melkzuur?

a)

1 NADH

b)

dit kost geen energie

c)

2 ATP

d)

2 NADH

12.

Welk van deze processen vindt plaats in een mitochondrium?

a)

vorming van glucose uit CO2 en H2O

b)

afbraak van pyrodruivenzuur tot CO2 en H2O

c)

afbraak van glucose tot pyrodruivenzuur

d)

vorming van melkzuur uit pyrodruivenzuur

13.

Bekijk de afbeelding. P is een proces, N zijn twee membranen. Van welk organel zijn deze membranen?

a)

van een chloroplast

b)

van een mitochondrium

c)

van de celkern

d)

van een ribosoom

14.

Welke stappen zijn nodig bij de dissimilatie van een vetzuur?

a)

Glycolyse, citroenzuurcyclus en oxidatieve fosforylering

b)

Alleen citroenzuurcyclus

c)

Alleen citroenzuurcyclus en oxidatieve fosforylering

d)

Alleen de glycolyse

15.

Hoeveel CO moleculen levert de gisting van 1 glucosemolecuul op?

a)

6

b)

geen

c)

2

d)

1

16.

Welke figuur stelt de secundaire structuur van een eiwit voor?

a)
b)
c)
d)
17.

In welke figuur staat de aminogroep van het aminozuur in de rode kader?

a)
b)
c)
d)
18.

Hoeveel watermoleculen komen er in totaal vrij bij de vorming van een tripeptide?

a)

0

b)

1

c)

2

d)

3

19.

Hoeveel mol ATP kan er in de oxidatieve fosforylering gesynthetiseerd worden bij gebruik van 1 mol FADH2 en hoeveel bij gebruik van 1 mol NADH, H+?

a)

(1) 1

(2) 2

b)

(1) 2

(2) 1

c)

(1) 2

(2) 3

d)

(1) 3

(2) 3

e)

(1) 4

(2) 2

20.

Enzym X, Y en Z kunnen werkzaam zijn in hetzelfde organisme.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.
Welke stappen zijn nodig bij de dissimilatie van een vetzuur? Zie Binas 68E!
a)
Alleen de glycolyse
b)
glycolyse, citroenzuurcyclus en oxidatieve fosforylering
c)
Alleen citroenzuurcyclus en oxidatieve fosforylering
d)
Alleen citroenzuurcyclus
22.
Bekijk de citroenzuurcyclus en vergelijk de stoffen appelzuur en oxaalazijnzuur. Welke van deze twee stoffen in energierijker?
a)
appelzuur
b)
oxaalazijnzuur
c)
ze zijn even energierijk
d)
dit kun je niet weten
23.
Bekijk de afbeelding. P is een proces, N zijn twee membranen. Welk proces wordt aangegeven met P?
a)
assimilatie
b)
citroenzuurcyclus
c)
glycolyse
d)
vertering
24.
Je ziet de formule van een vet. Welke van de stoffen koolstofdioxide, melkzuur en water ontstaat of welke ontstaan als stofwisselingsproducten bij de aerobe dissimilatie van dit vet?
a)
alleen melkzuur en water
b)
alleen koolstofdioxide en water
c)
alleen koolstofdioxide
d)
koolstofdioxide, melkzuur en water
25.

(T1) In de afbeelding is een ... te zien.

a)

Onverzadigd vetzuur

b)

Verzadigd vetzuur

26.

Feit: Gisten kunnen zowel aeroob als anaeroob leven.

Juist of onjuist? Onder anaerobe omstandigheden produceren gisten minder ATP per molecuul glucose dan onder aerobe omstandigheden.

a)

Onjuist

b)

Juist

27.

Feit: Gisten kunnen zowel aeroob als anaeroob leven.

Juist of onjuist? Zowel onder anaerobe als onder aerobe omstandigheden kunnen gisten CO2 produceren.

a)

Juist

b)

Onjuist

28.

Wat is de belangrijkste functie van eiwitten in organismen?

a)

Ze worden gebruikt voor fotosynthese

b)

Ze zijn bouwstoffen voor cellen

c)

Ze zijn energierijke stoffen

d)

Ze zijn reservevoedsel