wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tijdvak 6 - versie B

Total questions: 26

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Zet de volgende gebeurtenissen over de gouden eeuw in de juiste volgorde (vroeger naar later):

a)

Rijke kooplieden en arbeiders vluchten vanuit Antwerpen naar het noorden

b)

De VOC wordt opgericht

c)

De WIC wordt opgericht

d)

Met de Vrede van Münster komt er officieel een einde aan de Tachtigjarige Oorlog

e)

In dit rampjaar wordt de Republiek door meerdere landen aangevallen

1)
2)
3)
4)
5)
2.

Voeg de plaatjes/personen/begrippen toe aan het juiste Kenmerkende Aspect (KA)

Categorize the following

Aandelen

British East India Company

Multinational

Johan- en Cornelis de Witt

Mercantilisme

Schuilkerk

Regenten

Staten

Zonnekoning

Natuurwet

Copernicus

Royal Society

Transatlantische driehoekshandel

KA: Wereldeconomie
KA: Gouden eeuw
KA: Absolutisme
KA: Wetenschappelijke revolutie
3.

Wat was het belangrijkste handelsgebied voor de Republiek in de zeventiende eeuw?

a)

Oostzee (moedernegotie)

b)

Indië

(VOC)

c)

Amerika's (WIC)

d)

Middellandse Zeegebied

4.

Waarom is de stapelmarkt een voorbeeld van handelskapitalisme?

a)

Door goederen op te slaan werd er geïnvesteerd in nieuwe pakhuizen

b)

Door goederen op te slaan en te verhandelen tegen de hoogste prijs werd er winst gemaakt

c)

Door goederen op te slaan en te investeren in nieuwe schepen werd er winst gemaakt

d)

Door goederen op te slaan en te verhandelen tegen de laagste prijs werd er winst gemaakt

5.

Met het droit divin wordt bedoeld:

a)

De vorst heeft het recht om te regeren van God gekregen en is daarom alleen aan Hem verantwoording schuldig

b)

De vorst heeft het recht om recht te spreken en dit van God gekregen

c)

De vorst heeft het recht om bisschoppen te benoemen en aan te stellen

d)

De vorst heeft het recht om zelfstandig een leger aan te voeren

6.

Waarom past het mercantilisme goed bij het absolutisme?

a)

Het mercantilisme bevordert vrijhandel en dat past bij absolutisme

b)

Het mercantilisme beschermt de eigen economie en dat past bij absolutisme

c)

Het mercantilisme bevordert de concurrentie in de wereldhandel en dat past bij absolutisme

d)

het mercantilisme bevordert de nijverheid in andere landen en dat past bij absolutisme

7.

Wat was geen kenmerk van de VOC?

a)

monopolie

b)

multinational

c)

kapitalisme

d)

private ondernemingen

8.

Bestuurders van De Republiek heetten:

a)

edelen

b)

politici

c)

stadhouders

d)

regenten

9.

Wat kan niet in verband worden gebracht met het begrip "kaapvaart"?

a)

WIC

b)

Piet Hein

c)

Oost-Indië

d)

Zilvervloot

10.

Welke stad was het economisch centrum van de Nederlanden voordat Amsterdam dit werd?

a)

Den Haag

b)

Brussel

c)

Antwerpen

d)

Leiden

11.

Wie was geen beroemde wetenschapper uit de tijd van de wetenschappelijke revolutie?

a)

Copernicus

b)

Aristoteles

c)

Newton

d)

Leeuwenhoek

12.

Welke wetenschapper beweerde als eerste met wiskundige berekeningen dat de aarde om de zon draaide?

a)

Copernicus

b)

Galilei

c)

Dante

d)

Plato

13.

Wie ken je waarvan?

a)

Lodewijk XIV

1.

Zonnekoning en absoluut vorst

b)

Stadhouder Willem III

2.

Werd koning van Engeland

c)

Frans Hals

3.

Beroemd schilder uit Haarlem

d)

J.P. Coen

4.

Richtte Batavia op voor de VOC

e)

Christiaan Huygens

5.

Bouwde een slingeruurwerk

14.

De ontdekking van Galilei over het zonnestelsel:

a)

bevestigde de uitkomst van Copernicus door informatie uit de bijbel.

b)

bevestigde de uitkomst van Copernicus door waarneming en proeven.

c)

bestreed de uitkomst van Copernicus door informatie uit de oudheid.

d)

bestreed de uitkomst van Copernicus door informatie uit de bijbel.

15.

Wat betekent handelskapitalisme?

a)

handelaren maken producten en verdienen geld

b)

ambachtslieden maken producten en investeren geld

c)

handelaren investeren geld en maken winst

d)

ambachtslieden investeren geld en maken winst

16.

Wat zijn specerijen?

a)

Maïs, aardappelen en tomaten

b)

bananen, sinaasappels en kokosnoten

c)

zijde, wol en katoen

d)

kruidnagel, peper en nootmuskaat

17.

De Republiek voerde veel handelsoorlogen met:

a)

Duitsland

b)

Engeland

c)

Frankrijk

d)

België

18.

De Republiek was tolerant. Wat betekent tolerantie?

a)

het afkeuren van mensen met een andere levensstijl/ geloof/uiterlijk

b)

het verdragen van mensen met een andere levensstijl / geloof / uiterlijk

c)

het goedkeuren van mensen met een andere levensstijl / geloof / uiterlijk

d)

het verbieden van mensen met een andere levensstijl/ geloof / uiterlijk

19.

Wat is een gewest?

a)

het bestuur van de Republiek

b)

het leger van de Republiek

c)

de koning van de Republiek

d)

een deel van het land van de Republiek

20.

Wat betekent de Staten-Generaal?

a)

de legeraanvoerder van de Republiek

b)

de koning van de Republiek

c)

Het overleg van de gewesten van de Republiek

d)

het bestuur van het gewest Holland

21.

Wie is deze persoon?

a)

Michiel de Ruyter

b)

Maurits

c)

Van Oldenbarnevelt

d)

Lodewijk XIV

22.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron van het stadhuis van Amsterdam?

a)

Het streven van vorsten naar absolute macht.

b)

De wetenschappelijke revolutie.

c)

Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

d)

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

23.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron van de VOC?

a)

Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

b)

De wetenschappelijke revolutie.

c)

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

d)

Het streven van vorsten naar absolute macht.

24.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

b)

De wetenschappelijke revolutie.

c)

Het streven van vorsten naar absolute macht.

d)

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

25.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

b)

Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

c)

De wetenschappelijke revolutie.

d)

Het streven van vorsten naar absolute macht.

26.

Bij welk kenmerkend aspect hoort het begrip rationalisme?

a)

Het streven van vorsten naar absolute macht.

b)

De wetenschappelijke revolutie.

c)

Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

d)

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.