wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

RSG 6V - Marktvormen

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Welke marktvorm kenmerkt zich door veel aanbieders en een homogeen product?

a)

Monopolie

b)

Volkomen concurrentie

c)

Oligopolie

d)

Monopolistische concurrentie

2.

Wat is een kenmerk van een oligopolie?

a)

Eén aanbieder

b)

Veel kleine aanbieders

c)

Enkele grote aanbieders

d)

Volledig vrije toetreding

3.

Bij welke marktvorm is er sprake van prijsvorming door de markt?

a)

Monopolie

b)

Monopolistische concurrentie

c)

Oligopolie

d)

Volkomen concurrentie

4.

Wat geldt bij monopolistische concurrentie?

a)

Producten zijn homogeen.

b)

Er is geen concurrentie.

c)

Producten zijn heterogeen.

d)

Toetreding tot de markt is volledig afgesloten.

5.

Waarom heeft een monopolie vaak een prijszettingsmacht?

a)

Omdat er veel concurrenten zijn.

b)

Omdat toetreding tot de markt beperkt is.

c)

Omdat de producten homogeen zijn.

d)

Omdat de vraag volledig inelastisch is.

6.

Wat is een voorbeeld van een natuurlijk monopolie?

a)

Een kledingwinkel

b)

Een waterleidingbedrijf

c)

Een autofabrikant

d)

Een elektronicawinkel

7.

Bij een oligopolie:

a)

bepalen veel kleine aanbieders de marktprijs.

b)

wordt de prijs vaak beïnvloed door samenwerking tussen bedrijven.

c)

is er altijd volledige mededinging.

d)

is er sprake van een homogeen product.

8.

Wat is een kenmerk van volkomen concurrentie?

a)

Veel aanbieders met unieke producten.

b)

Perfecte informatie voor alle marktpartijen.

c)

Toetreding tot de markt is onmogelijk.

d)

Aanbieders hebben veel invloed op de prijs.

9.

Wat is het gevolg van productdifferentiatie bij monopolistische concurrentie?

a)

Homogeniteit van producten

b)

Prijszettingsmacht van aanbieders

c)

Volledige prijsvorming door de markt

d)

Perfecte elasticiteit van de vraag

10.

Wat gebeurt er bij prijsconcurrentie in een oligopolie?

a)

Alle aanbieders verhogen hun prijs.

b)

Er ontstaat een prijzenoorlog.

c)

De overheid grijpt in.

d)

De producten worden homogeen.

11.

Wat is een belangrijk kenmerk van een monopolie?

a)

Volledige vrijheid van toetreding

b)

Veel concurrenten

c)

Eén aanbieder

d)

Heterogene producten

12.

Welke marktvorm heeft de meeste invloed op prijsbepaling door individuele aanbieders?

a)

Monopolie

b)

Oligopolie

c)

Monopolistische concurrentie

d)

Volkomen concurrentie

13.

Wat is een oorzaak van marktfalen bij een monopolie?

a)

Veel aanbieders

b)

Verstoorde prijsvorming

c)

Perfecte informatie

d)

Homogene producten

14.

Wat is een voordeel van volkomen concurrentie voor consumenten?

a)

Producten zijn heterogeen.

b)

Er is maximale prijsconcurrentie.

c)

Aanbieders maken hoge winsten.

d)

Er zijn maar weinig aanbieders.

15.

Bij welke marktvorm is reclame belangrijk?

a)

Volkomen concurrentie

b)

Monopolie

c)

Oligopolie

d)

Monopolistische concurrentie

16.

Waarom bestaat er bij oligopolie vaak prijsstabiliteit?

a)

Door heterogene producten

b)

Door angst voor een prijzenoorlog

c)

Door volledige informatie

d)

Door overheidsregulering

17.

Wat gebeurt er met de prijs in een volkomen concurrerende markt bij een stijging van de vraag?

a)

De prijs blijft gelijk.

b)

De prijs stijgt.

c)

De prijs daalt.

d)

De prijs wordt door de overheid vastgesteld.

18.

Waarom is toetreding vaak beperkt bij een monopolie?

a)

Door hoge instapkosten

b)

Door veel concurrenten

c)

Door perfecte informatie

d)

Door productdifferentiatie

19.

Bij een oligopolie is er sprake van:

a)

Veel kleine aanbieders

b)

Eén dominante aanbieder

c)

Enkele grote aanbieders

d)

Homogene producten

20.

Wat is een voorbeeld van een homogeen product?

a)

Koffie van verschillende merken

b)

Graan

c)

Smartphones

d)

Auto's

21.

Bij welke marktvorm zijn aanbieders prijsnemers?

a)

Monopolie

b)

Oligopolie

c)

Volkomen concurrentie

d)

Monopolistische concurrentie

22.

Wat is een kenmerk van prijsdiscriminatie?

a)

Verschillende prijzen voor verschillende doelgroepen

b)

Eén uniforme prijs

c)

Alleen mogelijk bij volkomen concurrentie

d)

Geen prijsmacht

23.

Wat wordt bedoeld met schaalvoordelen?

a)

Hogere kosten bij toenemende productie

b)

Lagere kosten bij toenemende productie

c)

Prijsstijging bij hogere productie

d)

Vermindering van concurrentie

24.

Waarom maakt een monopolist vaak winst op de lange termijn?

a)

Er is volledige toetreding tot de markt.

b)

De consument heeft perfecte informatie.

c)

Er is een gebrek aan concurrentie.

d)

De producten zijn homogeen.

25.

Wat is een natuurlijke barrière voor toetreding?

a)

Wetgeving

b)

Hoge productiekosten

c)

Patentbescherming

d)

Samenwerking tussen bedrijven

26.

Wat is een gevolg van productinnovatie in een oligopolie?

a)

Meer toetreding

b)

Meer productdifferentiatie

c)

Prijsdaling

d)

Volkomen concurrentie

27.

Waarom kan een monopolie efficiënt zijn?

a)

Door schaalvoordelen

b)

Door perfecte informatie

c)

Door hoge concurrentie

d)

Door heterogene producten

28.

Wat is een voorbeeld van een wettelijke barrière?

a)

Hoge investeringskosten

b)

Octrooi

c)

Samenwerking tussen bedrijven

d)

Reclame-uitgaven

29.

Wat geldt voor de prijs bij volkomen concurrentie?

a)

De aanbieder bepaalt de prijs.

b)

De overheid bepaalt de prijs.

c)

De prijs wordt bepaald door vraag en aanbod.

d)

De prijs wordt bepaald door reclame.

30.

Wat is een voordeel van heterogene producten?

a)

Volledige prijsvorming door de markt

b)

Differentiatie geeft aanbieders prijsmacht

c)

Producten zijn perfect uitwisselbaar

d)

Er is geen concurrentie