Font size
WorksheetsSpelling: werkwoorden : alle gevallen
Total questions: 20
Worksheet time: 13mins
Is er zojuist een ongeval (gebeuren)? (v.t.)
(a)
Ik (verbranden) zojuist mijn vingers. (v.t.)
(a)
Mama (koken) heerlijke maaltijden. (t.t.)
(a)
De vogels (vliegen) in de herfst over de tuin. (v.t.)
(a)
Ik (leren) in het eerste leerjaar fietsen. (v.t.)
(a)
Ik (kijken) graag naar de Smurfen toen ik klein was. (v.t.)
(a)
Hij (rekenen) tijdens de toets met zijn rekenmachine. (v.t.)
(a)
Jef (scoren) dit weekend het winnende doelpunt. (v.t.)
(a)
Zus (stapelen) de borden veel te hoog. (t.t.)
(a)
Oma (worden) 60 jaar. (t.t.)
(a)
Mijn broer (vallen) van de trap. (v.t.)
(a)
Mijn papa (rijden) veel te snel. (t.t.)
(a)
Seppe en Jeroom (voetballen) bij White Star Lauwe voor ze in eerste klasse speelden. (v.t.)
(a)
Jeanne (dansen) tijdens de dansshow op VTM. (v.t.)
(a)
Juliette (rekenen) de som verkeerd uit. (t.t.)
(a)
Amin (springen) over de bok. (v.t.)
(a)
Romy (glijden) op een ijsbaan. (t.t.)
(a)
De jongens (praten) teveel in de kleedkamer. (v.t.)
(a)
Ciara (glijden) van de trapleuning en viel. (v.t.)
(a)
Senne (antwoorden) 5 keer in de Franse les. (v.t.)
(a)
