Font size
Worksheets2B TH5+6 ( O + PV + WWen)
Total questions: 112
Worksheet time: 1hrs 17mins
Wat is het onderwerp ?
Wij vertrekken binnenkort naar Durbuy.
(a)
Wat is de persoonsvorm ?
Wij vertrekken binnenkort naar Durbuy.
(a)
Wat is het onderwerp ?
's Morgens nemen de kinderen de trein.
(a)
Wat is de persoonsvorm ?
's Morgens nemen de kinderen de trein.
(a)
Wat is de persoonsvorm ?
Vorige keer heeft de grappige juf de kinderen gefopt.
(a)
Wat is het onderwerp ?
Vorige keer heeft de grappige juf de kinderen gefopt.
(a)
Wat is de persoonsvorm ?
Is je valies al klaar ?
(a)
Wat is het onderwerp ?
Is je valies al klaar ?
(a)
Wat is het onderwerp ?
De groep zal in kamers onderverdeeld worden.
(a)
Wat is de persoonsvorm ?
De groep zal in kamers onderverdeeld worden.
(a)
Wat is de persoonsvorm ?
Er wachten ons spannende avonturen !
(a)
Wat is het onderwerp ?
Er wachten ons spannende avonturen !
(a)
Wat is de persoonsvorm ?
Ik ben benieuwd wie dit jaar op het duivelsbed durft te zitten.
(a)
Wat is het onderwerp ?
Ik ben benieuwd wie dit jaar op het duivelsbed durft te zitten.
(a)
Wat is het onderwerp ?
Samen hebben we veel geld verdiend bij de fietswash.
(a)
Wat is de persoonsvorm ?
Samen hebben we veel geld verdiend bij de fietswash.
(a)
Wat is de persoonsvorm ?
In de rugzak van juf zitten heerlijke traktaties !
(a)
Wat is het onderwerp ?
In de rugzak van juf zitten heerlijke traktaties !
(a)
Wat is het onderwerp ?
Ik kijk er al naar uit !
(a)
Wat is de persoonsvorm ?
Ik kijk er al naar uit !
(a)
Persoonsvorm:
Wie van jullie is komen lopen?
lopen
is
wie van jullie
komen
Persoonsvorm:
Daar heeft hij een geweldige overwinning behaald?
daar
hij
heeft
behaald
Het onderwerp in de zin is;
Het onderwerp in deze zin is:
Deze zin staat in...
Het onderwerp in deze zin is:
De persoonsvorm is:
Het onderwerp is:
Het onderwerp in deze zin is...
Het onderwerp in deze zin is:
De persoonsvorm is deze zin is...
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
Wat is de pv: Wat is jouw naam?
Wat
is
jouw
naam
Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?
Hebben
jullie
pepernoten
gegeten
Wat is de pv: Wie brengt de post naar de brievenbus?
Wie
brengt
de post
de brievenbus
Wat is de pv: Waarom zijn bananen krom?
krom
zijn
bananen
Waarom
Wat is de pv: Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.
ik
wil kijken
wil
in de klas
Wat is de pv: Waarom gaat mijn schoenveter steeds los?
Waarom
schoenveter
gaat
gaat los
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
De uil bezorgt een brief.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
Eet professor Perkamentus graag snoep?
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
Hermelien tovert een konijn uit haar hoed.
Ron wil niet naar huis, want hij vindt het zo gezellig op Zweinstein.
Volgens mij is het neefje van Harry een gemene pestkop.
Harry zwaait naar Ron en tovert een grote zak met salamanders uit zijn bureau.
Hij (lopen) naar de juf.
lopen
loop
loopt
lopt
Ik (gaan) naar het tweede leerjaar.
gaat
gaan
gaa
ga
Louise (werken) heel goed in de klas.
werkt
werk
werken
werkten
Mama en papa (vragen) wanneer ik wil eten.
vraagt
vraag
vragen
vraagen
Marie (dansen) op de muziek.
danst
dansen
dans
danstt
Ik (wandelen) samen met mijn hond in het park.
wandelen
wandel
wandelt
wandeld
De meisjes (zingen) een liedje.
zingt
zingen
zingten
zing
De juf (geven) oefeningen om te maken.
geven
geeft
geef
geevt
Wij (geven) een cadeau aan Louis.
geeft
geef
geven
gaf
Julie (drinken) water in de klas.
drinken
drinkt
drink
drinkten
Wat is de juiste vorm?
Gisteren ......... wij op de trampoline.
springden
springten
sprongen
sprong
Gebruik het werkwoord 'denken' correct in volgende zin.
Jonas (a) dat hij vorig jaar kon vliegen.
Gebruik het werkwoord zwemmen correct.
Afgelopen week (a) Aico een record.
Schrijven Otta en Jonas ________ een liefdesbrief.
schrefen
schreven
schrijften
schreeven
De auto ______ over de baan. (rijden)
reed
reet
rijdde
red
(werpen) De acrobaten (a) vorige zaterdag messen naar elkaar
(zijn) Wij (a) vorige week aan het knutselen.
(begrijpen) ________ jij wat de meester zei?
Begrijpte
begreep
Begreep
begrep
(Houden) Vorig jaar ______ onze school een free podium.
hield
hielt
(spuiten) De verpleegster (a) met haar spuitje.
(Beginnen)
Onze leerkracht (a) de dag met een toets.
(slapen)
De buurman met zijn witte sokken en groten honden _______ in een tentje in zijn tuin
sliepten
slaapten
sliepen
sliep
Het weer (verbeteren) elke dag.
(a)
Waarom (antwoorden) je niet zelf?
(a)
Het vliegtuig (landen) net op tijd.
(a)
(Worden) lid van onze club.
(a)
Meneer Brons (belasten) gisteren zijn rug met de verhuis.
(a)
Die meisjes (smeden) vorig jaar gemene plannen.
(a)
Ik ben zes jaar geleden naar België (verhuizen).
(a)
Er worden grote offers van de bevolking (eisen)
(a)
De vrouw van de (vermoorden) juwelier was razend.
(a)
Het (redden) kind werd meteen naar een warme ruimte gebracht.
(a)
Volgens de bakker moest het pas (kneden) deeg met water besproeid worden.
(a)
De meester ... de vraag.
Annemarie heeft een mooie draak ...
Is je vraag nu ...?
Jan ... de radiografisch bestuurbare auto.
De radiografisch bestuurbare auto wordt door Jan ...
... je deze quiz leuk?
Ik weet niet of iedereen de quiz leuk ...
Het ... nogal eens dat het werkwoord gebeuren verkeerd wordt vervoegd.
Misschien is dat bij jou ook wel eens ...
Deze quiz is nu afgelopen. Ik ben benieuwd wie de winnaar ...
(Antwoorden) jij op de vraag van de juf?
antwoord
antwoordt
antwoort
antwoortd
Waardoor (storten) het vliegtuig neer?
stordt
stort
stord
stortd
(Vinden) Gabriël het prettig om lang uit te slapen?
vind
vindt
vint
vintd
Tijdens de paardenrace (wedden) Billie op het beste paard.
wet
wed
wedt
wetd
Bruno (spelden) een button op mijn trui.
spelt
speld
speldt
speltd
Ik (bereiden) een heerlijke maaltijd.
bereid
bereit
bereidt
bereidt
Ik (wedden) dat je dit niet kunt.
wet
wed
wedt
wetd
De matroos (rondleiden) de passagiers over het schip.
leid ... rond
leit ... rond
leidt ... rond
leitd ... rond
De haven van Zeebrugge (slibben) langzaam dicht.
slibt
slibd
slibdt
slibtd
(worden) je neef vandaag 25 jaar oud?
Word
Wort
Wordt
Wortd
Wie (worden) de president van Amerika?
wort
word
wordt
wortd
Ik (vinden) dat een verkeerde oplossing.
vind
vint
vindt
vintd
Donald (houden) niet meer van Kamala.
houd
hout
houdt
houtd
In deze straat (gelden) een verkeersverbod.
gelt
geld
geldt
geltd
Morgen (leiden) jij weer een groep rond.
leid
leit
leidt
leitd
Meneer, u (verliezen) uw portemonnee.
verliezd
verliezt
verliest
verliesd
Elise (beloven) dat zij goed haar best doet.
belooft
beloofd
beloofdt
belooftd
Waarom (binden) je hem vast aan die boom?
bint
bind
bindt
bintd
De agent (redden) je uit het water.
red
ret
redt
retd
(vinden) je zusje die cd geweldig?
Vint
Vindt
Vind
Vintd
