wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2B TH5+6 ( O + PV + WWen)

Total questions: 112

Worksheet time: 1hrs 17mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het onderwerp ?


Wij vertrekken binnenkort naar Durbuy.

(a)  

2.

Wat is de persoonsvorm ?


Wij vertrekken binnenkort naar Durbuy.

(a)  

3.

Wat is het onderwerp ?


's Morgens nemen de kinderen de trein.

(a)  

4.

Wat is de persoonsvorm ?


's Morgens nemen de kinderen de trein.

(a)  

5.

Wat is de persoonsvorm ?


Vorige keer heeft de grappige juf de kinderen gefopt.

(a)  

6.

Wat is het onderwerp ?


Vorige keer heeft de grappige juf de kinderen gefopt.

(a)  

7.

Wat is de persoonsvorm ?


Is je valies al klaar ?

(a)  

8.

Wat is het onderwerp ?


Is je valies al klaar ?

(a)  

9.

Wat is het onderwerp ?


De groep zal in kamers onderverdeeld worden.

(a)  

10.

Wat is de persoonsvorm ?


De groep zal in kamers onderverdeeld worden.

(a)  

11.

Wat is de persoonsvorm ?


Er wachten ons spannende avonturen !

(a)  

12.

Wat is het onderwerp ?


Er wachten ons spannende avonturen !

(a)  

13.

Wat is de persoonsvorm ?


Ik ben benieuwd wie dit jaar op het duivelsbed durft te zitten.

(a)  

14.

Wat is het onderwerp ?


Ik ben benieuwd wie dit jaar op het duivelsbed durft te zitten.

(a)  

15.

Wat is het onderwerp ?


Samen hebben we veel geld verdiend bij de fietswash.

(a)  

16.

Wat is de persoonsvorm ?


Samen hebben we veel geld verdiend bij de fietswash.

(a)  

17.

Wat is de persoonsvorm ?


In de rugzak van juf zitten heerlijke traktaties !

(a)  

18.

Wat is het onderwerp ?


In de rugzak van juf zitten heerlijke traktaties !

(a)  

19.

Wat is het onderwerp ?


Ik kijk er al naar uit !

(a)  

20.

Wat is de persoonsvorm ?


Ik kijk er al naar uit !

(a)  

21.

Persoonsvorm:

Wie van jullie is komen lopen?

a)

lopen

b)

is

c)

wie van jullie

d)

komen

22.

Persoonsvorm:

Daar heeft hij een geweldige overwinning behaald?

a)

daar

b)

hij

c)

heeft

d)

behaald

23.
Meester Pieter speelt basgitaar bij een bandje uit de buurt.
Het onderwerp in de zin is;
a)
meester
b)
Pieter
c)
meester Pieter
d)
bandje uit de buurt
24.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
25.
Elke morgen start opa aan zijn ochtendwandeling van 8 km.
Deze zin staat in...
a)
het meervoud
b)
het enkelvoud
26.
Op zijn laatste toets van Frans behaalde Frank een mooi resultaat.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
zijn laatste toets van Frans
b)
Frank
c)
Frans
d)
een mooi resultaat
27.
Een agent heeft aan het drukke kruispunt het verkeer goed in de war gestuurd.
De persoonsvorm is:
a)
heeft
b)
drukke
c)
gestuurd
28.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
29.
Elke dag wandelde Lutje met haar hond Foksie naar het park om hem daar te laten ravotten met andere honden.
Het onderwerp in deze zin is...
a)
haar hond Foksie
b)
Foksie
c)
Lutje
d)
andere honden
30.
Anneke vertelde Marieke het geheim van haar broer.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
Anneke
b)
Marieke
31.
Terwijl mama het avondeten bereidt, leest papa in de woonkamer de krant.
De persoonsvorm is deze zin is...
a)
bereidt
b)
leest
32.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
a)
kwaad
b)
ontzettend
c)
wordt
d)
meneer Duffeling
33.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
34.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

35.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

36.

Wat is de pv: Wie brengt de post naar de brievenbus?

a)

Wie

b)

brengt

c)

de post

d)

de brievenbus

37.

Wat is de pv: Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

38.

Wat is de pv: Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.

a)

ik

b)

wil kijken

c)

wil

d)

in de klas

39.

Wat is de pv: Waarom gaat mijn schoenveter steeds los?

a)

Waarom

b)

schoenveter

c)

gaat

d)

gaat los

40.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
41.
Zoek in deze zin het onderwerp.
De uil bezorgt een brief.
a)
een brief
b)
de uil
c)
bezorgt
d)
een
42.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
a)
kwaad
b)
ontzettend
c)
wordt
d)
meneer Duffeling
43.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Eet professor Perkamentus graag snoep? 
a)
eet
b)
professor Perkamentus
c)
snoep
d)
graag
44.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
45.
Een samengestelde zin heeft ....... persoonsvormen.
a)
één
b)
twee
c)
twee of meer
d)
geen
46.
Is dit een enkelvoudige of een samengestelde zin?
Hermelien tovert een konijn uit haar hoed.
a)
samengesteld
b)
enkelvoudig
47.
Is dit een enkelvoudige of samengestelde zin?
Ron wil niet naar huis, want hij vindt het zo gezellig op Zweinstein.
a)
Enkelvoudige zin
b)
Samengesteld zin
48.
Zoek het onderwerp en de persoonsvorm in deze zin.
Volgens mij is het neefje van Harry een gemene pestkop.
a)
Harry / gemene pestkop
b)
het neefje van Harry / is
c)
mij / is
d)
is / gemene pestkop
49.
Zoek het voegwoord in deze zin.
Harry zwaait naar Ron en tovert een grote zak met salamanders uit zijn bureau.
a)
uit
b)
met
c)
en
d)
naar
50.

Hij (lopen) naar de juf.

a)

lopen

b)

loop

c)

loopt

d)

lopt

51.

Ik (gaan) naar het tweede leerjaar.

a)

gaat

b)

gaan

c)

gaa

d)

ga

52.

Louise (werken) heel goed in de klas.

a)

werkt

b)

werk

c)

werken

d)

werkten

53.

Mama en papa (vragen) wanneer ik wil eten.

a)

vraagt

b)

vraag

c)

vragen

d)

vraagen

54.

Marie (dansen) op de muziek.

a)

danst

b)

dansen

c)

dans

d)

danstt

55.

Ik (wandelen) samen met mijn hond in het park.

a)

wandelen

b)

wandel

c)

wandelt

d)

wandeld

56.

De meisjes (zingen) een liedje.

a)

zingt

b)

zingen

c)

zingten

d)

zing

57.

De juf (geven) oefeningen om te maken.

a)

geven

b)

geeft

c)

geef

d)

geevt

58.

Wij (geven) een cadeau aan Louis.

a)

geeft

b)

geef

c)

geven

d)

gaf

59.

Julie (drinken) water in de klas.

a)

drinken

b)

drinkt

c)

drink

d)

drinkten

60.

Wat is de juiste vorm?

Gisteren ......... wij op de trampoline.

a)

springden

b)

springten

c)

sprongen

d)

sprong

61.

Gebruik het werkwoord 'denken' correct in volgende zin.

Jonas (a)   dat hij vorig jaar kon vliegen.

62.

Gebruik het werkwoord zwemmen correct.

Afgelopen week (a)   Aico een record.

63.

Schrijven Otta en Jonas ________ een liefdesbrief.

a)

schrefen

b)

schreven

c)

schrijften

d)

schreeven

64.

De auto ______ over de baan. (rijden)

a)

reed

b)

reet

c)

rijdde

d)

red

65.

(werpen) De acrobaten (a)   vorige zaterdag messen naar elkaar

66.

(zijn) Wij (a)   vorige week aan het knutselen.

67.

(begrijpen) ________ jij wat de meester zei?

a)

Begrijpte

b)

begreep

c)

Begreep

d)

begrep

68.

(Houden) Vorig jaar ______ onze school een free podium.

a)

hield

b)

hielt

69.

(spuiten) De verpleegster (a)   met haar spuitje.

70.

(Beginnen)

Onze leerkracht (a)   de dag met een toets.

71.

(slapen)

De buurman met zijn witte sokken en groten honden _______ in een tentje in zijn tuin

a)

sliepten

b)

slaapten

c)

sliepen

d)

sliep

72.

Het weer (verbeteren) elke dag.

(a)  

73.

Waarom (antwoorden) je niet zelf?

(a)  

74.

Het vliegtuig (landen) net op tijd.

(a)  

75.

(Worden) lid van onze club.

(a)  

76.

Meneer Brons (belasten) gisteren zijn rug met de verhuis.

(a)  

77.

Die meisjes (smeden) vorig jaar gemene plannen.

(a)  

78.

Ik ben zes jaar geleden naar België (verhuizen).

(a)  

79.

Er worden grote offers van de bevolking (eisen)

(a)  

80.

De vrouw van de (vermoorden) juwelier was razend.

(a)  

81.

Het (redden) kind werd meteen naar een warme ruimte gebracht.

(a)  

82.

Volgens de bakker moest het pas (kneden) deeg met water besproeid worden.

(a)  

83.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (t.t.)
De meester ... de vraag.
a)
beantwoort
b)
beantwoorde
c)
beantwoordt
d)
beantwoord
84.
Vul het werkwoord 'tekenen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Annemarie heeft een mooie draak ...
a)
getekend
b)
getekent
c)
tekende
d)
getekendt
85.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Is je vraag nu ...?
a)
beantwoort
b)
beantwoord
c)
beantwoordt
86.
Vul het werkwoord 'besturen' in op de puntjes. (t.t.)
Jan ... de radiografisch bestuurbare auto.
a)
bestuurt
b)
bestuurd
c)
bestuurdt
d)
bestuurde
87.
Vul het werkwoord 'besturen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
De radiografisch bestuurbare auto wordt door Jan ...
a)
bestuurdt
b)
bestuurt
c)
bestuurd
d)
besturen
88.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
... je deze quiz leuk?
a)
vind
b)
vint
c)
vindt
d)
vond
89.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
Ik weet niet of iedereen de quiz leuk ...
a)
vint
b)
vind
c)
vindt
d)
vond
90.
Vul het werkwoord 'gebeuren' in op de puntjes. (t.t.)
Het ... nogal eens dat het werkwoord gebeuren verkeerd wordt vervoegd.
a)
gebeurdt
b)
gebeurde
c)
gebeurd
d)
gebeurt
91.
Vul het werkwoord 'gebeuren' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Misschien is dat bij jou ook wel eens ...
a)
gebeurdt
b)
gebeuren
c)
gebeurt
d)
gebeurd
92.
Vul het werkwoord 'worden' in op de puntjes. (t.t.)
Deze quiz is nu afgelopen. Ik ben benieuwd wie de winnaar ...
a)
word
b)
wordt
c)
werd
d)
geworden
93.

(Antwoorden) jij op de vraag van de juf?

a)

antwoord

b)

antwoordt

c)

antwoort

d)

antwoortd

94.

Waardoor (storten) het vliegtuig neer?

a)

stordt

b)

stort

c)

stord

d)

stortd

95.

(Vinden) Gabriël het prettig om lang uit te slapen?

a)

vind

b)

vindt

c)

vint

d)

vintd

96.

Tijdens de paardenrace (wedden) Billie op het beste paard.

a)

wet

b)

wed

c)

wedt

d)

wetd

97.

Bruno (spelden) een button op mijn trui.

a)

spelt

b)

speld

c)

speldt

d)

speltd

98.

Ik (bereiden) een heerlijke maaltijd.

a)

bereid

b)

bereit

c)

bereidt

d)

bereidt

99.

Ik (wedden) dat je dit niet kunt.

a)

wet

b)

wed

c)

wedt

d)

wetd

100.

De matroos (rondleiden) de passagiers over het schip.

a)

leid ... rond

b)

leit ... rond

c)

leidt ... rond

d)

leitd ... rond

101.

De haven van Zeebrugge (slibben) langzaam dicht.

a)

slibt

b)

slibd

c)

slibdt

d)

slibtd

102.

(worden) je neef vandaag 25 jaar oud?

a)

Word

b)

Wort

c)

Wordt

d)

Wortd

103.

Wie (worden) de president van Amerika?

a)

wort

b)

word

c)

wordt

d)

wortd

104.

Ik (vinden) dat een verkeerde oplossing.

a)

vind

b)

vint

c)

vindt

d)

vintd

105.

Donald (houden) niet meer van Kamala.

a)

houd

b)

hout

c)

houdt

d)

houtd

106.

In deze straat (gelden) een verkeersverbod.

a)

gelt

b)

geld

c)

geldt

d)

geltd

107.

Morgen (leiden) jij weer een groep rond.

a)

leid

b)

leit

c)

leidt

d)

leitd

108.

Meneer, u (verliezen) uw portemonnee.

a)

verliezd

b)

verliezt

c)

verliest

d)

verliesd

109.

Elise (beloven) dat zij goed haar best doet.

a)

belooft

b)

beloofd

c)

beloofdt

d)

belooftd

110.

Waarom (binden) je hem vast aan die boom?

a)

bint

b)

bind

c)

bindt

d)

bintd

111.

De agent (redden) je uit het water.

a)

red

b)

ret

c)

redt

d)

retd

112.

(vinden) je zusje die cd geweldig?

a)

Vint

b)

Vindt

c)

Vind

d)

Vintd