WorksheetsOefentoets LS1 un3
Total questions: 55
Worksheet time: 55mins
Vertaal:
le stylo
(a)
Vertaal:
mercredi
(a)
Vertaal:
le français
(a)
Vertaal:
préférer
(a)
Vertaal:
le cahier
(a)
Vertaal:
terminer
(a)
Vertaal:
commencer
(a)
Vertaal:
l'entrainement
(a)
Vertaal:
fort en
(a)
Vertaal:
dessiner
(a)
Vertaal:
bientôt
(a)
Vertaal:
le jour
(a)
Vertaal:
pourquoi?
(a)
Vertaal:
avoir peur
(a)
Vertaal:
jouer du violon
(a)
Vertaal:
faire du hockey
(a)
Vertaal:
comprendre
(a)
Vertaal:
le repas
(a)
Vertaal:
l'ennui
(a)
Vertaal:
la chimie
(a)
Vertaal:
zaterdag
(a)
Vertaal:
de computer
(a)
Vertaal:
leren
(a)
Vertaal:
het cijfer
(a)
Vertaal:
een hekel hebben aan
(a)
Vertaal:
werken
(a)
Vertaal:
doen aan
(a)
Vertaal:
de les
(a)
Vertaal:
gevaarlijk
(a)
Vertaal:
veel
(a)
Vertaal:
volleyballen
(a)
Vertaal:
de wedstrijd
(a)
Vertaal:
de natuurkunde
(a)
Vertaal:
het rooster
(a)
Vertaal:
maandag
(a)
Vul de juiste vorm in van het werkwoord. Maak eerst de stam en zet daar de juiste uitgang achter:
Je (trouver)
(a)
Vul de juiste vorm in van het werkwoord. Maak eerst de stam en zet daar de juiste uitgang achter:
Vous (aimer)
(a)
Vul de juiste vorm in van het werkwoord. Maak eerst de stam en zet daar de juiste uitgang achter:
Nous (regarder)
(a)
Vul de juiste vorm in van het werkwoord. Maak eerst de stam en zet daar de juiste uitgang achter:
Tu (donner)
(a)
Vul de juiste vorm in van het werkwoord. Maak eerst de stam en zet daar de juiste uitgang achter:
Elle (oublier)
(a)
Vul de juiste vorm in van het werkwoord. Maak eerst de stam en zet daar de juiste uitgang achter:
Ils (préparer)
(a)
Vul de juiste vorm in van het werkwoord. Maak eerst de stam en zet daar de juiste uitgang achter:
Sarah et Sophie (organiser)
(a)
Vul de zinnen aan. Gebruik het juiste lidwoord:
Enzo aime (a) (wiskunde)
Vul de zinnen aan. Gebruik het juiste lidwoord:
J'adore (a) (sporten)
Vul de zinnen aan. Gebruik het juiste lidwoord:
Nous aimons (a) (zee)
Vul de zinnen aan. Gebruik het juiste lidwoord:
Vous détestez (a) (geschiedenis)
Vul de zinnen aan. Gebruik het juiste lidwoord:
Le prof aime (a) (leerlingen)
Vertaal:
Je n'aime pas les jeux vidéo.
(a)
Vertaal:
Qu'est-ce que tu fais comme sport?
(a)
Vertaal:
On va faire les devoirs ensemble?
(a)
Vertaal:
Wat is jouw lievelingsvak?
(a)
Vertaal:
In het weekend kijken wij naar een film.
(a)
Vertaal:
Is de leraar geschiedenis grappig?
(a)
Vertaal:
Non, je déteste l'histoire.
(a)
Vertaal:
Je préfère l'anglais
(a)
