wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

h10 (htr 8) deel 3🚦 (als geen agent gelden verkeerslichten)

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Je nadert een kruispunt met lichten.

Het is groen.

Maar het is druk (file).

Wat doe je?

a)

Je mag doorrijden.

b)

Je stopt, wacht tot het kruispunt vrij is.

(tot je voorbij het kruispunt kan rijden)

Dan pas rijd je door.

2.

Je nadert dit kruispunt met lichten.

Het licht verandert van groen naar oranje.

a)

Je mag de auto voor jou volgen.

b)

Je moet stoppen.

3.

Mag ik

een kruispunt oprijden

bij groen licht

als ik het kruispunt daardoor

misschien

ga blokkeren?

a)

ja

b)

nee

4.

De rode auto...

a)

moet rekening houden met het rode licht.

b)

hoeft geen rekening te houden met het rode licht.

5.

Mag ik nu rechts afslaan?

a)

ja, natuurlijk

b)

nee

6.

Mag ik nu rechts afslaan?

a)

ja, natuurlijk

b)

nee

7.

Je nadert een kruispunt met lichten.

Het licht verandert van groen naar oranje.

a)

Je mag doorrijden.

b)

Je moet stoppen, tenzij het niet veilig kan.

c)

Je moet stoppen, ook als je daardoor anderen in gevaar brengt.

8.

Welke bestuurder mag nu het kruispunt op rijden?

a)

de moto

b)

de auto

c)

geen van beide

9.

Je nadert een kruispunt met lichten.

Jij wil hier rechtsaf.

a)

Je moet stoppen want het licht is rood.

b)

Je mag doorrijden.

Je moet geen rekening houden met het verkeerslicht.

10.

Je stopt voor een rood licht wat mag je doen?

a)

bellen met je telefoon in je hand

b)

een whatsapp versturen

c)

geen van beide,

hiervoor moet je geparkeerd staan

11.

Je nadert een kruispunt met lichten.

Het is rood.

Waar moet ik stoppen?

a)

voor de eerste stopstreep

b)

voor de 2de stopstreep

12.

Je nadert dit kruispunt.

Jij wil naar links.

a)

Je mag nu rijden.

b)

Je moet eerst volledig stoppen, dan mag je rijden.

c)

Je moet stoppen en wachten tot het verkeerslicht groen wordt.

13.

Je nadert dit kruispunt.

Wat is juist?

a)

Je mag alleen

rechtdoor

rijden.

b)

Je mag alleen

rechtdoor of linksaf

rijden.

c)

Je mag alleen

rechtdoor of rechtsaf

rijden.

14.

Er branden 2 pijlen.

Ik wil rechtdoor.

a)

Dat mag

b)

Dag mag nu niet.

15.

Je nadert dit kruispunt.

Jij wil naar links.

a)

Je mag nu rijden.

b)

Je mag rijden MAAR

je moet eerst voorrang geven aan het dwarsend verkeer.

16.

Je nadert dit kruispunt.

Jij zit in de gele auto.

Jij wil naar rechts.

a)

Je mag nu rijden.

b)

Je moet stoppen en wachten tot het verkeerslicht groen wordt.

c)

Je mag rijden MAAR

je moet eerst voorrang geven aan het dwarsend verkeer.

(een voetganger in dit geval)

17.

Aan dit kruispunt...

a)

mag je rechtdoor rijden en rechts afslaan.

b)

moet je altijd stoppen tot het licht op groen staat.

c)

mag je rechts afslaan

OP VOORWAARDE DAT

je eerst voorrang geeft aan het dwarsend verkeer.

(een voetganger bijvoorbeeld)

EN mensen op het zebrapad in de straat rechts.

18.

Je nadert dit kruispunt.

Jij wil naar rechts.

a)

Je mag nu rijden.

b)

Je moet eerst volledig stoppen, dan mag je rijden.

c)

Je moet stoppen en wachten tot het verkeerslicht groen wordt.

d)

Je mag rijden MAAR

je moet eerst voorrang geven aan het dwarsend verkeer. (de fietser)

19.

Je nadert dit kruispunt.

Jij wil naar rechts.

Er is ook een voetganger, die heeft een groen licht.

a)

Je mag nu rijden, voor de voetganger.

b)

Je moet eerst het dwarsende verkeer (de voetganger)

voorrang geven.

20.

Je nadert dit kruispunt.

Jij wil naar rechts.

Het licht springt op oranje.

Wat doe je?

a)

meteen stoppen

b)

stoppen als het veilig kan

c)

snel doorrijden voor het licht op rood springt

21.

Je nadert een kruispunt met lichten.

Het oranje licht in het midden knippert.

a)

Je moet stoppen, tenzij het niet veilig kan.

b)

Het licht is defect.

Je moet de voorrangsborden volgen,

dus je moet helemaal stoppen en voorrang geven aan links en rechts.

22.

Oranje vast licht.

a)

Ik mag verder rijden als ik geen andere weggebruikers in gevaar breng.

b)

Ik moet stoppen

23.

Dit oranje licht knippert.

Dit betekent...

a)

dat je aan een oversteekplaats voor voetgangers komt

en je dus moet stoppen.

b)

dat je aan een oversteekplaats voor voetgangers komt

en je dus moet vertragen en zonodig stoppen.

c)

dat je op een gevaarlijke plaats komt en voorzichtig moet rijden

24.

Dit oranje licht knippert.

Dit betekent...

a)

hetzelfde als een normaal oranje vast licht.

Je moet stoppen tenzij het niet veilig kan.

b)

het licht is defect.

Je moet zoeken naar een voorrangsbord

en de normale voorrangsregels volgen.

c)

dat je op een gevaarlijke plaats komt en voorzichtig moet rijden