WorksheetsINL FD
Total questions: 30
Worksheet time: 15mins
Name
Class
Date
1.
Wat is een kenmerk van actieve ouderdom?
a)
Arbeidsongeschiktheid
b)
Gezondheid neemt af
c)
Pensioen
d)
Koopwoning
2.
Wat is het rendement van aandelen?
a)
Dividend, koerswinst
b)
Rente
c)
Opbrengst project
d)
Couponrente, koerswinst
3.
Wat is een nadeel van een internetspaarrekening?
a)
Er is geen sprake van een minimum-maximum inleg
b)
Het is nooit volledig veilig
c)
Overboekingen worden snel verwerkt
d)
De houder kan ieder moment over het geld beschikken
4.
Linda wil graag €10.000,00 sparen voor nieuwe meubels voor haar huis, die over een jaar wordt opgeleverd. Wat is het motief?
a)
Zekerheidsmotief
b)
Doelmotief
c)
Spaarmotief
d)
Vermogensmotief
5.
De tijd die iemand moet sparen om het doel te behalen (spaartermijn) is afhankelijk van
a)
Inkomen en uitgaven
b)
De rente op de spaarrekening
c)
Hoogte van het doel en van de hoogte van het maandelijks gespaard bedrag
d)
Hoeveel je per maand kan sparen
6.
Wat is het belangrijkste doel van beleggen?
a)
Het vermijden van alle risico's
b)
Het behalen van rendement op geïnvesteerd kapitaal
c)
Sparen voor een langere termijn
d)
Het beschermen van geld tegen inflatie
7.
Welke vorm van beleggen is het minst risicovol?
a)
Aandelen
b)
Vastgoed
c)
Liquide middelen
d)
Obligaties
8.
Wat doet een fondsbeheerder?
a)
Beheert en investeert geld in een beleggingsfonds om rendement te maximaliseren
b)
Geeft leningen aan bedrijven en particulieren
c)
Bepaalt de rentetarieven van banken
d)
Voert belastingcontroles uit voor de overheid
9.
Beleggen in een beleggingsfonds heeft een aantal voordelen, wat is GEEN voordeel van beleggen in een beleggingsfonds?
a)
Het spreiden van risico
b)
Het verdelen van kosten
c)
Professioneel beleggen
d)
Directe controle over individuele aandelen in het fonds
10.
Wat valt niet onder het depositogarantiestelsel?
a)
betaalrekeningen en spaarrekeningen
b)
Beleggingen in aandelen en obligaties en levensverzekeringen
c)
deposito’s en bankspaartegoeden.
d)
Spaartegoeden bij een bank met een Nederlandse bankvergunning
11.
Wat houdt het Verificatie Informatie Systeem (VIS) in?
a)
Een systeem dat de rentetarieven op spaarrekeningen berekent
b)
Een systeem dat realtime wisselkoersen voor valutahandel verstrekt
c)
Een systeem dat door financiële instellingen wordt gebruikt om de geldigheid van identiteitsdocumenten te controleren
d)
Een systeem dat kredietrapporten en risicoprofielen van klanten analyseert
12.
Wat moet je NIET laten zien bij het melden van het overlijden van een rekeninghouder?
a)
Overlijdensakte
b)
Legitimatie bewijs van de erfgenaam
c)
Kopie van de bankpas
d)
Verklaring van erfrecht
13.
Wat is geen geldvorm
a)
Chartaal geld
b)
Spaarpunten
c)
Giraal geld
d)
Elektronische geld
14.
Wat valt niet onder jongvolwassenheid?
a)
Studenten en scholieren
b)
Weinig eigen bezit
c)
Trouwen
d)
Koopwoning
15.
Wat valt onder beleggen in objecten?
a)
Goud
b)
Opties
c)
Aandelen
d)
Obligaties
16.
Wat is een kenmerk van de actieve ouderdom in het levensfase model?
a)
Nog in goede gezondheidArbeidsongeschiktheid
b)
Trouwen
c)
financiële verplichtingen nemen toe
d)
Toename zorgkosten
17.
Wat is een voordeel van een debitcard?
a)
Je kan later betalen
b)
Je kan niet rood staan
c)
Je kan maandelijks aflossen
d)
Je kan oneindig besteden
18.
Welke spaarvorm hoort bij 'Vaak vaste rente en looptijd'
a)
Depositosparen
b)
Sparen met voorwaarden
c)
Internetsparen
d)
Sparen zonder voorwaarden
19.
Welke omschrijving hoort bij 'Vermogensmotief'
a)
Sparen met een bepaald bestedingsmotief
b)
Sparen voor een buffer
c)
Benodigde bedrag is vaak niet bekend
d)
Doel, benodigde bedrag en het moment van uitgeven zijn niet bekend
20.
Het spaartegoed van ............ valt niet onder het depositogarantie stelsel
a)
Financiële onderneming
b)
B.V.
c)
Privepersonen
d)
Vereniging
21.
Een ander woord voor obligatie is?
a)
Koersrendement
b)
Kapitaalmarkt
c)
Duration
d)
Schuldbewijs
22.
Deze beleggingsdoelen zijn wensen
a)
Subjectieve beleggingsdoelen
b)
Beleggingshorizon
c)
Objectieve beleggingsdoelen
d)
Bonussen
23.
Wat is het belangrijkste verschil tussen beleggen en investeren?
a)
Beleggen betreft altijd het kopen van onroerend goed, terwijl investeren alleen in bedrijven kan zijn.
b)
Bij beleggen worden kapitaalgoederen aangeschaft, terwijl investeren betrekking heeft op makkelijk verhandelbare goederen.
c)
Bij beleggen gaat het om kleinere bedragen, terwijl investeren altijd om hogere bedragen gaat en kapitaalgoederen betreft.
d)
Beleggen is risicoloos, terwijl investeren altijd met risico’s gepaard gaat.
24.
Wat is het doel van het opstellen van een liquiditeitsplan?
a)
Het verkrijgen van inzicht in de levensfasen van een persoon.
b)
Het afstemmen van de inkomsten en uitgaven met de haalbaarheid van het doel.
c)
Het bepalen van de levensverwachting van een individu.
d)
Het plannen van de sociale zekerheid voor een persoon.
25.
Wat is een kenmerk van een ‘en/of-rekening’?
a)
Alleen één rekeninghouder heeft toegang tot de rekening en kan betalingen doen.
b)
Alle rekeninghouders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de tekorten op de rekening, maar kunnen niet zelfstandig betalingen doen.
c)
Alle rekeninghouders hebben vrije toegang tot het saldo en kunnen zelfstandig betalingen doen.
d)
Het saldo van de rekening kan alleen worden ingezien met toestemming van alle rekeninghouders.
26.
Wat gebeurt er bij een betaling met een pin- of contactloze betaling?
a)
Het geld wordt direct van de rekening van de koper afgeschreven en meteen op de rekening van de verkoper bijgeschreven.
b)
De koper betaalt met een krediet dat later moet worden terugbetaald.
c)
Het geld wordt eerst bijgeschreven op de rekening van de koper en pas later afgeschreven van de verkoper.
d)
De koper ontvangt direct contant geld in plaats van een elektronische betaling.
27.
Wat valt niet onder het depositogarantiestelsel (DGS)?
a)
Betaalrekeningen en spaarrekeningen.
b)
Deposito’s en bankspaartegoeden.
c)
Aandelen en obligaties aan toonder.
d)
Banktegoeden.
28.
Wat is een reden waarom veel mensen besluiten te sparen?
a)
Om onmiddellijk een lening af te sluiten.
b)
Om een buffer aan te leggen voor onvoorziene uitgaven of een onverwachte inkomensdaling.
c)
Om een hoger inkomen te genereren via investeringen.
d)
Om direct een huis te kopen zonder lening.
29.
Wat bepaalt de fondsbeheerder bij beleggingsfondsen?
a)
Het aantal participaties dat een belegger ontvangt.
b)
De strategie van de beleggingen en waarin er wordt belegd.
c)
De hoogte van het fondsvermogen.
d)
Het bedrag dat de bewaarder van het fonds moet controleren.
30.
Wat is een kenmerk van een gesloten beleggingsfonds?
a)
Het kan altijd beursgenoteerd zijn.
b)
Het is nooit beursgenoteerd.
c)
Het kan zowel beursgenoteerd als niet-beursgenoteerd zijn.
d)
Het heeft altijd een open-end structuur.
100 %
